Parket bij de Hoge Raad, 12-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:192, 24/02090
Parket bij de Hoge Raad, 12-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:192, 24/02090
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 februari 2025
- Datum publicatie
- 20 februari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:192
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:724
- Zaaknummer
- 24/02090
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen over verzoek onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige (art. 1:395a BW). Kan dit verzoek in de echtscheidingsprocedure tussen de ouders worden gedaan (art. 822 Rv en art. 827 Rv)?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02090
Zitting 12 februari 2025
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[de vrouw] (de vrouw)
tegen
[de man] (de man)
1 Inleiding en samenvatting
De rechtbank Rotterdam heeft prejudiciële vragen gesteld die aan de orde stellen of een verzoek tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van een jongmeerderjarige (dat zijn meerderjarigen van 18 tot 21 jaar) kan worden gedaan binnen de echtscheidingsprocedure. Daarbij kan het gaan om het vaststellen van zo’n onderhoudsbijdrage als voorlopige voorziening tijdens de echtscheidingsprocedure (art. 822 Rv) of om het vaststellen van die bijdrage als nevenvoorziening bij het uitspreken van de echtscheiding (art. 827 Rv).
M.i. valt een verzoek om een onderhoudsbijdrage ten behoeve van een jongmeerderjarige niet onder de reikwijdte van art. 822 Rv of art. 827 Rv. Deze bepalingen zijn bedoeld voor het treffen van voorzieningen tussen de echtgenoten (dus de ouders). De jongmeerderjarige heeft echter een eigen aanspraak op een onderhoudsbijdrage, die niet kan worden beschouwd als een aanspraak van de ouder(s). Doordat de onderhoudsbijdrage voor een jongmeerderjarige niet valt onder art. 822 Rv of art. 827 Rv, kan de jongmeerderjarige ook niet via het verlenen van een procesvolmacht aan een ouder alsnog onder het bereik van de bepaling worden gebracht.
In feite komt het erop neer dat de processuele positie van de jongmeerderjarige tijdens de echtscheidingsprocedure niet geregeld is. Kennelijk heeft de wetgever voor ogen gestaan dat de jongmeerderjarige steeds zelf in een afzonderlijke procedure een alimentatieverzoek instelt voor het verkrijgen van een onderhoudsbijdrage, die dan eventueel kan worden gevoegd met de echtscheidingsprocedure van de ouders.
In de praktijk is het echter vaak een ouder die in een echtscheidingsprocedure een verzoek doet tot het vaststellen van een onderhoudsbijdrage voor een jongmeerderjarige, vaak tezamen met verzoeken voor onderhoudsbijdragen voor minderjarige kinderen. In die situatie zou het een praktische werkwijze zijn – die gerechten nu vaak al volgen – dat de rechter dat verzoek aanmerkt als een zelfstandig verzoek van de jongmeerderjarige. Daarvoor is wel vereist dat de jongmeerderjarige daarvoor toestemming verleent. Het verzoek van de jongmeerderjarige wordt dan afzonderlijk als procedure geregistreerd en de jongmeerderjarige is daarin dus zelf partij. Het verzoek wordt tezamen met de echtscheidingsprocedure behandeld.
Het voordeel van deze werkwijze is dat de toegang tot de rechter voor de jongmeerderjarige laagdrempelig is. Het bespaart de jongmeerderjarige het zelf moeten instellen van een procedure tegen een ouder. Bovendien kan de rechter dan gelijktijdig beslissen over zowel een onderhoudsbijdrage ten behoeve van minderjarige kinderen (die toekomt aan de verzorgende ouder) als over de onderhoudsbijdrage voor de jongmeerderjarige (die toekomt aan de jongminderjarige). Dat is belangrijk, omdat de hoogte van de bijdragen op elkaar van invloed is. In de rechterlijke uitspraak wordt de beslissing op het verzoek van de jongmeerderjarige in het dictum opgenomen, waardoor de jongmeerderjarige zelf een titel verkrijgt voor de onderhoudsbijdrage.
2 Feiten en procesverloop
In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten, door de rechtbank weergegeven in de beschikking van 22 mei 2024.1
De man en de vrouw zijn op 8 augustus 2000 te [plaats] , Marokko, met elkaar gehuwd.
De man en de vrouw zijn de ouders van [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [plaats] (hierna: de jongmeerderjarige). Tevens zijn zij de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , beiden geboren op [geboortedatum] 2010 te [plaats] (hierna: de minderjarigen).
De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding gedaan.
Bij verzoekschrift inzake voorlopige voorzieningen ex art. 822 Rv, bij de rechtbank ingekomen op 19 maart 2024, heeft de vrouw verzocht (i) de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen; (ii) een zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen te bepalen; (iii) te bepalen dat de man een bedrag inzake de kosten en opvoeding van de minderjarigen zal betalen.
In zijn verweerschrift voorlopige voorzieningen tevens zelfstandige verzoeken, ingekomen op 19 april 2024, heeft de man verzocht om de verzoeken van de vrouw, met uitzondering van het verzoek tot toevertrouwing van de minderjarige kinderen, af te wijzen. Bij wijze van zelfstandig verzoek heeft hij verzocht om een andere zorgregeling te bepalen.
De man heeft op 19 april 2024 een door de jongmeerderjarige verleende volmacht overgelegd om namens haar op te treden in de voorliggende (voorlopige voorzieningen) procedure.
Op 22 april 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.
De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling een volmacht overgelegd, waarin de jongmeerderjarige volmacht verleent aan de vrouw om haar in de echtscheidingsprocedure te vertegenwoordigen.
Bij beschikking van 22 mei 2004 heeft de rechtbank, kort gezegd:
- bepaald dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- een regeling over de verdeling van de zorg en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarigen getroffen;
- het bedrag dat de man met ingang van de datum van de beschikking aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal voldoen bepaald op € 182,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;
- het bedrag dat de vrouw met ingang van de datum van de beschikking aan de jongmeerderjarige zal voldoen als bijdrage van de kosten van studie en levensonderhoud bepaald op € 179,- bij vooruitbetaling te voldoen.
Uit rov. 3.4 van de beschikking blijkt dat de beslissingen voorwaardelijk zijn genomen, afhankelijk van de beantwoording door de Hoge Raad van de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen.
De rechtbank heeft de Hoge Raad bij voornoemde beschikking verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvragen te beantwoorden:
1. valt de jongmeerderjarige onder de reikwijdte van artikel 822 lid 1 onder c Rv?
2. kan de werkwijze van de rechtbank Rotterdam in de echtscheidingsprocedure, waarbij het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de jongmeerderjarige ontvankelijk is wanneer de jongmeerderjarige de ouder die dit verzoek als nevenvoorziening indient daartoe heeft gemachtigd, zoals in de geest van de parlementaire geschiedenis van artikel 827 Rv en de gedachte dat artikel 827 lid 1 sub f (nieuw sub g) Rv is toegevoegd om afzonderlijke procedures te voorkomen, naar analogie in de voorlopige voorzieningenprocedure worden toegepast?
Uit een brief van de rechtbank van 25 oktober 2024 volgt dat partijen op 17 september 2024 in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de prejudiciële vragen en dat de vrouw daarvan gebruik heeft gemaakt. De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien om de vraagstelling aan te passen.
De Hoge Raad heeft de vragen in behandeling genomen. Partijen zijn op de voet van art. 393 lid 1 Rv in de gelegenheid gesteld schriftelijke opmerkingen in te dienen. Van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.
3 Inleiding
Op grond van art. 1:395a BW heeft de jongmeerderjarige jegens zijn of haar ouders een zelfstandige aanspraak op een bijdrage in de kosten van onderhoud en studie.
Het procesrecht bevat geen specifieke regeling over het geldend maken van deze aanspraak van de jongmeerderjarige. De jongmeerderjarige moet kennelijk gebruik maken van de algemene regels die gelden voor zaken van levensonderhoud.
In de praktijk is het echter vaak een ouder die in een echtscheidingsprocedure ten behoeve van álle bij die ouder inwonende kinderen – daaronder begrepen kinderen die jongmeerderjarig zijn – de rechter verzoekt om het vaststellen van een onderhoudsbijdrage (als voorlopige voorziening of als nevenvoorziening).
Hierdoor is in de feitenrechtspraak de vraag gerezen of een ouder kan worden ontvangen in een verzoek in de echtscheidingsprocedure om het vaststellen van een bijdrage in de kosten van onderhoud en studie van een jongmeerderjarige, al dan niet met een daarvoor door de jongmeerderjarige verstrekte volmacht aan de ouder, of dat het verzoek door de jongmeerderjarige zelf moet worden gedaan.
De concrete vraag van de rechtbank is of de jongmeerderjarige onder het bereik valt van art. 822 lid 1 onder c Rv (waarin is geregeld welke voorlopige voorzieningen tijdens een echtscheidingsprocedure kunnen worden getroffen). Ook wordt gevraagd of de jongmeerderjarige onder het bereik valt van art. 827 Rv (waarin is geregeld welke nevenvoorzieningen kunnen worden getroffen bij een verzoek om echtscheiding).
Ter beantwoording van deze vragen wordt hierna eerst de aanspraak van art. 1:395a besproken (hoofdstuk 4). Vervolgens wordt ingegaan op het in rechte geldend maken van die aanspraak in een alimentatieprocedure (hoofdstuk 5). Daarna wordt besproken of een verzoek om een onderhoudsbijdrage van een jongmeerderjarige ook in een echtscheidingsprocedure kan worden gedaan, als een verzoek om een voorlopige voorziening (art. 822 Rv) of als een verzoek om een nevenvoorziening (art. 827 Rv). Daartoe wordt eerst de echtscheidingsprocedure besproken (hoofdstuk 6) en vervolgens het verzoek in die procedure van een jongmeerderjarige (hoofdstuk 7). Hierna volgt een slotbeschouwing (hoofdstuk 8) en de beantwoording van de vragen (hoofdstuk 9).