Parket bij de Hoge Raad, 18-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:239, 23/02742
Parket bij de Hoge Raad, 18-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:239, 23/02742
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 18 februari 2025
- Datum publicatie
- 24 februari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:239
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:489
- Zaaknummer
- 23/02742
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling voor o.m. medeplegen poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Middel klaagt over voorwaardelijk opzet op de dood, meer in het bijzonder over omstandigheid dat uit de bewijsmiddelen niet zou kunnen worden afgeleid dat de bewezen verklaarde geweldshandelingen de aanmerkelijke kans in het leven hebben geroepen dat de aangevers zouden komen te overlijden. Algemene beschouwingen over voorwaardelijk opzet en de aanmerkelijke kans op het gevolg. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02742
Zitting 18 februari 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 6 juli 2023 de verdachte wegens (1) primair “medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd” en (2) “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek conform artikel 27 lid 1 Sr. Daarnaast is een in beslag genomen voorwerp verbeurdverklaard, zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en zijn aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 1, meer in het bijzonder dat het voorwaardelijk opzet op de dood niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Voordat ik overga tot een bespreking van het middel, geef ik de kern van de zaak, de bewezenverklaring en de bewijsconstructie van het hof weer.
De zaak
4. Het hof heeft de zaak – in het kader van de strafmotivering – op de volgende wijze kernachtig samengevat:
“De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten, in het bijzonder een poging tot doodslag op twee 17-jarigen. Nadat de gestolen bromfiets van de dochter van de verdachte door (een van) de aangevers te koop werd aangeboden, is de verdachte - nadat daartoe door (een) ander(en) een afspraak met (een van) de aangevers was gemaakt - samen met de twee medeverdachten naar een afgesproken plaats gereden, waar hij zich samen met één van de medeverdachten voordeed als vader en zoon en als geïnteresseerden in de bromfiets. Op enig moment is medeverdachte [medeverdachte 2] , na een seintje van de, verdachte, met een honkbalknuppel ter plaatse gekomen. Vervolgens hebben zij minuten lang ernstig geweld uitgeoefend op de twee minderjarige slachtoffers. Daarbij hebben zij niet alleen hun vuisten, maar ook de honkbalknuppel gebruikt. Hiermee is door een van de verdachten zo hard tegen het lichaam van een van de slachtoffers geslagen, dat deze afbrak. Met de afgebroken knuppel is vervolgens (meerdere malen) geslagen tegen de hoofden van de slachtoffers. Zij hebben hier beiden ernstig letsel door opgelopen, onder andere gaten en breuken in het hoofd en in het gezicht. Slachtoffer [slachtoffer 2] moest zelfs aan zijn verwondingen in zijn gezicht worden geopereerd. Daarvan ondervindt hij tot op heden nog steeds last en hinder. Nadat het geweld tot een einde was gekomen, zijn de verdachten ervandoor gegaan, met medeneming van de bromfiets.”1