Home

Parket bij de Hoge Raad, 11-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:247, 24/04137

Parket bij de Hoge Raad, 11-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:247, 24/04137

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11 februari 2025
Datum publicatie
20 februari 2025
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:247
Formele relaties
Zaaknummer
24/04137

Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Personen- en familierecht. Verzoek tot aanvulling registers burgerlijke stand met ontbrekende geboorte- en overlijdensakte van vroeggeboren kind. Is ambtenaar van de burgerlijke stand belanghebbende in de zin van het begrip ‘belanghebbenden’ als bedoeld in art. 1:24 lid 1 BW?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer CW/2023/392

Parket 11 februari 2025

VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET

P. Vlas

In de zaak

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Meierijstad

Door de rechtbank zijn als belanghebbenden aangemerkt:

1. [moeder]

wonende te [woonplaats],

hierna: de moeder

2. [vader]

wonende te [woonplaats],

hierna: de vader

1 Inleiding

Voor cassatie in het belang der wet wordt voorgedragen de onherroepelijk geworden beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 september 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:6143.1 De vordering stelt de vraag aan de orde of onder het begrip ‘belanghebbenden’ in de zin van art. 1:24 lid 1 BW ook moet worden verstaan de ambtenaar van de burgerlijke stand (hierna: abs).

2 Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten en het volgende procesverloop worden uitgegaan, die zijn ontleend aan de bestreden beschikking.2

2.2

De abs van de gemeente Meierijstad heeft bij verzoekschrift gericht aan de rechtbank Oost-Brabant, ingekomen ter griffie op 3 juni 2019, op de voet van art. 1:24 BW verzocht tot aanvulling van het register van geboorte met een ontbrekende geboorteakte en tot aanvulling van het register van overlijden met een ontbrekende overlijdensakte van een kind in de lopende registers van de gemeente Meierijstad.

2.3

De zaak is behandeld ter zitting van 4 september 2019, waarna de rechtbank bij beschikking van 13 september 2019 het verzoek van de abs heeft toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

2.4

De abs heeft gesteld dat op [geboortedatum] in de toenmalige gemeente [...] een kind is geboren van het mannelijk geslacht. De ouders hebben het kind de voornamen [...] gegeven. Het kind is met 20 weken geboren. Het kind is levend ter wereld gekomen, doch na enkele uren overleden. Er is nimmer een geboorte- en overlijdensakte van levenloze geboorte van dit kind opgemaakt. Het huwelijk van de ouders was al gepland toen het kind kort voor de huwelijksdatum [...] werd geboren. De ouders hebben aangegeven dat het de bedoeling van partijen was dat de vader vanaf de geboorte van het kind de juridische vader van het kind zou zijn en hij zijn achternaam zou hebben. De vroeggeboorte en het kort daarna overlijden van het kind voor het huwelijk van de ouders heeft tot gevolg dat de vader niet als juridisch vader in de geboorte- en overlijdensakte wordt aangemerkt en ook niet de geslachtsnaam van de vader krijgt. Omdat het kind zo kort voor de huwelijksdatum van de ouders is overleden hebben de ouders de grote wens dat de vader direct in de geboorteakte wordt opgenomen en dat het kind de geslachtsnaam [...] krijgt, net als hun andere kinderen. De aanleiding voor het verzoek om het kind alsnog te registeren met een geboorte- en overlijdensakte, is de wetswijziging met ingang van 1 juli 2017 en de mogelijkheid sinds 3 februari 2019 om het kind hierna te registreren in de BRP (rov. 3.1).

2.5

De abs heeft aangegeven dat destijds een geboorte- en overlijdensakte had moeten worden opgemaakt. De vader had het kind dan voor of na de geboorte nog kunnen erkennen en hem zijn geslachtsnaam kunnen geven. Formeel heeft de abs die mogelijkheid nu niet. De abs pleit echter in deze situatie af te wijken van de wet en toch nog akten op te maken. Het opmaken van die akten heeft geen rechtsgevolgen in de maatschappij. Het is puur een emotionele zaak voor de ouders (rov. 3.2).

2.6

De ouders hebben aangegeven dat het altijd hun bedoeling was dat de vader vanaf de geboorte van het kind de juridische vader zou zijn en dat hij zijn achternaam zou dragen, evenals hun andere kinderen. De ouders achten het opmaken van de akten van groot belang voor hun gezin. Ze hebben drie kinderen en geen twee (rov. 3.3).

2.7

Over de ontvankelijkheid van de abs heeft de rechtbank het volgende overwogen:

‘3.4. Op grond van artikel 24, eerste lid, BW kan de rechtbank op verzoek van belanghebbenden of het openbaar ministerie de aanvulling van een register van de burgerlijke stand gelasten met een daarin ontbrekende akte. Ingevolge artikel 1:24b, eerste lid, BW geschiedt de aanvulling van een register van de burgerlijke stand door het opmaken van een nieuwe akte in dat register.

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat de ambtenaar van de burgerlijke stand, gelet op diens taakomschrijving in artikel 1:16a juncto artikel 1:20 BW, als belanghebbende in de zin van artikel 1:24 BW moet worden beschouwd. De ambtenaar van de burgerlijke stand is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.’

2.8

Na inhoudelijke beoordeling van het verzoek heeft de rechtbank de verzoeken van de abs toegewezen en de aanvulling van het register van geboorte en van het register van overlijden gelast.

2.9

Tegen de beschikking van de rechtbank is geen gewoon rechtsmiddel aangewend.

3 Het cassatiemiddel

3.1

De Commissie cassatie in het belang der wet (hierna: de Commissie) heeft op 1 februari 2024 aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad de aanbeveling gedaan tot het instellen van cassatieberoep in het belang der wet tegen de genoemde beschikking.3 De Commissie is tot deze aanbeveling gekomen naar aanleiding van een aan de Commissie gedaan verzoek van de ‘Expertgroep adoptie en overige Boek 1-zaken’ (hierna: de Expertgroep).

3.2

De Procureur-Generaal heeft de aanbeveling van de Commissie overgenomen tot het instellen van een vordering tot cassatie in het belang der wet. Tegen de genoemde beschikking wordt daarom het volgende cassatiemiddel aangevoerd:

Schending van het recht, in het bijzonder van art. 1:24 lid 1 BW, doordat de rechtbank in de bestreden beschikking is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door de abs aan te merken als belanghebbende in de zin van art. 1:24 lid 1 BW.

3.3

De vraag die thans aan uw Raad wordt voorgelegd, wordt in rechtspraak en literatuur niet eenduidig beantwoord. Naar het oordeel van de Commissie is het in het belang van de rechtseenheid dat de Hoge Raad zich over deze rechtsvraag uitlaat, ook omdat niet snel valt te verwachten dat deze vraag de Hoge Raad op reguliere wijze zal bereiken, want in dit soort zaken wordt niet dan wel nauwelijks hoger beroep ingesteld.

3.4

In het navolgende licht ik het middel toe.

4 Toelichting van het cassatiemiddel

5 Vordering