Parket bij de Hoge Raad, 11-03-2025, ECLI:NL:PHR:2025:267, 24/01513
Parket bij de Hoge Raad, 11-03-2025, ECLI:NL:PHR:2025:267, 24/01513
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 11 maart 2025
- Datum publicatie
- 11 maart 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:267
- Zaaknummer
- 24/01513
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Vordering tot cassatie in het belang der wet over de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij eindvonnis. In de vordering wordt nader ingegaan op het wettelijk kader, de noodzakelijke belangenafweging, hoorplicht en motiveringsplicht voor deze beslissing. Het enkele opleggen van een vrijheidsbenemende sanctie wordt onvoldoende geacht voor opheffing van de schorsing.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01513 CW
Zitting 11 maart 2025
Vordering tot cassatie in het belang der wet
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,
hierna: de verdachte.
Inleiding
In deze vordering tot cassatie in het belang der wet staat de vraag centraal onder welke voorwaarden bij eindvonnis of -arrest, tegelijk met de oplegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een schorsing van de voorlopige hechtenis kan worden opgeheven.
In de praktijk komt een dergelijke opheffing regelmatig voor. Aan de verdachte wordt dan na de veroordeling onmiddellijk de vrijheid ontnomen en hij of zij heeft niet de gelegenheid de aanvang van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf of maatregel dan wel de afdoening van zijn hoger beroep of beroep in cassatie, in vrijheid af te wachten. Hierbij is het grondrecht van de persoonlijke vrijheid in het geding. Dit stelt eisen aan de wettelijke grondslag, de vorm en de inhoud van deze beslissingen. Op het eerste gezicht kan het bovendien verwondering wekken om een schorsing op te heffen die eerder passend werd geacht terwijl de verdachte zich steeds aan de voorwaarden heeft gehouden die aan deze schorsing waren verbonden. Ook lijkt spanning te bestaan tussen de vrijheidsbeneming die gepaard gaat met de veroordeling en het niet-onherroepelijke karakter van het vonnis.
De praktijk laat ook zien dat niet alle feitenrechters (kenbaar) hetzelfde beoordelingskader hanteren bij hun beslissing tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Er zijn voorbeelden van rechters die in hun eindvonnis of -arrest een uitgebreide belangenafweging maken, al dan niet tegen de achtergrond van de toegestane beperkingen op het grondrecht van de persoonlijke vrijheid.1 Er zijn echter ook beslissingen die de veroordeling, de ernst van de feiten en de opgelegde sanctie al voldoende vinden voor opheffing van de schorsing.2 Tot slot zijn er rechters die van geen enkel kader blijk geven.3
Opheldering van het van toepassing zijnde beoordelingskader dient dan ook de rechtseenheid. Ook de rechtsvorming is daarmee gebaat. Het belang dat op het spel staat, te weten het grondrecht van de persoonlijke vrijheid, vergt immers dat geen onduidelijkheid bestaat over het toe te passen recht.4 In reguliere cassatiezaken heeft de Hoge Raad zich hier nog niet over uitgelaten. Overigens zou bij de bespreking van een cassatiemiddel over dit onderwerp ook niet altijd een belang bestaan. Het is vaste rechtspraak dat een dergelijk belang ontbreekt als er voor het overige geen slagende cassatiemiddelen zijn. Op grond van artikel 6:2:2, aanhef en onder a, Sv zal de door het hof opgelegde gevangenisstraf namelijk ingaan op de dag van de uitspraak van de Hoge Raad, terwijl dan de tijd die na de opheffing van de schorsing in voorlopige hechtenis is doorgebracht op die straf in mindering wordt gebracht.5
Voor de beantwoording van de onder 1.1 weergegeven vraag zal ik een korte beschrijving geven van de huidige en voorgestelde wettelijke regeling van de (schorsing van de) voorlopige hechtenis (2.1-2.12), waarna het grondrechtelijk kader van de voorlopige hechtenis uiteen wordt gezet (2.13). Vervolgens geef ik een beschrijving van de zaak waarop de vordering zich richt (3.1-3.8). Daarna zal ik achtereenvolgens ingaan op de vragen wanneer de rechter tot schorsing van de voorlopige hechtenis dient over te gaan (4.1-4.6), wanneer die schorsing weer kan worden opgeheven (4.7-4.27) en in hoeverre de rechter verplicht is dit oordeel te motiveren (4.28-4.31). Nadat ik deze vragen heb beantwoord, zal ik het oordeel van de rechtbank aan die bevindingen toetsen (5.1-5.4) en een cassatiemiddel formuleren (6.1-6.2).
Het huidige en het voorgestelde recht
De huidige wettelijke regeling
Zoals bekend, kan een verdachte alleen in voorlopige hechtenis worden genomen als er ernstige bezwaren zijn gebleken tegen de verdachte (art. 67 lid 3 Sv6), deze verdenking betrekking heeft op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (art. 67 lid 1 en 2 Sv) en een grond bestaat voor voorlopige hechtenis (art. 67a lid 1 en 2 Sv). Kort gezegd zijn die gronden een vlucht- of recidivegevaar, de geschokte rechtsorde of het onderzoeksbelang. Ten slotte moet een inschatting worden gemaakt van de straf of maatregel die bij een eventuele veroordeling zal worden opgelegd. Wordt geen vrijheidsbenemende sanctie verwacht of een sanctie die korter zal duren dan de voorlopige hechtenis, dan moet de voorlopige hechtenis achterwege blijven of worden beëindigd (art. 67a lid 3 Sv).
Het voorgaande geldt zowel voor de voorlopige hechtenis gedurende het vooronderzoek, de berechting in eerste aanleg als in hoger beroep. In de appelfase kan het hof7 daarnaast nog aan de voorlopige hechtenis ten grondslag leggen dat de rechtbank een vrijheidsbenemende straf of maatregel heeft opgelegd van langere duur dan de tijd die de verdachte inmiddels in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (art. 75 lid 1, derde volzin, Sv).
De schorsing van de voorlopige hechtenis is uiteraard alleen mogelijk als een bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven. Die schorsing kan hetzij meteen ingaan na de aanvang van de voorlopige hechtenis8, hetzij later. Aan de schorsing zijn voorwaarden verbonden en een vereiste voor de schorsing is dat de verdachte zich bereid verklaart die voorwaarden na te leven (art. 80 lid 1 en 2 Sv). Deze voorwaarden kunnen door de rechter ambtshalve, op verzoek van de verdachte of op vordering van het openbaar ministerie worden gewijzigd (art. 81 lid 1 Sv).
De schorsing kan door de rechter ook weer worden opgeheven. Dit kan ‘te allen tijde’ en daarmee ook als de verdachte alle voorwaarden heeft nageleefd. Voor de opheffing is evenmin een vordering van het openbaar ministerie vereist. De rechter kan daar ook ambtshave toe overgaan (art. 82 lid 1 Sv). Voorafgaand aan de beslissing tot opheffing hoort de rechter, zo mogelijk, de verdachte (art. 82 lid 2 Sv). Wordt een geschorst bevel tot voorlopige hechtenis bij het eindvonnis of -arrest ongemoeid gelaten, dan blijft dit bevel van kracht totdat het oordeel van de rechter onherroepelijk wordt.9
Ik citeer voor de volledigheid een deel van de hiervoor genoemde artikelen die in het verdere betoog een grote rol spelen:
“Artikel 75
1. Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel verlenging daarvan gegeven door de rechter in hoogste feitelijke aanleg. De artikelen 65, tweede lid, 66, tweede lid, en 67 tot en met 69, zijn op deze bevelen van overeenkomstige toepassing. Een op artikel 67 gegrond bevel kan ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging.
(...)
Artikel 80
1. De rechter kan - ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte - bevelen dat de voorlopige hechtenis zal worden geschorst, zodra de verdachte al of niet onder zekerheidstelling zich, in de vorm door de rechter te bepalen, bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden. De vordering onderscheidenlijk het verzoek zijn met redenen omkleed.
(...)
Artikel 82
1. De rechter kan ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie te allen tijde de opheffing der schorsing bevelen.
2. Alvorens daartoe over te gaan, hoort de rechter zoo mogelijk den verdachte en kan hij te dien einde, zoo noodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten.”
De voorgestelde wettelijke regeling
Voor de in deze zaak te beantwoorden rechtsvraag, kan het nuttig zijn een blik te werpen op het voorstel voor een nieuw Wetboek van Strafvordering (hierna: NSv) op het punt van de voorlopige hechtenis.
De regering heeft het stelsel van de voorlopige hechtenis niet fundamenteel willen herzien.10 Hoewel er kritiek bestaat op de wijze waarop de voorlopige hechtenis in Nederland wordt toegepast, is dit volgens haar niet te wijten aan de wettelijke regeling, maar aan de toepassing daarvan. Wel ziet de regering aanleiding om de toepassing van alternatieven voor voorlopige hechtenis beter in te bedden in zowel de wet als het beleid.11 Ik licht hier enkele verschillen uit tussen de huidige en de voorgestelde wet.
De grond voor de voorlopige hechtenis die is gelegen in de oplegging van een vrijheidsbenemende sanctie door de rechtbank of het hof, wordt in het wetsvoorstel gehandhaafd maar nieuw geformuleerd in art. 2.5.28 NSv. De voorgestelde tekst suggereert dat deze grond dan ook door de rechter in eerste aanleg ten grondslag kan worden gelegd aan een bevel gevangenneming. Het voorgestelde artikel luidt:
“Een bevel tot voorlopige hechtenis kan ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het eindvonnis of in het eindarrest een vrijheidsbenemende maatregel is of wordt opgelegd of een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd overtreft.” (cursivering toegevoegd; MvW)
Ten opzichte van art. 75 lid 1 Sv is het woord ‘wordt’ toegevoegd en dat kan alleen betrekking hebben op de rechter die, ook in eerste aanleg, de sanctie oplegt. Desalniettemin stelt de memorie van toelichting dat geen inhoudelijke wijziging van art. 75 lid 1, derde volzin, is beoogd.12
Voor wat betreft de opheffing van de schorsing, is nieuw dat de woorden ‘te allen tijde’ in de opvolger van art. 82 lid 1 Sv komen te vervallen en dat dit nieuwe art. 2.5.34 lid 2 NSv met zoveel woorden bepaalt dat de opheffing van de schorsing ook kan worden bevolen als de verdachte de voorwaarden naleeft.13
Art. 2.1.3, aanhef en onder a, NSv bepaalt dat een bevoegdheid in het kader van het opsporingsonderzoek, waartoe ook behoren de bevoegdheden tot vrijheidsbeneming (hoofdstuk 5 van boek 2), alleen wordt uitgeoefend indien het daarmee beoogde doel niet op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Aldus wordt het subsidiariteitsbeginsel gecodificeerd, dat in het NSv de hoedanigheid van een algemeen regulerend beginsel krijgt in het kader van de uitoefening van bevoegdheden in het opsporingsonderzoek. Het subsidiariteitsbeginsel moet daarom ook in acht genomen worden bij de beslissingen over de voorlopige hechtenis.
Dit beginsel krijgt een eigen uitwerking voor de voorlopige hechtenis in art. 2.5.31 NSv, dat de rechter verplicht om na te gaan of de tenuitvoerlegging van de door hem bevolen voorlopige hechtenis, hetzij onmiddellijk, hetzij na een bepaald tijdsverloop, kan worden geschorst. De rechter wordt derhalve verplicht om alternatieven voor voorlopige hechtenis te overwegen.14 Met (onder andere) deze wijziging wordt een kwalitatief hoogwaardige afweging van en motivering door de rechter beoogd.15
De systematiek van het wetsvoorstel wijst erop dat deze plicht ook geldt als de grond voor de voorlopige hechtenis is gelegen in de oplegging van een vrijheidsbenemende sanctie door de rechtbank of het hof. Art. 2.5.31 NSv is immers geplaatst in dezelfde afdeling “5.4.2 Toepassingsvoorwaarden” als het hiervoor aangehaalde art. 2.5.28 NSv.
Het grondrechtelijk kader
Het grondrechtelijk kader van de voorlopige hechtenis wordt gevormd door art. 15 Gw naast art. 5 EVRM, dat een limitatieve opsomming geeft van de gevallen waarin vrijheidsbeneming is toegestaan. De voor de voorlopige hechtenis relevante onderdelen van dit artikel, waar ik later nog op terugkom, luiden als volgt:
“1. Everyone has the right to liberty and security of person. No one shall be deprived of his liberty save in the following cases and in accordance with a procedure prescribed by law:
(a)the lawful detention of a person after conviction by a competent court;
(...)
(c) the lawful arrest or detention of a person effected for the purpose of bringing him before the competent legal authority on reasonable suspicion of having committed an offence or when it is reasonably considered necessary to prevent his committing an offence or fleeing after having done so;
(...)
3. Everyone arrested or detained in accordance with the provisions of paragraph 1 (c) of this Article shall be brought promptly before a judge or other officer authorised by law to exercise judicial power and shall be entitled to trial within a reasonable time or to release pending trial. Release may be conditioned by guarantees to appear for trial.”