Parket bij de Hoge Raad, 28-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:279, 24/01372
Parket bij de Hoge Raad, 28-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:279, 24/01372
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 28 februari 2025
- Datum publicatie
- 6 maart 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:279
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:978
- Zaaknummer
- 24/01372
Inhoudsindicatie
Ondernemingsrecht. Algemene vergadering. Afwijking van voorziene tijdstip. Besluit tot statutenwijziging. Wijsmuller-norm. Afbakening van art. 2:14 en 2:15 BW.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01372
Zitting 28 februari 2025
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
1 [eiser 1] (hierna: [eiser 1] )
2. [eiser 2] (hierna: [eiser 2])
3. [eiser 3] (hierna: [eiser 3])
(hierna gezamenlijk, in mannelijk enkelvoud: [eiser])
tegen
1 [Stichting] (hierna: Stichting)
2. [Neef] (hierna: Neef)
(hierna gezamenlijk, in vrouwelijk enkelvoud: Stichting c.s.)
Inleiding
Wijlen [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) heeft zijn aandelen in [Beheermaatschappij] B.V. (hierna: Beheermaatschappij) gelegateerd aan Neef (eveneens [Neef] ). Stichting is de erfgenaam van [betrokkene 1] . Volgens de broers van [betrokkene 1] , eisers tot cassatie (dus [eiser] ), moeten de aandelen naar de geldende statuten van Beheermaatschappij aan hen worden aangeboden voor zij door Stichting aan Neef kunnen worden overgedragen. De discussie spitst zich toe op de geldigheid van een statutenwijziging die de desbetreffende aanbiedingsregeling buiten toepassing verklaart. Stichting c.s. is ook in hoger beroep in het gelijk gesteld. Daartegen komt [eiser] in cassatie op, m.i. tevergeefs.
1 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten. Deze zijn, met enige verkortingen en herschikkingen, ontleend aan rov. 3.1-3.11 van het bestreden arrest (hierna: het arrest).1
Steenfabriek De Rijswaard B.V. (hierna: de steenfabriek), opgericht in 1900, is op enig moment in handen gekomen van [betrokkene 1] (1902-1982). De aandelen in de steenfabriek zijn nadien (indirect) in handen gekomen van vier van zijn zoons, [eiser] en [betrokkene 1] .

De aandelen in de steenfabriek zijn in 2008 gecertificeerd. De constructie - die ik heb trachten te schetsen in het hiervoor weergegeven structuurdiagram2- houdt in dat de aandelen in de steenfabriek worden gehouden door [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] B.V. (hierna: [BB]). De aandelen in [BB] worden gehouden door Stichting Administratiekantoor ‘De Rijswaard’ (hierna: STAK). STAK heeft certificaten uitgegeven die worden gehouden door de beheermaatschappijen van de vier broers (in bovenstaand diagram aangeduid als ‘BM’), waaronder dus Beheermaatschappij (die van [betrokkene 1] ). Op enig moment vóór 2018 is de beheermaatschappij van [eiser 1] gesplitst, waarna er ook een beheermaatschappij voor zijn zoon [Neef] (oftewel Neef) is gekomen. Neef is zijn vader opgevolgd als CEO van de steenfabriek en is ook één van de bestuurders van STAK.
De beheermaatschappijen van de vier broers waren zo vormgegeven dat elke broer de gewone aandelen in de eigen beheermaatschappij hield (in geval van [betrokkene 1] en Beheermaatschappij: 499 aandelen) plus zeven preferente aandelen. De andere broers hadden ook steeds ieder één preferent aandeel in die beheermaatschappij. Ik heb dit weergegeven in het diagram hiervoor, voor zover relevant.
De statuten van de beheermaatschappijen waren zo vormgegeven dat de aandelen daarin niet overgedragen mochten worden aan derden (met een uitzondering voor eigen kinderen van de desbetreffende broer) zonder deze eerst aan te bieden aan de overige aandeelhouders (dus steeds aan de andere broers).
Tussen [eiser 1] en Neef zijn ernstige spanningen ontstaan. [eiser 1] heeft Neef onterfd.
[betrokkene 1] is op 20 november 2020 overleden. [betrokkene 1] - die geen kinderen had - had in zijn testament van 12 februari 2019 bepaald dat de aandelen in Beheermaatschappij (hierna ook: de aandelen) bij wege van legaat, tegen inbreng, naar Neef gaan. Hij heeft Stichting, die op 3 december 2020 werd opgericht, tot zijn erfgenaam benoemd en [de notaris] (hierna: [de notaris]) tot executeur testamentair.
[betrokkene 1] had op 23 december 2017 [eiser] opgeroepen voor een aandeelhoudersvergadering van Beheermaatschappij, te houden op 10 januari 2018. De agenda vermeldde:
“Voorstel te besluiten tot gedeeltelijke wijziging van de statuten van [Beheermaatschappij] B.V., inhoudende dat aan artikel 12 lid 6 wordt toegevoegd: sub c. indien ten gevolge van het overlijden geen andere personen dan een of meer bloedverwanten in de rechte neerdalende lijn van wijlen [betrokkene 1] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] negentienhonderd twee, overleden op zeventien november negentienhonderd tweeëntachtig, rechten op de aandelen kunnen doen gelden.”3
Op de oproeping, in het arrest ook geduid als “uitnodiging”, was een sticker geplakt met de tekst: (“je hoeft niet te komen. (En wordt later in de notulen vermeld.) [betrokkene 1] ”).4
Op 20 februari 2018 heeft [de notaris] een akte tot wijziging van de statuten van Beheermaatschappij (hierna: de statuten) gepasseerd (hierna: de statutenwijziging). In de akte staat dat de algemene vergadering van aandeelhouders op 14 januari 2018 heeft besloten art. 12 lid 6 van de statuten te wijzigen overeenkomstig het ontwerp van [de notaris] . De statuten luidden na deze wijziging onder meer als volgt:
“Bijzondere aanbiedingsplicht
Artikel 12
1. a. Ingeval van overlijden van een aandeelhouder, zomede ingeval hij het vrije beheer over zijn vermogen verliest, alsook ingeval van ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap dan wel goederengemeenschap krachtens geregistreerd partnerschap van een aandeelhouder, moeten zijn aandelen worden aangeboden met inachtneming van het in de navolgende leden bepaalde.
b. Eenzelfde verplichting tot aanbieding bestaat indien het stemrecht op aandelen niet meer toekomt aan de vruchtgebruiker en het vruchtgebruik is gevestigd op grond van artikel 4:19 of 4:21 Burgerlijk Wetboek, dan wel bij het einde van een dergelijk vruchtgebruik.
2. Ingeval een verplichting tot tekoopaanbieding bestaat, is het bepaalde in artikel 11 [genaamd “Blokkeringsregeling (aanbieding)”, A-G] van overeenkomstige toepassing (...)
(...)
6. De verplichting ingevolge lid 1 geldt niet:
a. (...)
b. (...)
c. indien ten gevolge van overlijden geen andere personen dan één of meer bloedverwanten in de rechte neerdalende lijn van wijlen [betrokkene 1] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] ( [geboortedatum] -1902), overleden op zeventien november negentienhonderdtweeëntachtig (17-11-1982), rechten op aandelen kunnen doen gelden”.
2. Procesverloop5
In eerste aanleg
Bij dagvaarding van 15 mei 2021 (hierna: de dagvaarding) heeft [eiser] bij de rechtbank Overijssel (hierna: de rechtbank) een procedure aanhangig gemaakt tegen Stichting (en [de notaris] ).6 [eiser] heeft, samengevat, gevorderd - voor zover de taak van en het beheer door [de notaris] als executeur testamentair is beëindigd - Stichting te veroordelen tot aanbieding van de aandelen aan [eiser] overeenkomstig art. 11 lid 1 van de statuten en, voor zover vereist, medewerking aan de overdracht van de aandelen, op straffe van een dwangsom.
Op 18 augustus 2021 heeft [eiser] een akte ingediend.
Op 29 september 2021 heeft Stichting een conclusie van antwoord genomen.
Die dag heeft Neef een incidentele conclusie tot voeging genomen, waarna [eiser] daarop bij akte van 13 oktober 2021 heeft geantwoord. Bij vonnis in incident van 24 november 2021 heeft de rechtbank Neef toegestaan zich aan de zijde van Stichting te voegen.
Op 22 december 2021 heeft Neef een conclusie van antwoord genomen, waarin hij, kort gezegd, de stellingen en weren van Stichting tot de zijne heeft gemaakt.
Op 26 april 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten aan de hand van spreekaantekeningen/pleitnotities. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v EA).
Bij vonnis van 15 juni 2022 (hierna: het vonnis)7 heeft de rechtbank, kort gezegd, de vorderingen van [eiser] afgewezen.
In hoger beroep
Bij appeldagvaarding van 15 september 2022 is [eiser] in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). Alleen Stichting c.s. is in hoger beroep betrokken ( [de notaris] niet).
Op 31 januari 2023 heeft [eiser] een memorie van grieven genomen (hierna: de MvG).
Op 14 maart 2023 heeft Stichting c.s. een memorie van antwoord genomen (hierna: de MvA).
Op 31 november 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten aan de hand van spreekaantekeningen/pleitnotities. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v HB).
Bij het arrest heeft het hof, kort gezegd, het vonnis bekrachtigd. Daaraan heeft het hof, samengevat en voor zover nog van belang in cassatie,8 het volgende ten grondslag gelegd in rov. 4.8-4.13 onder het opschrift “De geldigheid van de statutenwijziging”.9
a. Het hof constateert in rov. 4.8 dat de aandelen zonder de statutenwijziging niet aan Neef hadden mogen worden geleverd zonder deze eerst aan [eiser] aan te bieden.
b. In rov. 4.9-4.11 gaat het hof in op wat het aanmerkt als het “eerste geschilpunt”, te weten de datum van de algemene vergadering waar de statutenwijziging aan de orde is geweest. In de notariële akte van 20 februari 2018 staat dat die algemene vergadering op 14 januari 2018 heeft plaatsgevonden. De dwingende bewijskracht van de notariële akte strekt zich niet uit tot de datum van de algemene vergadering. Onder aan de notulen lijkt als datum 14 januari 2018 te zijn ingevuld, maar daaruit volgt niet dat daar staat dat de vergadering op 14 januari 2018 is gehouden. Gelet op de oproep voor de vergadering van 23 december 2017 gaat het hof ervan uit dat de vergadering wel degelijk op 10 januari 2018 kán zijn gehouden en dat [betrokkene 1] de notulen enige dagen later heeft uitgewerkt.
c. In rov. 4.12 gaat het hof in op het “volgende, daarmee samenhangende, geschilpunt”, te weten “of de voor 10 januari 2018 uitgeschreven aandeelhoudersvergadering daadwerkelijk op die datum heeft plaatsgevonden”. Het hof oordeelt bevestigend. De motivering daarvoor komt nader aan bod bij de bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep van [eiser]
d. Het hof beantwoordt vervolgens, in rov. 4.13, de vraag “of het besluit” tot statutenwijziging “nietig is, aannemende dat [betrokkene 1] te vroeg met de vergadering is begonnen”. Het antwoord luidt ontkennend. Daarbij is het hof het eens met de rechtbank dat er totstandkomingsgebreken aan het besluit kleven, maar dat dit niet tot nietigheid van het besluit leidt, hoogstens tot vernietigbaarheid ervan (art. 2:15 BW). De vernietigingsvordering is volgens het onbestreden oordeel van de rechtbank, dat het hof ook juist acht, “verjaard” (lees: vervallen).10
In cassatie
Bij procesinleiding van 9 april 2024 heeft [eiser] (tijdig) cassatieberoep ingesteld.
Stichting c.s. heeft een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
[eiser] heeft een verweerschrift ingediend in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.
Partijen hebben hun standpunten doen toelichten. Ik zal deze schriftelijke toelichtingen hierna aanhalen als ST [eiser] respectievelijk ST Stichting c.s.
[eiser] heeft gerepliceerd, Stichting c.s. gedupliceerd.