Home

Parket bij de Hoge Raad, 25-04-2025, ECLI:NL:PHR:2025:499, 24/02623

Parket bij de Hoge Raad, 25-04-2025, ECLI:NL:PHR:2025:499, 24/02623

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 april 2025
Datum publicatie
1 mei 2025
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:499
Zaaknummer
24/02623

Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Wijziging partneralimentatie met terugwerkende kracht (art. 1:401 BW). Berekening draagkracht. Geen wettelijke indexering van rechtswege met terugwerkende kracht (art. 1:402a BW). Passeren pleitnota?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02623

Zitting 25 april 2025

CONCLUSIE

L.M. Coenraad

In de zaak

[de vrouw] ,hierna: de vrouw,advocaat: mr. K. Aantjes

tegen

[de man] ,hierna: de man,advocaat: mr. C.G.A. van Stratum.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

In deze procedure heeft zowel de man als de vrouw in feitelijke instanties om wijziging van de partneralimentatie met terugwerkende kracht verzocht. In cassatie gaat het alleen nog om het wijzigingsverzoek van de man, dat verlaging en uiteindelijk nihilstelling van de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie inhoudt. De rechtbank heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken. Het hof heeft, met vernietiging van de beschikking van de rechtbank op dit punt, de door de man te betalen partneralimentatie met terugwerkende kracht verlaagd met ingang 7 september 2022, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling aan de man van de vanaf die datum teveel ontvangen alimentatie.

1.2

De vrouw heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. In cassatie staat de wijziging van de partneralimentatie als zodanig niet ter discussie.

1.3

In het principale en in het incidentele cassatieberoep wordt vanuit diverse invalshoeken geklaagd over de berekening van de draagkracht van de man. Zowel het principale als het incidentele middel bevat een slagende motiveringsklacht over die berekening en daarmee slagende voortbouwklachten.

1.4

In het principale cassatieberoep ligt verder de vraag voor vanaf wanneer de door het hof gewijzigde partneralimentatie voor het eerst geïndexeerd wordt. De klachten van de vrouw gaan uit van de jaarlijkse indexering van rechtswege op grond van artikel 1:402a BW ook tijdens de al verstreken periode vanaf de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie. Dit uitgangspunt berust mijns inziens op een onjuiste rechtsopvatting. Van wettelijke indexering van rechtswege met terugwerkende kracht kan geen sprake zijn. De desbetreffende klachten van de vrouw falen.

1.5

De klacht van de vrouw in het principale cassatieberoep dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan haar pleitnota, door deze ter zitting te weigeren, faalt.

2. Feiten1

2.1

De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest van 9 juli 2005 tot 8 oktober 2013.

2.2

Zij zijn de ouders van twee minderjarige kinderen.2

2.3

De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De man en de vrouw oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.

2.4

Bij beschikking van 24 september 2013 van de rechtbank Den Haag3 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan van 10 september 2013 deel uitmaken van de beschikking. In het convenant is – voor zover in cassatie van belang – het volgende opgenomen:

Artikel 2 – Partneralimentatie

Behoefte vrouw

2.1

De vrouw heeft ten tijde van het ondertekenen van het convenant een behoefte van circa € 3.685,- netto per maand. Rekening houdend met haar inkomsten uit arbeid, alsmede met de fiscale heffingskortingen waarvoor zij in aanmerking komt en de kinderbijslag die zij ontvangt, kan zij met een bedrag van circa € 2.040,- netto per maand in de kosten van haar levensonderhoud voorzien. Aldus resteert een aanvullende behoefte van € 1.615,- netto per maand. Dit komt overeen met een bedrag van € 3.200,- bruto per maand.

Partneralimentatie

2.2

Met ingang van 1 augustus 2013 zal de man met een bedrag van € 3.200 bruto per maand bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De man zal de voornoemde bijdrage uiterlijk de eerste van de maand aan de vrouw voldoen.

Draagkracht man

2.3

Bij de vaststelling van de partneralimentatie is berekend dat de man voldoende draagkracht heeft om een bijdrage van € 3.200,- bruto per maand aan de vrouw te voldoen. Partijen zijn hierbij uitgegaan van een inkomen van € 182.000,- bruto per jaar en zijn vaste lasten, waaronder:

- de huur van zijn woning te [plaats] van € 1.100,- per maand;

- een aftrekbare hypotheekrente van € 1.037,- per maand;

- een niet-aftrekbare hypotheekrente van € 35,- per maand;

- een premie levensverzekering van € 159,- per maand;

- overige eigenaarslasten van € 200,- per maand;

- een premie ziektekostenverzekering van € 107,- per maand;

- een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 556,- per maand.

Indexering

2.4

De verschuldigde partneralimentatie zal jaarlijks per 1 januari, voor het eerst per 1 januari 2014, worden geïndexeerd met het wettelijk vastgestelde indexeringspercentage.

Duur alimentatie

2.5

Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieverplichting van de man volgens de huidige wettelijke bepalingen in beginsel (maximaal) 12 jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk. De vrouw heeft volgens de wet de mogelijkheid tot uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de (alimentatie)termijn een verzoekschrift tot verlenging bij de rechtbank in te dienen.

Indien na het verstrijken van de (alimentatie)termijn de alimentatiebetaling voortduurt, gaat genoemde vervaltermijn van drie maanden pas in op de datum waarop de laatste alimentatiebetaling heeft plaatsgevonden. Verlenging is alleen mogelijk als de beëindiging van de alimentatie voor de vrouw dermate ingrijpende gevolgen heeft dat de beëindiging in strijd moet worden geacht met de redelijkheid en billijkheid.

Beperkt niet-wijzigingsbeding

2.6

De in artikel 2.2 overeengekomen partneralimentatie kan op basis van de wet worden aangepast indien er sprake is van een wijziging van omstandigheden.

Partijen beperken deze mogelijkheid in die zin dat de partneralimentatie ongewijzigd in stand blijft indien:

a) de inkomsten van de vrouw toenemen;

b) de inkomsten van de man dalen met een bedrag van minder dan € 18.200,- bruto per jaar.

Dit niet wijzigingsbeding heeft een duur van vijf jaar. Na verloop van deze termijn herleeft de wettelijke regeling, tenzij partijen anders overeenkomen.”

2.5

De man is op 12 juni 2017 gehuwd met [betrokkene 1] . Zij hebben samen twee minderjarige kinderen.

2.6

De partneralimentatie bedraagt geïndexeerd per 2024 € 4.117,02 per maand.

3 Procesverloop

3.1

In cassatie staat nog slechts de partneralimentatie ter discussie. De overige onderdelen van de procedure in eerste en tweede aanleg blijven in deze conclusie daarom buiten bespreking.

3.2

De man heeft op 7 september 2022 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank). De man heeft de rechtbank – kernachtig weergegeven – verzocht de door hem te betalen partneralimentatie met terugwerkende kracht te verlagen per 1 januari 2019, en op nihil te stellen per 1 januari 2022, en de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de per 1 januari 2019 tot aan de datum van de beschikking teveel ontvangen alimentatie, te vermeerderen met wettelijke rente ingaande op 1 januari 2019.

3.3

De vrouw heeft verweer gevoerd en de rechtbank verzocht de verzoeken van de man af te wijzen en zelfstandige verzoeken gedaan.4

3.4

De man heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw.

3.5

De mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 12 april 2023. Daarbij zijn door beide partijen pleitnotities overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

3.6

De rechtbank heeft de man en de vrouw bij beschikking van 26 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard in hun beider verzoeken.5 De rechtbank heeft de man veroordeeld in de forfaitaire proceskosten.

3.7

Bij beroepschrift, binnengekomen bij het hof Den Haag op 22 augustus 2023, heeft de man hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. De man heeft het hof – kernachtig weergegeven – verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door hem te betalen partneralimentatie met terugwerkende kracht te verlagen per 1 januari 2019 en per 1 januari 2022 op nihil te stellen, de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de per 1 januari 2019 tot aan de datum van de beschikking teveel ontvangen alimentatie, te vermeerderen met wettelijke rente ingaande op 1 januari 2019, en de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door de man aan haar betaalde vergoeding van € 4.074,- ter zake van de kostenveroordeling, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.8

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft het hof verzocht het hoger beroep van de man ongegrond te verklaren en de verzoeken van de man op alle onderdelen af te wijzen, en de man te veroordelen in de daadwerkelijk gemaakte kosten van de vrouw in beide instanties, subsidiair in de forfaitaire kosten in beide instanties. Daarnaast heeft de vrouw voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.6

3.9

De mondelinge behandeling in appel heeft plaatsgevonden op 25 januari 2024. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.7

3.10

Bij beschikking van 10 april 20248 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof – voor zover in cassatie relevant – de beschikking van de rechtbank vernietigd wat betreft de partneralimentatie. Het hof heeft de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie – met dienovereenkomstige wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 24 september 2013 en het aan die beschikking gehechte convenant van 10 september 2013 – met ingang van 7 september 2022 op € 1.246,- (bruto) per maand bepaald, met veroordeling van de vrouw de door haar teveel ontvangen partneralimentatie vanaf 7 september 2022 terug te betalen aan de man.

3.11

De man heeft het hof bij verzoekschrift, op de griffie ingekomen op 16 april 2024, verzocht om een herstelbeschikking.

3.12

De vrouw heeft zich tegen dit herstelverzoek verweerd, en daarnaast zelfstandig verzocht om een herstelbeschikking.

3.13

Bij beschikking van 19 juni 20249 heeft het hof de verzoeken tot verbetering/aanvulling van de man en de vrouw afgewezen.

3.14

Bij procesinleiding, binnengekomen bij de griffie op 10 juli 2024, heeft de vrouw – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 10 april 2024. Daarin heeft de vrouw een voorbehoud opgenomen dat ertoe strekt dat zij het middel eventueel nog zal aanvullen na ontvangst van het (definitieve) proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 januari 2024, waarover de vrouw op het moment van indienen van de procesinleiding nog niet beschikte.

3.15

De man heeft verweer gevoerd tegen het principale cassatieberoep. Daarbij heeft hij, deels voorwaardelijk, incidenteel cassatieberoep ingesteld.

3.16

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het voorwaardelijke en onvoorwaardelijke incidentele cassatieberoep.

3.17

Op 11 juli 2024 heeft de vrouw het hof verzocht het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op diverse punten te wijzigen.10 De man heeft bij brief van 25 juli 2024 gereageerd op het verzoek van de vrouw, en daarbij zelf ook verzocht om aanpassing van het proces-verbaal. Op de verzoeken tot aanpassing van de man heeft de vrouw weer gereageerd bij brief van 26 juli 2024.

3.18

Het is op basis van de door partijen in cassatie ingebrachte stukken niet duidelijk of en zo ja, in welke zin het hof op de verzoeken van partijen tot aanpassing van het proces-verbaal heeft beslist.

3.19

De vrouw heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar cassatiemiddel aan te vullen.

4 Bespreking van het principale cassatiemiddel

4.1

Het principale cassatiemiddel bestaat uit de onderdelen I tot en met IV. Onderdeel IV bevat een voortbouwklacht.

Onderdeel I: aandeel van de man in de kosten van zijn jongste kinderen

4.2

Onderdeel I richt zich tegen r.o. 5.18, waarin het hof overweegt als volgt:

“5.18 De man stelt de kosten van de twee kinderen met zijn huidige echtgenote op € 2.800,- per maand. De vrouw houdt in haar berekening rekening met € 1.450,- per maand. De man heeft tegenover de betwisting door de vrouw de redelijkheid van de door hem gestelde kosten onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de kosten van deze twee kinderen houdt het hof daarom rekening met een totaal bedrag aan zijn zijde van € 1.450,- per maand. Het hof acht het redelijk dat de overige door de man gestelde kosten, voor zover die al noodzakelijk en onderbouwd zijn, worden gedragen door zijn huidige echtgenote die basisarts is en naar het oordeel van het hof mede bezien de informatie die het hof tijdens de mondelinge behandeling heeft gekregen minstens een inkomen kan verwerven van € 70.000,- per jaar.”

4.3

De vrouw klaagt in cassatie dat deze rechtsoverweging onbegrijpelijk is. De in de berekening van de vrouw11 genoemde som van € 1.450,- per maand heeft volgens de vrouw immers betrekking op het eigen aandeel van de man in de kosten van de vier kinderen van de man en niet slechts op zijn aandeel in de kosten van de twee kinderen die de man met zijn huidige echtgenote heeft. Het eigen aandeel van de man in de kosten van de minderjarige kinderen uit zijn tweede huwelijk komt in de berekening van de vrouw uit op twee maal € 464,-, dus € 928,-. Volgens de vrouw betekent een en ander dat de partneralimentatie daarmee uitkomt op € 2.116,- per maand in plaats van de door het hof bepaalde € 1.246,- per maand. Zij meent dat de Hoge Raad dit geschilpunt zelf kan afdoen.

4.4

Alvorens de klacht te bespreken, merk ik voor de volledigheid op dat de vrouw het hof al had verzocht om de bestreden beschikking op dit punt te herstellen door te rekenen met € 928,- in plaats van € 1.450,- per maand als het aandeel van de man in de kosten van zijn twee kinderen met zijn huidige echtgenote voor het berekenen van de draagkracht van de man in het kader van de partneralimentatie. Dit verzoek tot verbetering is door het hof afgewezen in zijn beschikking van 19 juni 2024:12

Ten aanzien van de kosten van de twee jongste kinderen van de man

1.11

Ten aanzien van de kosten van de kinderen van de man geboren uit de relatie met zijn huidige echtgenote, is naar het oordeel van het hof geen sprake van een kennelijke rekenfout, mede gezien het gevoerde debat tussen partijen, waardoor het verzoek van de vrouw het bepaalde in artikel 31 te buiten gaat. Het hof zal deze door de vrouw verzochte verbetering dan ook afwijzen.”

4.5

De klacht van de vrouw in cassatie slaagt.

4.6

De vrouw klaagt terecht dat het oordeel van het hof, waarin het tot uitgangspunt neemt dat de vrouw in haar berekening rekening houdt met een bedrag van € 1.450,- per maand als het aandeel van de man in de kosten van zijn twee kinderen met zijn huidige echtgenote, onbegrijpelijk is. Uit de berekening van de vrouw13 blijkt immers, zoals door de vrouw in het middel aangevoerd, dat dit bedrag van € 1.450,- ziet op alle vier de kinderen van de man. Anders dan de man in zijn verweerschrift in cassatie (onder 2.2) aanvoert, kan het oordeel van het hof mijns inziens niet anders gelezen worden dan dat het hof beoogt aan te sluiten bij het standpunt van de vrouw, overwegende dat de man tegenover de betwisting van de vrouw de door hem gestelde kosten onvoldoende heeft onderbouwd. Het is daarom onnavolgbaar hoe het hof tot dit bedrag van € 1.450,- als het aandeel van de man in de kosten van zijn twee kinderen met zijn huidige echtgenote is gekomen. Anders dan de man in zijn verweerschrift in cassatie (onder 2.2) lijkt te betogen, geeft het partijdebat ook geen aanleiding voor de conclusie dat de vrouw uitgaat van een eigen aandeel van de man van € 1.450,- in alleen de kosten van deze twee jongste kinderen van de man. De beslissing van het hof dat het “daarom” uitgaat van een bedrag van € 1.450,- als het totaalbedrag voor het eigen aandeel van de man in de kosten van de twee kinderen uit zijn tweede huwelijk kan daarmee niet in stand blijven.

4.7

De vrouw meent dat de Hoge Raad dit geschilpunt zelf kan afdoen, door de berekening van het hof op de door de vrouw voorgestane wijze aan te passen. Naar mijn oordeel kan van het zelf afdoen door de Hoge Raad geen sprake zijn. Krachtens artikel 1:404 lid 1 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Het is na verwijzing aan de feitenrechter voorbehouden te beoordelen wat het aandeel van de man en dat van zijn huidige echtgenote is in de kosten van de jongste kinderen van de man.

Onderdeel II: indexering

4.8

Onderdeel II richt klachten tegen r.o. 5.24 en het dictum, waarin het hof het per 7 september 2022 gewijzigde door de man aan de vrouw te betalen bedrag aan partneralimentatie heeft vastgesteld:

“5.24 Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarin het verzoek van de man strekkende tot wijziging van de partneralimentatie is afgewezen en zal met dienovereenkomstige wijziging van de echtscheidingsbeschikking en het aangehechte convenant, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 7 september 2022 bepalen op € 1.246,- per maand, aan welke bijdrage zij behoefte heeft.

(...)

6 De beslissing

5 Bespreking van het incidentele cassatiemiddel

6 Conclusie