Parket bij de Hoge Raad, 09-05-2025, ECLI:NL:PHR:2025:514, 24/01250
Parket bij de Hoge Raad, 09-05-2025, ECLI:NL:PHR:2025:514, 24/01250
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 9 mei 2025
- Datum publicatie
- 15 mei 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:514
- Zaaknummer
- 24/01250
Inhoudsindicatie
Zakelijke kredietverlening aan melkveehouders. Bijzondere zorgplicht van de bank. Waarschuwingsplicht ten aanzien van mogelijkheid van wijziging van de regelgeving in verband met het zogenaamde fosfaatplafond?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01250
Zitting 9 mei 2025
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
Coöperatieve Rabobank U.A.
tegen
1. [het melkveebedrijf]
2. [de vader]
3. [de moeder]
4. [de zoon]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Rabobank respectievelijk [verweerders]
1 Inleiding en samenvatting
Deze zaak betreft de bijzondere zorgplicht van Rabobank bij het aangaan medio 2014 van een zakelijke kredietovereenkomst met de maten van een melkveebedrijf (hierna: de melkveehouders). Het krediet diende voor de bouw van een nieuwe stal en de aankoop van grond. De veronderstelling daarbij was dat na de afschaffing van het melkquotum per 1 april 2015 ruimte bestond om te groeien. Op 1 januari 2018 heeft de wetgever voor de melkveesector een fosfaatrechtenstelsel ingevoerd met als peildatum 2 juli 2015. Op de peildatum was de nieuwe stal nog niet gereed en de uitbreiding van het melkveebedrijf dus nog niet gerealiseerd.
Bij tussenarrest van 31 oktober 2023 heeft het hof geoordeeld dat voor Rabobank kenbaar was dat de melkveehouders geen rekening hielden met de mogelijkheid van wettelijke productiebeperkende maatregelen en dat de bijzondere zorgplicht van de bank meebracht dat zij de melkveehouders daarvoor waarschuwde, om op die manier hen te beschermen tegen een mogelijk gebrek aan inzicht. Het hof heeft voorshands aannemelijk geacht dat Rabobank tegen de mogelijkheid van wettelijke productiebeperkende maatregelen niet heeft gewaarschuwd en heeft de bank toegelaten tot tegenbewijs. Het hof heeft tussentijds cassatieberoep tegen het arrest van 31 oktober 2023 toegestaan.
Het cassatiemiddel in het principaal beroep van Rabobank bevat rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof over de bijzondere zorgplicht de bank, alsook tegen een beslissing in een eerder tussenarrest van het hof op een exhibitievordering ex art. 843a Rv (oud).1 Mijns inziens slagen enkele motiveringsklachten met betrekking tot de zorgplicht van de bank.
Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de melkveehouders ziet op de exhibitievordering. De klachten in dat beroep slagen mijns inziens geen van alle en kunnen met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan.
2 Feiten en procesverloop
Het hof geeft in zijn tussenarrest van 31 oktober 20232 onder 2.2 aan dat het uitgaat van de feiten zoals de rechtbank deze heeft vastgesteld onder 2.1 en 2.2 van het vonnis van 24 maart 2021,3 maar stelt vervolgens onder 2.3-.2.13 ook zelf feiten vast en wel meer uitvoerig. Van beide kan en moet aldus in cassatie worden uitgegaan. Ik vermeld hierna onder i en ii de door de rechtbank vastgestelde feiten (waarmee het hof zich dus verenigt) en vervolgens onder iii-xiii de door het hof aanvullend vastgestelde feiten, met inbegrip van de door het hof gebruikte kopjes.
(i) [de vader, de moeder en de zoon] exploiteren samen, via hun maatschap, een melkveebedrijf in [plaats] . Vanaf 2012 was [de vader] bezig met zijn plan om de stal te vernieuwen en de benodigde vergunningen daarvoor aan te vragen. Niet alleen was de oude melkveestal aan vervanging toe, maar ook bood de aankomende afschaffing van het melkquotum mogelijkheden tot uitbreiding. In 2014 hebben [de vader en de moeder] – op basis van een door de zoon opgesteld bedrijfsplan – een financieringsovereenkomst gesloten met Rabobank voor een bedrag van € 1.175.000. Dit bedrag was bedoeld voor het bouwen van een nieuwe ligboxenstal die plaats zou moeten bieden aan 199 melkkoeien, de aankoop van een mestscheider en de aankoop van grond. Het aantal van 199 melkkoeien was een verdubbeling ten opzichte van de capaciteit van de oude stal. De nieuwe stal is uiteindelijk in december 2015 gerealiseerd.
(ii) Op 1 april 2015 is het melkquotum afgeschaft. Op 1 januari 2018 heeft de wetgever een fosfaatrechtenstelsel ingevoerd voor de melkveesector. [de vader] heeft op 5 januari 2018 voor 5.768 kg aan fosfaatrechten gekregen. Deze hoeveelheid was berekend op basis van de hoeveelheid melkkoeien (111) en jongvee (114) die [de vader] op de peildatum 2 juli 2015 had. [de vader] heeft tegen de toekenning van de fosfaatrechten bezwaar aangetekend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De RVO heeft dat bezwaar afgewezen bij besluit van 27 augustus 2019. [de vader] is hiervan in beroep gegaan bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
De kredietovereenkomst (2014)
(iii) De maatschap [het melkveebedrijf] exploiteert sinds 1997 een melkveebedrijf in [plaats] . Deze maatschap is een voortzetting van de onderneming van de ouders van [de vader] . [de vader en de moeder] zijn vanaf het begin maten van de maatschap, [de zoon] (hierna: [de zoon] ) is in 2017 toegetreden.
(iv) [verweerders] (dat wil zeggen: tot 2017 [de vader en de moeder] ) hadden in 2014 een stal met een maximale capaciteit van 110 melkkoeien en 141 stuks jongvee in aparte stallen. [verweerders] hebben in de loop van 2014 een bouw- en milieuvergunning verkregen voor uitbreiding van hun veestapel naar 199 melkkoeien, 39 fokstieren en overig rundvee ouder dan twee jaar en 141 stuks vrouwelijk jongvee. [verweerders] hebben Rabobank verzocht om financiering daarvan. [verweerders] hadden toen al een bancaire relatie met Rabobank.
(v) Rabobank heeft bij brieven van 7 augustus 2014, gericht tot [de vader en de moeder] , een financieringsvoorstel gedaan, bestaande uit € 875.000 voor de bouw van de nieuwe stal en € 300.000 voor de aankoop van grond. Zij hebben dit voorstel op 23 oktober 2014 geaccepteerd.4 Deze overeenkomst wordt hierna aangeduid als de kredietovereenkomst.
Aanloop naar en invoering van het fosfaatrechtenstelsel (2014-2015)
(vi) In de periode rond het aangaan van de kredietovereenkomst (2014) gold in Nederland een systeem van koemelkquotering. Dit stelsel beperkte de melkproductie en daarmee ook de mestproductie door melkvee. Beperking van de mestproductie was van belang in het kader van de Europese Nitraatrichtlijn, die tot doel heeft om waterverontreiniging die wordt veroorzaakt door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen en om verdere verontreiniging te voorkomen. Voor de melkveesector ging het met name om de beperking van de hoeveelheid fosfaat uit mest die maximaal op de bodem zou mogen worden gebracht. Nederland had van de Europese Commissie – in afwijking van de Nitraatrichtlijn, bij wijze van ‘derogatie’ – toestemming gekregen om fosfaat uit te stoten tot een maximum van 172,9 miljoen kg per jaar. Voor de melkveehouderij betekende dit dat de jaarlijkse fosfaatproductie niet boven 84,9 miljoen kg mocht uitkomen. Het systeem van melkquotering liep op grond van de Europese besluitvorming op 1 april 2015 af.
(vii) De toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris) schreef in een kamerbrief van 12 december 2013 dat het kabinet de groei van individuele melkveehouderijen wilde (blijven) toestaan, op voorwaarde dat voldoende grond onder de betrokken bedrijven lag om de extra fosfaatproductie te kunnen plaatsen. De staatssecretaris voegde daaraan toe dat wanneer uit de monitoring van de mestmarkt zou blijken dat de totale fosfaatproductie in Nederland in enig jaar het plafond van 2002 overschrijdt, nadere productiebeperkende maatregelen aan de orde zouden zijn.
(viii) De staatssecretaris diende op 30 juni 2014 een wetsvoorstel verantwoorde groei melkveehouderij in, waarin werd voorgesteld om groei van de melkveehouderij te stimuleren en om de fosfaatproductie na afschaffing van het melkquotum te sturen met het in de brief van 12 december 2013 aangekondigde stelsel van grondgebondenheid en mestverwerking. Dit wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer en is op 1 januari 2015 in werking getreden.
(ix) De staatssecretaris informeerde de Tweede Kamer bij brief van 3 oktober 2014 over een onderzoek van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) en concludeerde op basis van dit onderzoek dat het stelsel verantwoorde groeimelkveehouderij het juiste instrument is om economische ontwikkeling in de melkveehouderij mogelijk te maken en tegelijkertijd te borgen dat de groei binnen de milieurandvoorwaarden kan plaatsvinden. De staatssecretaris voegde daaraan toe:
‘Mocht echter uit monitor gegevens blijken dat door de groei van de melkveehouderij het nationale fosfaatproductieplafond wordt overschreden waardoor Nederland niet langer voldoet aan de derogatie-voorwaarden zijn, zoals ik in de eerder genoemde brief aan uw Kamer heb gemeld, productiebegrenzende maatregelen aan de orde.’
(x) De staatssecretaris schreef in een kamerbrief van 1 juni 2015 dat de overschrijding van het sectorplafond voor de melkveehouderij aanleiding moest zijn om in te grijpen in de fosfaatproductie op een nader te bepalen wijze. De staatssecretaris kondigde in een kamerbrief van 2 juli 2015 een stelsel van fosfaatrechten aan dat zou teruggrijpen op referentiejaar 2014 met als peildatum 2 juli 2015.
(xi) Op 1 januari 2018 is het fosfaatrechtenstelsel ingevoerd. In het kader van dit stelsel stelt de minister van Landbouw, Natuur en Voedsel de fosfaatrechten van een bedrijf vast. De toe te kennen fosfaatrechten staan gelijk aan de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het betrokken bedrijf werd gehouden en geregistreerd stond.
Bouwstal/fosfaatrechten [verweerders] (2015)
(xii) [verweerders] hebben in december 2015 de bouw van de stal voltooid. Op de peildatum voor de aan hen toe te kennen fosfaatrechten – 2 juli 2015 – hadden [verweerders] 111 melkkoeien en 114 stuks jongvee; op die datum was de uitbreiding van de stal nog niet voltooid en was deze nog niet in gebruik genomen.
(xiii) De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna RVO) heeft bij beschikking van 5 januari 2018 het aantal fosfaatrechten voor [verweerders] vastgesteld op 5.768 kg fosfaat. De toegekende fosfaatrechten waren onvoldoende om de door [verweerders] beoogde uitbreiding naar 199 melkkoeien en 141 stuks jongvee te realiseren. RVO heeft bij besluit van 27 augustus 2019 het bezwaar van [verweerders] tegen deze beschikking afgewezen, omdat geen sprake is van een individuele disproportionele last. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft het beroep hiertegen van [verweerders] afgewezen.
Bij inleidende dagvaarding van 24 december 2019 hebben [verweerders] veroordeling tot betaling van een bij staat te bepalen bedrag gevorderd als vergoeding voor door dwaling door hen geleden nadeel dan wel schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht, alsook een voorschot van € 253.623,00 (excl. btw), met nevenvorderingen. Bij vonnis van 24 maart 20215 heeft de rechtbank alle vorderingen afgewezen.
[verweerders] zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven hebben [verweerders] afgezien van de voorschotvordering hun in eerste aanleg instelde eis gehandhaafd en bovendien incidenteel gevorderd dat Rabobank wordt bevolen om ex art. 22 Rv alle stukken uit het kredietdossier in het geding te brengen dan wel subsidiair ex art. 843a Rv wordt gelast aan [verweerders] kopieën te verstrekken van het kredietdossier dat zij in haar bezit heeft, waaronder de gespreksverslagen, de interne notities en de overige stukken die zien op de beoordeling van de financieringsaanvraag en het bedrijfsplan vanaf 2014 tot heden.6
Bij arrest van 29 maart 20227 heeft het hof Rabobank veroordeeld tot afgifte van informatie waaruit volgt op basis van welke criteria de financiering in 2014 is beoordeeld en goedgekeurd en de documenten en berekeningen die daarop betrekking hebben en bepaald dat de afgifte van deze bescheiden beperkt wordt tot [verweerders] en hun advocaat in deze zaak en niet verstrekt dient te worden aan derden (waaronder [deskundige] valt). Verder heeft het hof in de hoofdzaak de zaak verwezen voor memorie van antwoord en verder iedere beslissing aangehouden. De dragende overwegingen van dit arrest, voor zover in cassatie relevant, laten zich als volgt samenvatten:
a. In de kern stellen [verweerders] (i) dat Rabobank niet heeft voldaan aan haar zorgplicht om een verantwoorde financiering te verstrekken en dat er sprake is geweest van overfinanciering en (ii) dat Rabobank vóór het aangaan van de financieringsovereenkomst in 2014 had moeten waarschuwen voor de mogelijke invoering van het fosfaatrechtenstelsel en de gevolgen die dat zou hebben voor de rentabiliteit van de financiering. (onder 2.2)
Incidentele vordering tot afgifte stukken
b. [verweerders] hebben hun vordering primair gegrond op art. 22 Rv en subsidiair op art. 843a Rv. Door Rabobank is gemotiveerd verweer gevoerd. Gelet op dat verweer zal het hof geen toepassing geven aan art. 22 Rv, maar beoordelen of is voldaan aan de cumulatieve vereisten van art. 843a Rv. (onder 2.5)
c. Op grond van het eerste lid van art. 843a Rv moet de eiser (i) een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en (ii) moet hij inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Ook indien aan deze vereisten is voldaan, kan de vordering worden afgewezen wegens gewichtige redenen of omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd, zo volgt uit het vierde lid. (onder 2.6)
rechtmatig belang
d. [verweerders] stellen in de hoofdzaak onder meer dat Rabobank niet heeft voldaan aan haar zorgplicht om een verantwoorde financiering te verstrekken, waarbij ook bij tegenvallers voldoende ruimte is om rente en aflossing te voldoen en dat zij haar eigen financieringsnormen niet juist heeft toegepast. Er zou sprake zijn geweest van overfinanciering. Zij hebben in het kader van de incidentele vordering aan de hand van de bekende feiten en omstandigheden ook aannemelijk gemaakt dat er mogelijk een onderliggende vordering is. De bescheiden (kort gezegd: de kredietbeoordeling 2014) zijn van belang voor de beoordeling van de door [de vader] ingestelde vordering in de hoofdzaak in verband met de vermeende zorgplichtschending. [verweerders] hebben daarbij dan ook een direct en concreet belang. (onder 2.11)
rechtsbetrekking
e. Rabobank bestrijdt niet dat [verweerders] met haar een rechtsbetrekking heeft en dat deze rechtsbetrekking onderwerp is in het onderhavig geschil. De bescheiden waarop de vordering tot afgifte ziet, hebben ook betrekking op deze rechtsbetrekking. (onder 2.13)
gewichtige redenen
f. Dat er gewichtige redenen zijn om de gevraagde bescheiden niet af te geven, zoals Rabobank stelt, ziet het hof niet in. Rabobank heeft volstaan met het summiere standpunt dat de interne financieringsafwegingen concurrentiegevoelig zijn en dat externe kennis en wetenschap van het financieringsbeleid mededingingsbeperkend kan werken. Niet duidelijk is gemaakt welke concrete onderdelen van de kredietbeoordeling 2014 dan concurrentiegevoelig of mededingingsbeperkend zouden kunnen zijn. Daarnaast gaat het hier om bescheiden uit 2014. Het hof acht het niet aannemelijk dat de inhoud daarvan acht jaar later nog concurrentiegevoelig of mededingingsbeperkend is. Aan het bezwaar van Rabobank kan bovendien in vergaande mate tegemoet worden gekomen door te bepalen dat de afgifte van de bescheiden beperkt is tot appellanten en hun advocaat in deze zaak en niet verstrekt dient te worden aan derden (waaronder [deskundige] valt, de door [verweerders] ingeschakelde deskundige op het gebied van agrarisch recht). Het hof zal die beperking hierna opnemen. Het belang van Rabobank weegt dan ook onvoldoende op tegen het belang van [de vader] bij toewijzing van zijn vordering. (onder 2.14)
behoorlijke rechtsbedeling
g. Rabobank stelt tot slot nog dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder de gevorderde gegevens is gewaarborgd. Iedere onderbouwing van dat standpunt ontbreekt, zodat het hof daaraan verder voorbijgaat. (onder 2.15)
Vervolgens is tussen partijen discussie ontstaan over de wijze waarop de beperking door het hof dat de bescheiden niet aan derden worden verstrekt, moet worden uitgelegd. Bij tussenarrest van 14 februari 20238 heeft het hof het verbod tot verstrekking aan derden gedeeltelijk opgeheven, in die zin dat [verweerders] de bescheiden mogen verstrekken aan een door hen aan te wijzen partijdeskundige, zulks onder enkele door het hof gestelde voorwaarden.
Bij tussenarrest van 31 oktober 20239 heeft het hof Rabobank toegelaten tot het leveren van tegenbewijs van de voorshands aannemelijk geachte stelling dat Rabobank [verweerders] voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijke invoering van productiebeperkende maatregelen zoals een fosfaatrechtenstelsel en de daaruit voortvloeiende risico’s voor de bedrijfsvoering en financiële positie van [verweerders] De dragende overwegingen van het hof, voor zover in cassatie relevant, laten zich als volgt samenvatten:
a. Het hof zal Rabobank toelaten tot tegenbewijs van de stelling van [verweerders] dat Rabobank [verweerders] in het kader van het aangaan van de kredietovereenkomst niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijke invoering van productiebeperkende maatregelen zoals een fosfaatrechtenstelsel en de daaruit voortvloeiende risico ’s voor de bedrijfsvoering en financiële positie van [verweerders] (onder 4.2)
b. Het merendeel van de grieven van [verweerders] komt erop neer dat Rabobank bij het aangaan van de kredietovereenkomst behoorde te weten dan wel geacht moet worden te hebben geweten dat er een productiebeperkende maatregel op het gebied van fosfaat op de loer lag, en dat Rabobank had moeten onderzoeken of [verweerders] over die kennis beschikten. Door dit niet te doen, zelfs niet in algemene zin, heeft Rabobank [verweerders] onvoldoende ingelicht over de gevaren die aan de financiering kleefden, aldus [verweerders] beroepen zich primair op dwaling en subsidiair op een zorgplichtschending. In dat laatste kader hebben [verweerders] ook een beroep gedaan op artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden (die deel uitmaken van de kredietovereenkomst). Dat artikel komt er op neer dat de bank bij haar dienstverlening zorgvuldig is en daarbij zo goed mogelijk rekening houdt met de belangen van haar klant. (onder 4.3)
Beroep op schending zorgplicht
c. Op een bank als Rabobank rust uit hoofde van haar maatschappelijke functie en deskundigheid een (bijzondere) zorgplicht jegens haar klanten. De zorgplicht kan inhouden dat de bank onderzoek moet doen naar de financiële mogelijkheden, de deskundigheid en de doelstellingen van haar klant. Uit de (bijzondere) zorgplicht van de bank kan onder omstandigheden een waarschuwingsplicht voortvloeien. Deze waarschuwingsplicht strekt ertoe de klant te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. (onder 4.15)
d. In beginsel rust op [verweerders] op grond van art. 150 Rv de bewijslast van de feitelijke grondslag van de gestelde tekortkoming. (onder 4.16)
Onvoldoende onderbouwd over welke concrete informatie Rabobank beschikte inzake het fosfaatrechtenstelsel
e. De informatie vervat in de kamerbrieven van de staatssecretaris van 12 december 2013, 30 juni 2014 en 3 oktober 2014 waren openbaar. Zowel [verweerders] als Rabobank hebben daarvan kennis kunnen nemen. (onder 4.18)
f. [verweerders] hebben tegenover de betwisting door Rabobank onvoldoende onderbouwd over welke concrete informatie Rabobank toen beschikte, waarover zij zelf niet kon beschikken. (onder 4.20)
g. [verweerders] voeren daarnaast aan dat Rabobank geacht moet worden te hebben geweten dat er een productiebeperkende maatregel op het gebied van fosfaat op de loer lag, althans dat er emissiebeperkende maatregelen ten aanzien van de mestproductie zouden komen, omdat Rabobank als marktleider de sectorbrede ontwikkelingen op het gebied van de landelijke (mest- en fosfaat)productie in de gaten hield en daarvoor de capaciteiten had. Rabobank kon daarom geacht worden te weten dat de fosfaatplafonds zouden worden overschreden, aldus [verweerders] Rabobank betwist dat zij in 2014 meer inzicht had in de concrete dreiging van een landelijk fosfaatplafond dan dat publiekelijk bekend was en dan dat bij [verweerders] bekend was. Als uitgangspunt voor de beoordeling hiervan geldt dat voor Rabobank bezwaarlijk een gehoudenheid tot het verschaffen van inlichtingen aangenomen kan worden met betrekking tot omstandigheden waarvan zij niet op de hoogte is. Het enkele feit dat Rabobank marktleider was, is onvoldoende om aan te nemen dat zij geacht wordt te hebben beschikt over de door [verweerders] gestelde, maar door hen niet geconcretiseerde kennis over een destijds toekomstige fosfaatrechtenstelsel. (onder 4.22-4.23)
Had Rabobank [verweerders] moeten wijzen op risico’s?
h. [verweerders] mochten er mede gezien de (markt-)positie van Rabobank van uitgaan dat Rabobank zich, mede ten behoeve van haar klanten, op de hoogte hield van de relevante ontwikkelingen binnen de Food & Agri sector, waaronder de (mogelijke) ontwikkelingen op wetgevingsgebied. (onder 4.24)
h. Het was voor Rabobank kenbaar dat [verweerders] in 2014 bij het opstellen van het bedrijfsplan en het aanvragen van het krediet geen rekening hield met mogelijke wettelijke productiebeperkende maatregelen. [de vader] heeft in het bedrijfsplan van 27 juni 2014 opgenomen:
‘Doordat in 2015 het melkquotum afgeschaft wordt in Europa, bestaat er de mogelijkheid om verder door te groeien’; en
‘De hoeveelheid mest, die er op eigen grond afgezet mag worden in 2014, is zonder derogatie en in de jaren van 2015 tot 2020 met derogatie’. (onder 4.25)
i. Naar het oordeel van het hof hield onder de hiervoor omschreven omstandigheden de zorgplicht van Rabobank tegenover [verweerders] bij het aangaan van de kredietovereenkomst in dat Rabobank met [verweerders] afstemde of zij bij het aangaan van de kredietovereenkomst de mogelijk komende productiebeperkende maatregelen en de gevolgen daarvan voor hun bedrijfsvoering en financiering voldoende overzagen, om op die manier [verweerders] te beschermen tegen een mogelijk gebrek aan inzicht. (onder 4.26)
j. Het hof neemt daarbij mede in overweging dat Rabobank bij het aangaan van de kredietovereenkomst geen kenbaar onderscheid heeft gemaakt tussen het ondernemingsvermogen van de maatschap enerzijds en de privévermogens van [de vader, de moeder en de zoon] anderzijds. (onder 4.27)
Heeft Rabobank [verweerders] gewezen op deze risico’s?
k. Het hof acht het gezien deze omstandigheden voor de beoordeling van de vordering van [verweerders] noodzakelijk om vast te stellen of, en zo ja hoe, Rabobank [verweerders] voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst heeft gewezen op het risico dat na afschaffing van het melkquotum mogelijk andere productiebeperkende maatregelen zouden kunnen worden ingevoerd, en of – en zo ja hoe – Rabobank [verweerders] heeft aangegeven dat financiële buffers nodig waren om dit toekomstige risico op te vangen. (onder 4.28)
l. [verweerders] hebben in dit verband gesteld dat Rabobank hen tijdens het overleg over de kredietovereenkomst niet heeft gewezen op deze risico ’s. Rabobank betwist dat. Rabobank heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat haar beleid inzake de onzekerheid over toekomstige wetgeving in die periode er op neer kwam dat zij deze risico’s verwerkte in de reserveringscapaciteit en in de marge van de betrokken kredietofferte. Deze verklaring wijst erop dat Rabobank deze risico’s ten behoeve van haar eigen positie indekte, maar hieruit blijkt op zichzelf niet dat haar beleid ook inhield dat zij haar klanten beoogde te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht door klanten te waarschuwen voor dergelijke risico’s. (onder 4.29)
m. In het licht van het voorgaande acht het hof het voorshands aannemelijk dat Rabobank [verweerders] voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijke invoering van productiebeperkende maatregelen zoals een fosfaatrechtenstelsel en de daaruit voortvloeiende risico’s voor de bedrijfsvoering en financiële positie van [verweerders] (onder 4.30)
Bij brief van 23 november 2023 heeft Rabobank het hof verzocht om verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds cassatieberoep.
Bij tussenarrest van 2 januari 202410 heeft het hof bepaald dat van het tussenarrest van 31 oktober 2023 beroep in cassatie kan worden ingesteld voordat overgegaan wordt tot (tegen)bewijslevering en voordat eindarrest wordt gewezen.
Bij procesinleiding van 2 april 2024 heeft Rabobank tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerders] hebben verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Rabobank heeft verweer gevoerd in het incidenteel cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [verweerders] hebben gedupliceerd.
3 Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
Het cassatiemiddel in het principaal beroep bestaat uit een inleiding en drie onderdelen, onderverdeeld in meerdere subonderdelen. In de inleiding lees ik geen klachten.
Onderdeel 1 klaagt dat het hof, door te beslissen zoals het gedaan heeft in rechtsoverwegingen 4.23-4.27, 4.30 en in het dictum onder 5.1, het grievenstelsel heeft miskend, art. 24 Rv en het in art. 19 Rv en art. 6 EVRM verankerde recht op wederhoor heeft geschonden, althans een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven. Ik citeer de aangevallen overwegingen respectievelijk alinea van het dictum:
‘Had Rabobank [verweerders] moeten wijzen op risico’s?
[verweerders] hebben – kort samengevat – ook aangevoerd dat Rabobank hen voorafgaand aan het sluiten van de leningsovereenkomst had moeten wijzen op risico’s, waaronder de mogelijke introductie van productiebeperkende maatregelen. Rabobank had de risico’s vooraf in kaart moeten brengen, deze moeten vastleggen en bespreken met [verweerders] om te voorkomen dat er onverantwoorde financieringen zouden worden aangegaan, aldus [verweerders]
Het hof acht bij de beoordeling hiervan de volgende feiten en omstandigheden van belang. Rabobank heeft in deze procedure bevestigd dat zij marktleider is in de Food & Agri sector en dat zij van oudsher een bancaire relatie heeft met ongeveer 80% van de Nederlandse melkveehouders. Zij heeft ook bevestigd dat haar marktaandeel van het totaal uitstaande obligo in de gehele Nederlandse melkveesector per eind 2021 tussen 68% en 78% bedroeg. [verweerders] mochten er mede gezien deze (markt-)positie van Rabobank van uitgaan dat Rabobank zich, mede ten behoeve van haar klanten, op de hoogte hield van de relevante ontwikkelingen binnen de Food & Agri sector, waaronder de (mogelijke) ontwikkelingen op wetgevingsgebied.
Het was voor Rabobank kenbaar dat [verweerders] in 2014 bij het opstellen van het bedrijfsplan en het aanvragen van het krediet geen rekening hield met mogelijke wettelijke productiebeperkende maatregelen. [de vader] heeft in het bedrijfsplan van 27 juni 2014 opgenomen:
“Doordat in 2015 het melkquotum afgeschaft wordt in Europa, bestaat er de mogelijkheid om verder door de te groeien”; en
“De hoeveelheid mest, die er op eigen grond afgezet mag worden in 2014, is zonder derogatie en in de jaren van 2015 tot 2020 met derogatie”.
Naar het oordeel van het hof hield onder de hiervoor omschreven omstandigheden de zorgplicht van Rabobank tegenover [verweerders] bij het aangaan van de kredietovereenkomst in dat Rabobank met [verweerders] afstemde of zij bij het aangaan van de kredietovereenkomst de mogelijk komende productiebeperkende maatregelen en de gevolgen daarvan voor hun bedrijfsvoering en financiering voldoende overzagen, om op die manier [verweerders] te beschermen tegen een mogelijk gebrek aan inzicht.
Het hof neemt daarbij mede in overweging dat Rabobank bij het aangaan van de kredietovereenkomst geen kenbaar onderscheid heeft gemaakt tussen het ondernemingsvermogen van de maatschap enerzijds en de privévermogens van [de vader, de moeder en de zoon] anderzijds. Het financieringsvoorstel van 7 augustus 2014 is gericht tot [de vader en de moeder] en benoemt hen “zowel samen als ieder afzonderlijk” als debiteur en kredietnemer. Het financieringsvoorstel bevat onder andere de voorwaarden dat de geldlening wordt geadministreerd op naam van [de vader en de moeder] , dat alle verbintenissen tot betaling van een geldsom hoofdelijke verbintenissen zijn, dat iedere debiteur op eerste verzoek de door de bank gewenste zekerheden moet (laten) vestigen, dat deze zekerheden gelden voor al hetgeen de debiteuren en [de zoon] aan de bank verschuldigd zijn en dat iedere debiteur alle bankzaken via de bank regelt. [verweerders] verstrekten als zekerheid een eerste hypotheek op al het onroerend goed – waaronder, naar het hof begrijpt, de woning –, waarbij de bestaande hypotheken werd doorgehaald. De spaarpolis ad € 238.234, die was verbonden aan de privé-hypotheek en eindigde in mei 2018, was verpand aan de bank.
(...)
In het licht van het voorgaande acht het hof het voorshands aannemelijk dat Rabobank [verweerders] voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijke invoering van productiebeperkende maatregelen zoals een fosfaatrechtenstelsel en de daaruit voortvloeiende risico’s voor de bedrijfsvoering en financiële positie van [verweerders]