Parket bij de Hoge Raad, 23-05-2025, ECLI:NL:PHR:2025:588, 24/03463
Parket bij de Hoge Raad, 23-05-2025, ECLI:NL:PHR:2025:588, 24/03463
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 23 mei 2025
- Datum publicatie
- 30 mei 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:588
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1174
- Zaaknummer
- 24/03463
Inhoudsindicatie
Personenvennootschapsrecht. Procesrecht. Overgebleven maten veroordeeld tot betaling van uittredingsvergoeding aan uitgetreden maat. Vraag of onbetaald gebleven gedeelte van de toegewezen uittredingsvergoedingsvordering kan worden verhaald op het afgescheiden maatschapsvermogen. Art. 3:192 BW. Grenzen rechtsstrijd. Gezag van gewijsde. Verjaring.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03463
Zitting 23 mei 2025
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
1 de [maatschap 1] . (hierna: ‘ [maatschap 1] ’)
2. de [maatschap 2] (hierna: ‘ [maatschap 2] ’)( [maatschap 1] en [maatschap 2] gezamenlijk hierna: ‘de maatschappen’)
tegen
Mocomar B.V. (hierna: ‘Mocomar’)
Deze zaak heeft een lange aanloop. Mocomar is in 1999 uitgetreden uit de maatschappen. De maatschappen zijn voortgezet door de zes andere maten. Mocomar had recht op een uittredingsvergoeding. In 2004 heeft Mocomar de toenmalige maten (de 1999-maten) en de maatschappen in rechte betrokken. Mocomar heeft, kort gezegd, gevorderd dat zij worden veroordeeld tot betaling van de uittredingsvergoeding. De 1999-maten (met uitzondering van een maat die tijdens die procedure failliet is gegaan) zijn in die procedure onherroepelijk veroordeeld tot voldoening van een uittredingsvergoeding. De vordering tegen de maatschappen is in die procedure afgewezen.
Mocomar heeft de toegewezen bedragen niet volledig van de 1999-maten ontvangen. Zij wil het restant van haar vordering verhalen op het afgescheiden vermogen van de maatschappen en is in 2019 een nieuwe procedure begonnen. In deze procedure zijn de maten die ten tijde van het uitbrengen van de procesinleiding op 17 april 2019 maat van de maatschappen waren (de 2019-maten) in rechte betrokken. Alle 1999-maten waren inmiddels uitgetreden. Het hof heeft in deze procedure onder meer geoordeeld dat sprake is van een zaakschuld en dat Mocomar haar vordering, ook na wisselingen van de maten, op het afgescheiden vermogen van de maatschappen kan verhalen.
De maatschappen hebben cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep van de maatschappen heeft betrekking op de grenzen van de rechtsstrijd, gezag van gewijsde, verjaring en de kwalificatie van de verplichting tot betaling van de uittredingsvergoeding als zaakschuld.
1 Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1
De maatschapsovereenkomsten en uittreding van Mocomar
Op 20 mei 1999 zijn Mocomar en zes andere partijen (hierna ook: ‘de 1999-maten’) met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994 overeengekomen een maatschap uit te oefenen onder de naam [maatschap 1] . De 1999-maten zijn:
- 1. [maatschap 1] . B.V., vanaf 1 januari 1997 gewijzigd in Hassel Holding B.V. (hierna: ‘Hassel Holding’);
- 2. [A] B.V. (hierna: ‘ [A] ’);
- 3. Locotax B.V. (hierna: ‘Locotax’);
- 4. [B] B.V., vanaf 1 januari 1998 gewijzigd in Behouden Huis B.V. (hierna: ‘Behouden Huis’);
- 5. Esox Belastingadviesgroep B.V. (hierna: ‘Esox’); en
- 6. [betrokkene 1] (hierna: ‘ [betrokkene 1] ’).
In de maatschapsovereenkomst hebben Mocomar en de 1999-maten verklaard hun ondernemersactiviteit alsmede de inkomsten en uitgaven voortvloeiende uit die activiteit in gemeenschap te brengen met het oogmerk om het daarbij ontstane voordeel met elkaar te delen:2
“De ondergetekenden:
(...)
verklaren overeen te komen als volgt:
Partijen brengen in gemeenschap hun ondernemersactiviteit als openbaar accountant, als belastingadviseur, als management consultant (...) alsmede de inkomsten en uitgaven voortvloeiende uit hun ondernemersactiviteit, met het oogmerk om het daarbij ontstane voordeel met elkaar te delen, zulks op de navolgende voorwaarden:
(...)”.
In de maatschapsovereenkomst hebben Mocomar en de 1999-maten verder afgesproken dat alle leden van de maatschap elk voor een gelijk aandeel mede-eigenaar van alle zaken van de maatschap zijn:3
“3. PARTICIPATIE
(...)
Mede-eigendom
1. Alle leden van de maatschap zijn, elk voor een gelijk aandeel, mede-eigenaar van alle zaken der maatschap en zijn, elk voor een gelijk aandeel, aansprakelijk voor de schulden van de maatschap.
2. Indien een nieuw lid tot de maatschap toetreedt wordt hij, op voet van gelijkheid met de overige leden van de maatschap, mede-eigenaar van alle zaken der maatschap (behoudens goodwill van de maatschap, welke is voorbehouden aan de goodwillmaatschap “ [maatschap 2] ”) en wordt hij eveneens op voet van gelijkheid, mede-aansprakelijk voor alle schulden van de maatschap.”
In de maatschapsovereenkomst staat het volgende verblijvensbeding:4
“11. GEVOLGEN EINDE LIDMAATSCHAP
(...)
Verblijvensbeding
Indien het lidmaatschap van een lid der maatschap eindigt verblijft het aandeel van dat lid in de activa van de maatschap (naam en stille reserves daaronder begrepen) aan de overblijvende leden, onder de verplichting voor deze leden om de schulden der maatschap per de balansdatum voor hun rekening te nemen en het lid wiens lidmaatschap is geëindigd respectievelijk zijn rechtsopvolgers tegen aanspraken van derden terzake van zodanige schulden te vrijwaren, tegen schulderkenning aan het desbetreffende ex-lid respectievelijk zijn rechtsopvolgers van het bedrag bedoeld in artikel 11 van de clearingovereenkomst.
(...)”
Het in het vorige randnummer geciteerde verblijvensbeding is bij de wijziging van de maatschapsovereenkomst in 20035 niet veranderd.
In de maatschapsovereenkomst staat ook:6
“11.04 Levering
Eveneens op 20 mei 1999 zijn Mocomar en de 1999-maten met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994 overeengekomen een maatschap uit te oefenen onder de naam [maatschap 2] . In de goodwillmaatschapsovereenkomst staat onder meer:7
“ARTIKEL 2 LEDEN GOODWILLMAATSCHAP
Vereisten
1. Lid van de goodwillmaatschap kunnen slechts zijn de leden van de maatschap, wiens toetreding tot de goodwillmaatschap is geaccordeerd door de goodwillmaatschapsvergadering, mede met inachtneming van hetgeen is bepaald in de bijlagen.
2. Uittreding uit de maatschap houdt gelijktijdig beëindiging van het lidmaatschap van de goodwillmaatschap in.
(...)
ARTIKEL 13
1. Aan deze overeenkomst is de maatschapsovereenkomst, indien en voorzover in de onderhavige overeenkomst hiervan niet uitdrukkelijk is afgeweken, onlosmakelijk verbonden.
2. Het in de maatschapsovereenkomst bepaalde in artikel 11 leden 1 en 2 is in deze overeenkomst eveneens geldend.
(...)”
Een bepaling als bedoeld in randnummer 1.7 hiervoor ontbreekt in de goodwillmaatschapsovereenkomst.
Eveneens op 20 mei 1999 hebben dezelfde partijen de gevolgen geregeld van het samenvoegen van de winsten en verliezen van de maatschap waarvan zij lid zijn. Daartoe hebben zij een clearingovereenkomst gesloten met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994. In de clearingovereenkomst staat onder meer:8
“ARTIKEL 11
Bij uittreding van een maatschapslid komt aan hem toe een uittredingssom gelijk aan zijn kapitaaldeelname, het tegoed van zijn privé rekening en hetgeen hij verder van de maatschap te vorderen heeft, als vermeld in de maatschapsovereenkomst. Debetsaldi op één of meer rekeningen, die de financiële verhoudingen tot het lid bepalen, zullen gecompenseerd worden met creditsaldi van andere rekeningen.
(...)”
Op 29 juni 1999 is Mocomar (als eerste) uit de maatschappen getreden.
De 65333-procedure van Mocomar tegen (onder meer) de 1999-maten
Bij exploot van 31 maart 2004 heeft Mocomar de maatschappen en de 1999-maten gedagvaard voor de rechtbank Zutphen. Zij heeft gevorderd dat de rechtbank Zutphen hen veroordeelt vergoedingen aan haar te betalen wegens haar uittreden uit de maatschappen. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding voor deze procedure waren de 1999-maten de maten van de maatschappen. De procedure had bij de rechtbank Zutphen zaak- en rolnummer: 65333 / HA ZA 04-1096 en wordt hierna ook, met inbegrip van de procedure in hoger beroep, ‘de 65333-procedure’ genoemd.
Bij tussenvonnis van 5 juli 2006 in de 65333-procedure heeft de rechtbank Zutphen onder meer overwogen:9
“2. De feiten
(...)
Op 20 mei 1999 hebben Hassel Holding B.V., [A] B.V., Locotax B.V., Behouden Huis B.V., Esox Belastinggroep B.V. en [betrokkene 1] een drietal overeenkomsten met bijlagen ondertekend waarin de onderlinge verhouding tussen de aan de maatschap deelnemende vennootschappen en personen is vastgelegd. Het betreft de volgende overeenkomsten:
1. maatschapsovereenkomst [maatschap 1] Accountants, Belastingadviseurs en Management Consultants, hierna: de maatschapsovereenkomst,
2. maatschapschapsovereenkomst [maatschap 2] ( [maatschap 2] ), hierna: de goodwill overeenkomst en
3. een zogeheten clearingovereenkomst. De overeenkomsten vermelden als datum van inwerkingtreding 1 januari 1994.
(...)
7 De beoordeling
(...)
Vordering jegens wie?
(...)
De vordering tegen gedaagde sub. 1, de [maatschap 1] , moet worden afgewezen aangezien reeds niet gezegd kan worden dat deze gedaagde zich door het aangaan van de overeenkomsten in een rechtsverhouding heeft geplaatst ten opzichte van de leden van de maatschap. Zo min als de [maatschap 1] uit de maatschap kan treden en in dat geval recht heeft op een uittredingssom, zo kan ook niet gezegd worden dat de maatschap voor die uittredingssom aansprakelijk is jegens een uittredend lid zoals, in dit geval, Mocomar. Dat zelfde geldt voor gedaagde sub. 2, de goodwill- [maatschap 2] ( [maatschap 2] ). Niet valt in te zien, en uit niets is gebleken, dat deze maatschap zich jegens de overige leden van de maatschap contractueel heeft verbonden door het aangaan van de overeenkomsten. Ook jegens gedaagde sub. 2 dient de vordering derhalve te worden afgewezen.”
Bij tussenvonnis van 20 augustus 2008 in de 65333-procedure heeft de rechtbank Zutphen onder meer beslist:10
“in conventie
wijst de vorderingen van Mocomar voor zover zij zijn gericht tegen de [maatschap 1] , de [maatschap 2] ( [maatschap 2] ), Nimol Sleeuwijk B.V., Barracuda IJsselstein B.V. en [C] Holding B.V. af,
verstaat dat de procedure tegen Behouden Huis is geschorst
(...)
bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,
(...)”
De vordering van Mocomar tegenover de maatschappen is in het tussenvonnis van 20 augustus 2008 afgewezen op de grond dat zij zich niet door het aangaan van de overeenkomsten in een rechtsverhouding hebben geplaatst ten opzichte van de leden van de maatschap en derhalve ook niet ten opzichte van Mocomar.
Mocomar heeft in de 65333-procedure tussentijds hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroep lag onder meer de vraag voor of de rechtbank Zutphen de vorderingen op de maatschappen terecht had afgewezen. Het gerechtshof Arnhem heeft bij tussenarrest van 28 juni 2011 (zaaknummer: 200.020.516) onder meer overwogen (onderstreping en voetnoot toegevoegd door mij, A-G):11
“2. De nadere motivering van de beslissing in hoger beroep
(...)
Het hof ziet in de procesgang in de samenhangende zaken aanleiding om thans in de onderhavige zaak bij dit tussenarrest in te gaan op de vraag die Mocomar met haar ene appelgrief aan de orde heeft gesteld, te weten: of de rechtbank in het bestreden vonnis van 5 juli 2006, in conventie, terecht heeft geoordeeld dat de vorderingen van Mocomar tegen [maatschap 1] en [maatschap 2] ( [maatschap 2] ) moeten worden afgewezen, op de grond dat deze maatschappen zich niet door het aangaan van de – onder 2.2 van dat vonnis bedoelde – overeenkomsten in een rechtsverhouding hebben geplaatst ten opzichte van de leden van de maatschap, derhalve ook niet ten opzichte van Mocomar (...)
Een maatschap zoals hier aan de orde is een samenwerkingsverband tussen meerdere (rechts)personen op contractuele grondslag. Zij bezit naar huidig recht geen rechtspersoonlijkheid. In zijn arrest van 5 november 1976, NJ 1977, 586, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een uitvloeisel van het vorenstaande is dat de maatschap niet als zodanig eisende en verwerende in rechte kan optreden. Slechts de afzonderlijke maten kunnen procespartij zijn. Met het oog op de behoeften van de praktijk, bestaat echter wel de mogelijkheid dat, indien ten behoeve of ten laste van een maatschap – in wezen door of tegen de gezamenlijke vennoten – een vordering in rechte wordt gesteld, in die gevallen waarin die maatschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze aan het rechtsverkeer deelneemt en er dus sprake is van een openbare maatschap, in de dagvaarding die naam wordt vermeld in plaats van de namen der afzonderlijke vennoten. Na dagvaarding op deze wijze kan de wederpartij die wenst te weten wie in wezen eisende of verwerende als partijen onder de gevoerde naam optreden, verlangen dat namens de maatschap de namen en de woonplaatsen van de vennoten worden medegedeeld, aldus de Hoge Raad.
Van belang is voorts dat de inmiddels heersende opvatting, ook van de wetgever, is dat de maatschap een afgescheiden, zaaksgebonden vermogen heeft, waarop de zaaksgebonden crediteuren (derhalve niet de privé crediteuren van de vennoten) zich kunnen verhalen voor vorderingen die namens de maatschap zijn aangegaan. Deze aansprakelijkheid jegens derden – die in de voorgestelde wettelijke regeling van de personenvennootschappen in Titel 13 van Boek 7 BW uitdrukkelijk wordt vastgelegd en omlijnd in de artikelen 7:821 tot en met 824 NBW12 – geldt in beginsel steeds voor de maten die vennoot waren op het moment dat de schuld ontstond/ werd aangegaan. In de onderhavige zaak bestaat daarover tussen partijen ook geen verdeeldheid. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat uit de tussen de vennoten getroffen contractuele regelingen – zoals de maatschapovereenkomst en eventuele nadere toetredingsvoorwaarden – ook later toegetreden maten voor de reeds aanwezige maatschapschulden kunnen worden aangesproken, in die zin althans dat zij moeten dulden dat deze schulden op het zaaksgebonden vermogen van de maatschap worden verhaald. Of, zoals Mocomar bepleit, het aannemen van het afgescheiden vermogen meebrengt dat de openbare maatschap thans ook zelfstandig als procespartij kan optreden, is omstreden, zodat het hof vooralsnog zal aannemen dat het onder 2.4 genoemde arrest van de Hoge Raad geldend recht weergeeft.
Tussen partijen in de onderhavige zaak is in confesso dat [maatschap 1] en [maatschap 2] ( [maatschap 2] ) openbare maatschappen zijn, zodat ook het hof daarvan heeft uit te gaan. Dit betekent, gelet op het onder 2.4 overwogene, dat het Mocomar vrijstond de dagvaarding jegens beide maatschappen uit te brengen teneinde zeker te stellen dat hij alle huidige maten in rechte zou betrekken. Blijkens haar stellingname in deze (en de overige) procedure(s), is dit ook wat Mocomar, die stelt dat zij de actuele organisatiestructuur en samenstelling van de maatschap niet kent, (mede) heeft beoogd. Aan deze bevoegdheid doet niet af dat achter de beide maatschapnamen later – dat wil zeggen na 29 juni 1999 – toegetreden vennoten zouden kunnen schuilgaan, die mogelijk met vrucht kunnen betogen dat zij niet aansprakelijk zijn voor de ten tijde van hun toetreding reeds aanwezige maatschapschulden. Deze kwestie kan zo nodig aan de orde worden gesteld wanneer (naar aanleiding van de uit hoofde van de in de incidenten uitgesproken veroordelingen) duidelijkheid is ontstaan over de samenstelling van de huidige maatschap ten opzichte van de tot 29 juni 1999 bestaande, waarvan ook Mocomar deel heeft uitgemaakt.
De mogelijkheid om de maatschappen als aanduidingen van alle (huidige) vennoten te dagvaarden, brengt mee dat een eventuele veroordeling op de door Mocomar ingestelde vorderingen ook jegens deze entiteiten – [maatschap 1] en [maatschap 2] ( [maatschap 2] ) – danwel de huidige vennoten die onder die naam zijn verenigd, zou kunnen worden uitgesproken. Derhalve vormt de (op zichzelf juiste) overweging dat de maatschappen als zodanig geen overeenkomsten met Mocomar zijn aangegaan en zij derhalve niet de door Mocomar gevorderde (exit)vergoedingen verschuldigd kunnen zijn, geen toereikende grond om de vorderingen jegens [maatschap 1] en [maatschap 2] af te wijzen, zoals de rechtbank heeft gedaan.
Evenmin is juist de stelling van Mocomar dat het aannemen van een afgescheiden verhaalsvermogen meebrengt dat de vorderingen tegen de beide maatschappen als afzonderlijke entiteiten, en dus naast de afzonderlijke nog zittende maten, zouden kunnen worden toegewezen. Zoals onder 2.6 is overwogen, houdt het hof vooralsnog vast aan de leer dat slechts de tot dat vermogen gerechtigde vennoten in rechte kunnen staan.
Het hof zal te zijner tijd met inachtneming van het voorgaande beslissen.
(...)”
Bij eindarrest van 27 maart 2012 (zaaknummers: 200.017.041, 200.017.927, 200.020.611 en 200.020.516) heeft het gerechtshof Arnhem overwogen dat Mocomar heeft aangevoerd dat zij de later toegetreden maten “op wie zij een afzonderlijke vordering heeft” wel verhaalsaansprakelijk acht voor de voldoening van de verplichtingen van de maten jegens haar. Het gerechtshof Arnhem heeft dit standpunt verworpen en daarbij onder meer als volgt overwogen (onderstreping toegevoegd door mij, A-G):13
“3. De beoordeling van de geschillen in hoger beroep
(...)
In zijn tussenarrest van 28 juni 2011 in de zaak 200.020.516 heeft het hof overwogen dat de maatschappen als zodanig niet in rechte kunnen staan, maar de mogelijkheid open gelaten dat uit de tussen de vennoten getroffen contractuele regelingen – zoals de maatschapsovereenkomst en de eventuele nadere toetredingsvoorwaarden – voortvloeit dat ook later toegetreden vennoten voor de reeds aanwezige maatschapsschulden kunnen worden aangesproken, althans moeten dulden dat deze schulden op het zaaksgebonden vermogen van de maatschap worden verhaald. Thans moet echter worden geconstateerd dat Mocomar ook na deze tussenarresten geen toereikende contractuele regelingen heeft gesteld op grond waarvan de vorderingen ook jegens de (haar thans bekende) huidige vennoten en/of Barracuda zouden moeten worden toegewezen. Uit het voor[t]zettingsbeding zoals opgenomen in de maatschapsovereenkomst van 20 mei 1999, waarnaar Mocomar kennelijk verwijst, kan een dergelijke aansprakelijkheid niet worden afgeleid. Een vordering die (slechts) ertoe strekt de later toegetreden vennoten [te veroordelen, A-G] het nemen van verhaal op het maatschapsvermogen te dulden, de toewijsbaarheid daargelaten, heeft Mocomar niet ingesteld. (...)”
Het gerechtshof Arnhem heeft in het eindarrest van 27 maart 2012 overwogen dat ervan moet worden uitgegaan dat de vorderingen van Mocomar zich alleen richten tegen de 1999-maten en heeft vervolgens overwogen (onderstreping toegevoegd door mij, A-G):
“3.7 Gesteld noch gebleken is dat naast de partijen die door Mocomar in het geding zijn betrokken nog andere (rechts)personen op 29 juni 1999 deel uitmaakten van de maatschappen. Uit de vaststelling dat de vorderingen van Mocomar zich niet richten tegen de huidige vennoten die niet ook reeds vennoot waren op 29 juni 1999 volgt ook dat Mocomar haar vorderingen niet tevens geldend kan maken jegens de maatschappen. Mocomar heeft immers – gelet op hetgeen door het hof reeds is overwogen bij tussenarrest van 28 juni 2011 in de zaak met nummer 200.020.516 – evenmin een vordering op de maatschappen als afzonderlijke entiteiten. Nu alle vennoten tegen wie de vorderingen van Mocomar zich richten in rechte zijn betrokken, bestaat er geen zelfstandig belang van Mocomar bij een jegens de maatschappen uit te spreken veroordeling. (...)”
Het gerechtshof Arnhem heeft het tussenvonnis van de rechtbank Zutphen van 20 augustus 2008 ter zake de beslissing op de vorderingen tegen de maatschappen bekrachtigd en de zaak ter verdere beslissing teruggewezen naar de rechtbank Zutphen:
“4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
in de gevoegde zaken:
(...)
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 20 augustus 2008 voorts voor zover daarbij in reconventie de maatschappen en Barracuda niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- wijst de vorderingen in reconventie van de maatschappen en van Barracuda af;
- bekrachtigt de tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen vonnissen van 5 juli 2006 en 20 augustus 2008 voor het overige;
- compenseert de proceskosten in het principaal en in het incidenteel hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
in de zaak met nummer 200.020.516:
- bekrachtigt het tussen partijen in conventie gewezen vonnis van 20 augustus 2008;
- veroordeelt Mocomar in de kosten van het hoger beroep (...);
voorts in de gevoegde zaken en in de zaak met nummer 200.020.516:
- wijst de zaken terug naar de rechtbank Zutphen om daarop met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen en geoordeeld verder te beslissen.”
Op 15 maart 2013 heeft Uw Raad een arrest gewezen over maatschap en aansprakelijkheid.14
Bij eindvonnis van 6 september 2017 in de 65333-procedure heeft de rechtbank Gelderland, (hierna: ‘de rechtbank’), na de in randnummer 1.19 hiervoor bedoelde terugwijzing, als volgt beslist op de (hoogte van de) uittredingsvergoedingen voor Mocomar:15
“3.1. veroordeelt Hassel Holding, [A] , Esox Belastingadviesgroep, [betrokkene 1] en Locotax om ieder aan Mocomar binnen vier weken na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 147.242,47, verminderd met hetgeen de betreffende (rechts)persoon inmiddels op grond van het vonnis in het incident van 14 september 2016 aan Mocomar mocht hebben betaald (waarbij, indien betaling voor eind 2016 heeft plaatsgevonden, een vermindering van de in voormeld bedrag begrepen rente, die is berekend tot en met 31 december 2016, dient plaats te vinden), en vermeerderd met de contractueel overeengekomen rentevergoeding – te weten de per 1 januari van het betreffende jaar geldende rente op Nederlandse staatsobligaties met een looptijd van 5 jaar, verhoogd met een opslag van 3% – over het niet betaalde gedeelte van de hoofdsom zonder rente (ad € 77.239,65) vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening,
veroordeelt Hassel Holding, [A] , Esox Belastingadviesgroep, [betrokkene 1] en Locotax in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 12.023,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na heden indien betaling niet binnen voormelde termijn heeft plaatsgevonden,
veroordeelt Hassel Holding, [A] , Esox Belastingadviesgroep, [betrokkene 1] en Locotax in de proceskosten, aan de zijde van Mocomar tot op heden begroot op € 19.622,16, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na heden indien betaling niet binnen voormelde termijn heeft plaatsgevonden,
veroordeelt Hassel Holding, [A] , [betrokkene 1] en Locotax in de na dit vonnis ontstane kosten, voor ieder van hen begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de betreffende (rechts)persoon niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van €68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
veroordeelt Locotax in de aan de zijde van Mocomar gevallen kosten in het vrijwaringsincident, tot op heden begroot op € 452,00,
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.”
Mocomar heeft hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank van 6 september 2017. Mocomar heeft in dat hoger beroep betoogd dat de maatschappen (nog steeds) betrokken zijn bij de procedure en zij heeft een verklaring voor recht gevorderd dat zij haar vorderingen ook kan verhalen op het onverdeelde afgescheiden vermogen van de voortgezette maatschappen en een verklaring voor recht dat de nieuw toegetreden maten die de maatschap hebben voortgezet het verhaal door Mocomar op het afgescheiden vermogen hebben te dulden. Bij tussenarrest van 24 maart 2020 heeft het hof dat betoog verworpen:16
“2.4 In grief I betoogt Mocomar dat beide maatschappen nog steeds betrokken zijn bij de procedure doordat Mocomar de procedure heeft aangespannen tegen de zes maten, die beide maatschappen aanvankelijk, na Mocomars uittreden, hebben voortgezet. Zij stelt daarom recht en belang te hebben bij een verklaring voor recht dat zij haar vorderingen ook kan verhalen op het onverdeelde afgescheiden vermogen van de voortgezette maatschappen en bij een verklaring voor recht dat de nieuw toegetreden maten die de maatschap na uittreden van Mocomar en geïntimeerden hebben voortgezet, het verhaal door Mocomar op het afgescheiden maatschapsvermogen hebben te dulden.
Het hof verwerpt dit betoog. In rechtsoverweging (r.o.) 3.7 van het arrest van 27 maart 2012 heeft het hof overwogen dat Mocomar haar vorderingen niet tevens geldend kan maken jegens de maatschappen en geen zelfstandig belang heeft bij een jegens de maatschappen uit te spreken veroordeling. Om die reden heeft het hof de afwijzing van Mocomars vorderingen op de maatschappen bekrachtigd. Mocomar heeft nagelaten daar beroep in cassatie tegen in te stellen, zodat dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan. (...)”
Bij onherroepelijk geworden eindarrest van 14 september 202117 heeft het hof de vorderingen van Mocomar op vijf van de zes 1999-maten – Behouden Huis is tijdens de procedure failliet gegaan – vastgesteld. [A] , [betrokkene 1] en Locotax moeten in hoofdsom exclusief rente elk € 234.154 aan Mocomar betalen en Hassel Holding en Esox elk € 300.165.
Mocomar heeft de toegewezen bedragen niet volledig ontvangen, onder andere omdat twee van de 1999-maten – Esox en [A] – zijn ontbonden met toepassing van art. 2:19 lid 4 BW (turboliquidatie). [betrokkene 1] heeft de vordering volledig voldaan.