Home

Parket bij de Hoge Raad, 03-06-2025, ECLI:NL:PHR:2025:630, 24/00524

Parket bij de Hoge Raad, 03-06-2025, ECLI:NL:PHR:2025:630, 24/00524

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
3 juni 2025
Datum publicatie
3 juni 2025
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:630
Zaaknummer
24/00524

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van twee trams i.h.k.v. een demonstratie, art. 350 Sr. Post-Keskin. Eerste middel is gericht tegen de afwijzing van een (voorwaardelijk) getuigenverzoek. De AG meent dat de afwijzing van dit verzoek in de kern berust op een vaststelling van afstand van recht, en geeft de Hoge Raad in overweging een ‘advisory opinion’ te vragen over de mogelijkheden en beperkingen van het uit de processuele opstelling van de verdediging afleiden van een ‘waiver’ van het ondervragingsrecht. Tweede middel betreft de verwerping van het verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege art. 10 EVRM. Derde middel betreft vordering van de benadeelde partij. De conclusie strekt tot schorsing van het cassatieberoep teneinde in verband met het eerste middel aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vragen te stellen over de uitleg van artikel 6 EVRM.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00524

Zitting 3 juni 2025

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 1 februari 2024 wegens ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,00, subsidiair 4 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om de getuigen [getuige] en [verbalisant 1] te horen. Het tweede middel klaagt over de verwerping van een verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging in verband met art. 10 EVRM. Het derde middel betreft de vordering van de benadeelde partij.

  4. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer. Vervolgens citeer ik de passages uit het bestreden arrest die betrekking hebben op de getuigenverzoeken, de verwerping van het tot ontslag van alle rechtsvervolging strekkende verweer en de vordering van de benadeelde partij. Daarna geef ik enkele passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en uit de pleitnota weer die betrekking hebben op de getuigenverzoeken en het bedoelde verweer.

  5. Zowel bij de beoordeling van het eerste als bij de beoordeling van het tweede middel is rechtspraak van het EHRM van belang. Die rechtspraak geef ik bij elk van beide middelen weer voordat ik het betreffende middel bespreek.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

6. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘zij op 7 mei 2022 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk trams, die aan GVB Exploitatie B.V. toebehoorden, heeft beschadigd.’

7. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje ‘Bewijsvoering en reactie op bewijsverweer’ de volgende bewijsmotivering opgenomen (met overneming van de voetnoten):

‘De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is die graffiti op trams heeft gespoten.

[betrokkene 1] heeft namens het GVB aangifte gedaan van vernieling van onder meer de trams met de nummers 2202 en 2020 op 7 mei 2022 tussen 14:15 en 16:00 uur,1 door het op die trams aanbrengen van graffiti.2 Hij heeft foto’s van de aangerichte schade aan de politie ter beschikking gesteld ten behoeve van het onderzoek.3 Op deze foto’s zijn volgens de waarneming van het hof te zien de met roze spuitverf op ramen van GVB-tram 2202 aangebrachte graffiti/tekens (een A binnen een cirkel, al dan niet gecombineerd met pijltje naar rechts boven en een kruisje naar onder en een kruisje naar linksboven) en het met een zwarte stift op de voorzijde van GVB-tram 2020 aangebrachte gelijksoortige teken.

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn camerabeelden bekeken van het bespuiten van tram 2202 met de hiervoor bedoelde tekens. In raadkamer zijn de eerder door de verdediging aangeleverde camerabeelden4 bekeken van, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, haar aanhouding. Ook heeft de verdachte ter terechtzitting tatoeages op haar rechter- en linkerbovenarm getoond.

Op basis van die beide camerabeelden en de door de verdachte getoonde tatoeages heeft het hof ter terechtzitting de waarnemingen gedaan dat de persoon die de tekens op de tram spuit:

- op de rechter- en linkerbovenarm verkleuringen heeft, precies op de plekken waar de verdachte tatoeages heeft;

- een rugzak draagt die ook op details sterke gelijkenis vertoont met de rugzak die de verdachte bij haar aanhouding droeg, zoals te zien is op de foto op p. 29 van het politiedossier;5

- kleding draagt die, voor zover waarneembaar, identiek is aan de kleding die de verdachte bij haar aanhouding droeg of meevoerde6 (waaronder: een zwart mouwloos shirt, een zwarte doek om het hoofd, een paarse doek om het gelaat, een korte zwarte broek en op dr. Martens gelijkende zwarte hoge schoenen).

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de verdachte degene is geweest die met een spuitbus de tekens op tram 2202 heeft aangebracht. Dat de verdachte met de zwarte stift ook tram 2020 heeft beklad, grondt het hof hierop dat het om een gelijksoortig teken gaat en dat in de bij de verdachte aangetroffen rugzak een zwarte stift is aangetroffen, zoals te zien is op de foto op p. 30 van het politiedossier en waarvan de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd dat ze die bij zich had. Daarbij speelt ook een rol dat de getuige [getuige] heeft gezien dat degene die met een zwarte stift op de tram tekende dezelfde was die vervolgens met een spuitbus ronde symbolen spoot.7

Op het voorgaande stuit het verweer af, met dien verstande dat het hof niet bewezen acht dat de verdachte ook de tram met nummer 2002 heeft bespoten.’

Overwegingen in het bestreden arrest over de getuigenverzoeken, het tot ontslag van alle rechtsvervolging strekkende verweer en de vordering van de benadeelde partij

8. In het bestreden arrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

‘Bespreking van een voorwaardelijk verzoek tot het horen van vier getuigen

De raadsvrouw heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om vier getuigen te horen in het geval het hof komt tot een bewezenverklaring. Onder deze voorwaarde is verzocht als getuigen te horen de tramchauffeur [getuige] en de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 1] , van wie de verklaring/bevindingen door de politierechter voor het bewijs zijn gebruikt.

Het hof wijst deze verzoeken af op de volgende gronden.

Feitelijke gang van zaken

Deze zaak draait om de verdenking dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van trams van het GVB. De raadsvrouw van de verdachte, mr. T. Urbanus, was ook ter terechtzitting in eerste aanleg als raadsvrouw aanwezig. Op die terechtzitting is door de politierechter de inhoud van de verklaring en bevindingen van de voormelde personen medegedeeld. In het door de politierechter uitgesproken vonnis zijn de verklaring en bevindingen van de nu gevraagde getuigen voor het bewijs gebruikt. De verdachte en haar raadsvrouw waren daarmee dus op 22 mei 2023 bekend.

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00.

De verdachte heeft op 5 juni 2023 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

In de appelschriftuur van 14 juni 2023 heeft de raadsvrouw uiteengezet dat het hoger beroep ziet op de bewezenverklaring, de verwerping van het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging en op de strafmaat. In deze appelschriftuur zijn geen onderzoekswensen kenbaar gemaakt.

De verdachte is gedagvaard voor de rolzitting van 26 september 2023. De raadsvrouw is op deze zitting verschenen en heeft gezegd dat er geen onderzoekswensen zijn. Daarop is de inhoudelijke behandeling van de zaak gepland voor de zitting van 18 januari 2024.

Op die zitting heeft de raadsvrouw als afsluiting van haar pleidooi over de bewijsvraag alsnog onderzoekswensen geformuleerd in de vorm van het voormelde voorwaardelijke getuigenverzoek. Als antwoord op de vraag waarom ze dat verzoek niet eerder geeft gedaan, heeft de raadsvrouw gezegd dat de leemtes in het dossier anders moeten worden geïnterpreteerd dan de politierechter dat heeft gedaan en het niet aan de verdediging is om het bewijs te leveren.

Oordeel van het hof

Het hof is zich ervan bewust dat de verklaring van de getuige [getuige] , en de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en [verbalisant 1] door de politierechter voor het bewijs zijn gebruikt. De verdediging is nog niet in de gelegenheid geweest deze getuigen te ondervragen. Zou de verdediging in enig eerder stadium – bij de politierechter of bij het hof – om het horen van deze getuigen hebben verzocht, dan zou dat verzoek voor toewijzing gereed hebben gelegen in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad. In die rechtspraak is invulling gegeven aan de eisen die op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) aan een eerlijk proces moeten worden gesteld, waar het gaat om het recht van de verdediging om belastende getuigen te kunnen ondervragen (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 en HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:765).

In de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad is bepaald dat de verdediging ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep verzoeken kan doen tot het (opnieuw) horen van getuigen. Daarbij is door de Hoge Raad overwogen:

“De omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de hiervoor genoemde mogelijkheden om een verzoek te doen een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, biedt op zichzelf geen grond voor de afwijzing van zo’n verzoek. Dat neemt niet weg dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de (..) beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen.”

Het hof is van oordeel dat in deze zaak géén sprake is van inactiviteit van de verdediging zoals in dit citaat is bedoeld. Door de verdediging is in deze zaak op de rolzitting namelijk actief kenbaar gemaakt dat zij géén onderzoekswensen heeft, zodat de zaak gereed is voor een inhoudelijke behandeling.

Als wordt aanvaard dat de verdediging zonder meer van een dergelijk door haar kenbaar gemaakt standpunt terug kan komen tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak, al dan niet in de vorm van een bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek, is dat zeer schadelijk voor de kwaliteit en de effectiviteit van de strafrechtpleging, zoals hieronder nader is toegelicht. Dat kan dan ook niet de bedoeling zijn van de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Daarom moet in geval als dit, waarin de verdediging bij gelegenheid van de – in overleg met haar geplande – inhoudelijke behandeling van een zaak terugkomt van het eerder door haar kenbaar gemaakte standpunt dat zij geen onderzoekswensen heeft, verlangd worden dat deze wijziging van standpunt door de verdediging toereikend wordt gemotiveerd. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan nieuwe feiten en omstandigheden die zich sinds de eerdere standpuntinname hebben voorgedaan, of een nieuw inzicht dat wordt verklaard door het procesverloop of door ontwikkelingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Van een toereikende motivering van de verandering van standpunt van de verdediging, zoals hiervoor bedoeld, is in deze zaak geen sprake. De verdediging heeft enkel naar voren gebracht dat de leemtes in het dossier anders moeten worden geïnterpreteerd dan de politierechter dat heeft gedaan en dat het niet aan de verdediging is om het bewijs te leveren. Kortom, alle voor de onderzoeksverzoeken van de verdediging relevante feiten en omstandigheden waren haar bekend toen zij op 26 september 2023 in het verlengde van haar eerdere appelschriftuur nog eens expliciet aangaf geen onderzoekswensen te hebben. Dat betekent dat met de wijziging van standpunt door de verdediging bij de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in deze zaak sprake is van een onacceptabele aanwending van strafprocessuele mogelijkheden. Om die redenen moet het verzoek worden afgewezen.

Achtergrond

Als toelichting merkt het hof ten overvloede het volgende op.

De Nederlandse strafrechtspleging kampt al geruime tijd met een fors capaciteitstekort. Voor de rechtspraak betekent dit onder meer dat de beschikbare zittingscapaciteit zo efficiënt mogelijk moet worden benut. Cruciaal daarvoor is dat zaken pas voor een inhoudelijke behandeling op een zitting worden gepland, als al het daaraan voorafgaande onderzoek gereed is. Anders moeten zaken ter zitting alsnog worden aangehouden. Dan gaat niet alleen kostbare zittingstijd verloren, maar ook veel van de tijd die is gestoken in de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling door de betrokken rechters/raadsheren, griffier, officier van justitie/advocaat-generaal en advocaten. Nog daargelaten dat de verdachte en benadeelden of slachtoffers daardoor langer in onzekerheid verkeren en de afdoening van zaken binnen een redelijke termijn bemoeilijkt wordt.

Daarom vraagt het hof voor het plannen van een inhoudelijke behandeling aan partijen of er in hoger beroep onderzoekswensen bestaan. Zo ja, dan wordt eerst op deze onderzoekswensen beslist, soms op een speciaal daarvoor ingelaste regiezitting. Op die manier kan onderzoek dat noodzakelijk is voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak ter zitting, eerst worden uitgevoerd. Onnodige aanhoudingen, zoals hiervoor bedoeld, kunnen daarmee worden voorkomen. Op die manier kan de schaarse hoeveelheid menskracht, middelen en tijd daadwerkelijk worden ingezet voor een zorgvuldige behandeling van strafzaken, om in hoger beroep recht te kunnen doen aan verdachten, slachtoffers en de maatschappij. Daar komt bij dat ook de waarheidsvinding ermee is gediend dat verklaringen van getuigen worden opgenomen, niet langer dan nodig na de gebeurtenis waarop deze betrekking hebben (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.6.1).

De onderhavige zaak is geen incident. Het komt recent veel vaker voor dat advocaten bij de inhoudelijke behandeling (bij pleidooi) voorwaardelijke onderzoeksverzoeken (met name getuigenverzoeken) doen, terwijl zij daarnaar gevraagd voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, te kennen hebben gegeven geen onderzoekswensen te hebben. Met name als dat verzoek ziet op een getuige die een voor de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd en de verdediging die getuige nog niet heeft kunnen ondervragen, ziet de rechter nogal eens de noodzaak tot toewijzing van het verzoek en wordt de zaak alsnog aangehouden. Dit hangt samen met het hiervoor belichte belang dergelijke getuigen te kunnen horen als onderdeel van het recht op een eerlijk proces en met de beperkte ruimte om een verzoek daartoe af te wijzen, ook al is het laat gedaan.

Het behoeft geen betoog dat deze werkwijze funest is voor de kwaliteit en de effectiviteit van de strafrechtspleging.

Het hof is daarom van oordeel dat binnen de kaders van de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de ruimte voor deze werkwijze van de verdediging moet worden beperkt.

Ambtshalve beoordeling eerlijkheid van het proces

Het vorenstaande laat onverlet de ambtshalve plicht van de rechter om de eerlijkheid van het proces als geheel te beoordelen, alvorens tot een eindoordeel te komen. In dit verband is in deze zaak van belang dat een verdachte onder meer het recht heeft om getuigen te ondervragen. Voor de verdediging moet er een behoorlijke en effectieve mogelijkheid hebben bestaan om belastende getuigen te ondervragen. Heeft de verdediging die mogelijkheid ten aanzien van een getuige niet gehad, dan zal de rechter als hij de verklaring van die getuige voor het bewijs wil gebruiken, moeten beoordelen of daarmee het proces als geheel nog wel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn:

- de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend;

- het gewicht van de verklaring van de getuige voor de bewezenverklaring van het feit; en,

- het bestaan van voldoende compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en de beperkingen die de verdediging daardoor heeft ondervonden bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige.

De rechter moet deze drie beoordelingsfactoren in onderling verband beoordelen. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – voordat de verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt – des te meer van belang dat er een goede reden bestaat voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en dat er compenserende factoren zijn.

Het hof gebruikt alleen de verklaring van de getuige [getuige] en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] voor het bewijs.

De verdediging heeft het ondervragingsrecht niet uitgeoefend ten aanzien van deze getuigen. De reden daarvoor is dat de verdediging niet op het daartoe geëigende moment heeft gevraagd om deze personen als getuigen te horen. Dat de verdediging vervolgens alsnog om hun verhoor heeft gevraagd legt geen gewicht in de schaal, omdat dit verzoek ontijdig is gedaan en zonder behoorlijke motivering.

Naar het oordeel van het hof is, voor zover moet worden gesproken van een beperking van het ondervragingsrecht, deze beperking voldoende gecompenseerd, doordat de betrouwbaarheid van deze getuigen in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel, waaronder in het bijzonder ook de verklaringen van de verdachte zelf. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaring van [getuige] alleen voor het bewijs is gebruikt als ondersteuning van het oordeel van het hof dat de verdachte ook degene is die een tram met stift heeft beklad, welk oordeel in belangrijker mate steunt op de gelijksoortigheid van de diezelfde dag door de verdachte op een andere tram aangebrachte symbolen en op het feit dat bij de verdachte bij haar aanhouding een zwarte stift is aangetroffen. Ook neemt het hof in aanmerking dat het proces-verbaal van [verbalisant 1] alleen voor het bewijs is gebruikt, voor zover daarbij foto’s zijn gevoegd van de bij de verdachte aangetroffen rugzak, paarse ‘bandana’/doek en zwarte stift, hetgeen door de verdachte niet is bestreden.

Het gewicht van deze bewijsmiddelen in de bewijsconstructie als geheel is beperkt en het hof is behoedzaam met deze bewijsmiddelen omgegaan en constateert dat de verklaring van [getuige] en het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Het hof is daarom van oordeel dat sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en ziet geen noodzaak alsnog getuigen te horen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het bewezenverklaarde een vorm van meningsuiting tijdens een kenbare en vreedzame demonstratie betreft, die valt onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM.

Het hof stelt vast dat de verdachte deelnam aan een demonstratie waarin aandacht werd gevraagd voor het behoud van het recht op abortus toen zij de trams bekladde. Deze trams zijn daardoor beschadigd en moesten gereinigd worden. De gedraging van de verdachte maakte inbreuk op het eigendomsrecht van GVB Exploitatie B.V.

Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en het onder meer in artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van vergadering zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving en gelden als “the foundations of such a society”. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen. De door artikel 10 en 11 van het EVRM gewaarborgde vrijheden zijn niet absoluut. Zij kunnen - volgens het tweede lid van beide artikelen - worden beperkt op een wijze die bij de wet is voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van, onder meer, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en de bescherming van de rechten van anderen.

Uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat artikel 11 EVRM betrekking heeft op uiteenlopende vormen van protest (zoals protestmarsen, blokkades, sit-ins en bezettingen), alsmede het recht omvat om - binnen de door het tweede lid van die bepaling gestelde grenzen -tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen. Uitgangspunt in de rechtspraak van het EHRM is dat elke demonstratie een zekere mate van “disruption to ordinary life” met zich kan brengen. Zo’n verstoring is op zichzelf nog niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen van het recht op vreedzame vergadering.

Dat betekent echter niet dat elk strafrechtelijk optreden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt – ongeacht de aard van en de vorm waarin dat optreden plaatsvindt en ongeacht de vraag of dit optreden tot een sanctie leidt – tot een schending van artikel 10 en/of 11 EVRM leidt. Uit de door het EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt immers dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een "reprehensible act” pleegt tijdens de demonstratie (vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126 en HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742).

Daarvan is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake. De verdachte had ook zonder de trams te bekladden en daarbij inbreuk te maken op het eigendomsrecht van GVB Exploitatie B.V. haar door de artikelen 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten kunnen uitoefenen en zich kunnen uitspreken tegen beperkingen van het recht op abortus. De door de verdachte gepleegde strafbare vorm van vernieling levert een opzettelijke meer ingrijpende ordeverstoring op dan een normale vreedzame uitoefening van de hier bedoelde rechten.

Het strafrechtelijke optreden tegen dit strafbare feit – waaronder ook de aanhouding en de hierna te noemen bestraffing – zijn naar het oordeel van het hof niet zo ingrijpend dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Daarbij is van belang dat de aanleiding voor het strafrechtelijke optreden tegen en de vervolging van de verdachte niet was gelegen in het deelnemen aan de demonstratie, maar in het tijdens die demonstratie plegen van een strafbaar feit.

Het hof is dus van oordeel is dat de verdachte laakbaar gedrag vertoonde waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was.

Het hof verwerpt het verweer.

Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

(...)

Vordering van de benadeelde partij GVB Exploitatie B.V.