Parket bij de Hoge Raad, 17-01-2025, ECLI:NL:PHR:2025:67, 24/01388
Parket bij de Hoge Raad, 17-01-2025, ECLI:NL:PHR:2025:67, 24/01388
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 17 januari 2025
- Datum publicatie
- 23 januari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:67
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:761
- Zaaknummer
- 24/01388
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheidsrecht. Vordering tot terugbetaling van door bank in rekening gebrachte, door cliënt periodiek betaalde liquiditeitspremie. Onverschuldigde betaling en schadevergoeding wegens tekortkoming. Verjaring. Art. 3:309 en 3:310 lid 1 BW. Aanvangsmoment. Maatstaf. Motiveringsklachten.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01388
Zitting 17 januari 2025
CONCLUSIE
S.D. Lindenbergh
In de zaak
de stichting Stichting Swapschade, in haar hoedanigheid van procesgevolmachtigde van de naamloze vennootschap SnowWorldLeisure N.V.
tegen
de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als SnowWorld1 (eiseres tot cassatie) en de Bank (verweerster in cassatie).
1 Inleiding
SnowWorld stelt dat de Bank vanaf 1 januari 2009 ten onrechte een zgn. ‘liquiditeitspremie’ bij haar in rekening heeft gebracht bovenop de rente op de kredieten die zij bij de Bank had afgesloten. In deze procedure vordert SnowWorld dat de Bank wordt veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van ruim € 1,6 miljoen. De vordering is gebaseerd op schadevergoeding wegens tekortschieten en op onverschuldigde betaling. Rechtbank en hof hebben geoordeeld dat de vordering is verjaard. Naar het oordeel van het hof moet SnowWorld al in 2009 daadwerkelijk bekend zijn geweest met de door haar gestelde schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, terwijl zij de Bank pas in november 2016 aansprakelijk heeft gesteld. Het hof heeft het betoog van SnowWorld dat telkens met het betalen van de liquiditeitspremie opnieuw schade werd geleden, verworpen. Het hof oordeelde dat het bij het betalen van de liquiditeitspremie gaat om voortdurende schade, waarbij geldt dat ook al in 2009 was te voorzien dat deze schade grotendeels in de toekomst zou worden geleden. Het middel stelt dat het hof heeft miskend dat de verjaring van een vordering uit onverschuldigde betaling niet eerder aanvangt dan op de dag volgend op die waarop de vordering ontstaat, dat de vordering uit onverschuldigde betaling pas ontstaat op het moment waarop de prestatie zonder rechtsgrond geschiedt, en dat dit betekent dat met iedere afzonderlijke betaling door SnowWorld van de liquiditeitspremie een daarmee corresponderende vordering uit onverschuldigde betaling ontstond. Volgens het middel heeft het hof voorts miskend dat voor de aanvang van de verjaring van een vordering tot schadevergoeding is vereist dat die vordering opeisbaar is, en dat met iedere afzonderlijke betaling door SnowWorld van de liquiditeitspremie een daarmee corresponderende vordering tot schadevergoeding ontstond. Daarnaast stelt het middel het oordeel van het hof over bekendheid met de schade/onverschuldigde betaling en de daarvoor aansprakelijke persoon/persoon van de ontvanger aan de orde, alsmede het oordeel over beperkende werking van redelijkheid en billijkheid ten aanzien van de verjaring.
2 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan randnummers 3.2 t/m 3.24 van het bestreden arrest.2
SnowWorld behoort tot een groep van vennootschappen die onder meer indoor ski- en snowboardhallen exploiteert. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) is de oprichter van SnowWorld. Hij is van 2008 tot september 2018 haar CEO geweest. Daarvoor, tot eind 2007, was [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) CEO van SnowWorld. [betrokkene 2] had een verleden als investment banker bij onder andere ABN Amro en ING.
In november 2007 is registeraccountant [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) aangesteld als financieel directeur van SnowWorld. Voordien hield [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]) als boekhouder zich bezig met de financiën. [betrokkene 4] was daarvoor werkzaam geweest bij PwC en Deloitte.
Tussen medio 2007 en 17 juni 2010 heeft SnowWorld (en haar rechtsvoorgangers) in totaal negen renteswaps afgesloten bij Fortis Bank N.V., die in 2010 door fusie is opgegaan in de Bank. Omwille van de leesbaarheid zal hierna steeds worden gesproken van ‘de Bank’. De renteswaps hielden verband met de financiering van twee skihallen in respectievelijk Zoetermeer en Landgraaf. Eind 2006/begin 2007 zijn tussen verschillende rechtsvoorgangers van SnowWorld en de Bank gesprekken op gang gekomen over de financiering van de aankoop daarvan.
In de eerste helft van 2007 zijn er diverse kredietfaciliteiten bij de Bank afgesloten. Het eerste contract is afgesloten op 7 februari 2007 voor een bedrag van in totaal € 50.750.000,-- (€ 50.000.000,-- rekening-courantfaciliteit waarvan de limiet per kwartaal zou verminderen met € 1.562.500,-- en € 750.000,-- multi-purposefaciliteit). Dit contract kende een looptijd tot 1 juli 2015. Voor beide kredieten waren variabele rentes verschuldigd, gebaseerd op het éénmaands Euribortarief plus een opslagpercentage van respectievelijk 0,85% en 1% (hierna: de opslag of de kredietopslag).
Een stuk met de titel ‘Produktbeschrijving Rentemanagement: Interest Rate Swap’ van 7 februari 2007 houdt in:
“Als gevolg van de stijgende rente in de Eurozone nemen de rentelasten van een roll-over of rekening courant financiering op basis van Euribor toe. Met een Interest Rate Swap (IRS) fixeert u de rentecoupon zoals bij een standaard middellange lening. Zo bent u gedurende de looptijd van de roll-over lening verzekerd van rentelasten die vooraf exact bekend zijn. Een Interest Rate Swap sluit u rechtstreeks af met Fortis Bank en is mogelijk voor bedragen vanaf EUR 1.000.000,--.
Het volgende voorbeeld laat zien hoe de Interest Rate Swap in de praktijk toegepast kan worden.
Indicatie:
- Hoofdsom: Eur 50.000.000
- Startdatum: 2 april 2007
- Einddatum: 3 april 2015
- Aflossingen: EUR 1.562.500 per kwartaal
- Snowworld ontvangt: 3 maands Euribor (momenteel 3,785%)
- Snowworld betaalt: Fixe rente
- Fixe rente 8 jaar: 4,20%
[…]
U betaalt vast: 4,20% +/+
U ontvangt Euribor: 3,785% -/-
U betaalt Euribor: 3,785% +/+
U betaalt per saldo: vast tarief 4,20% + kredietopslag 0,85.
Voordelen:
- U profiteert van een historisch lage rente.
- U fixeert de rente en bent volledig beschermd tegen rentestijgingen.
- U kunt de Interest Rate Swap tussentijds beëindigen, wat een positieve waarde oplevert bij een gestegen rente.
- U kunt een IRS structuur gebruiken om op meerdere leningen het renterisico af te dekken.
Nadelen:
- U profiteert niet van een rentedaling.”
Op 27 maart 2007 is een kredietfaciliteit in rekening-courant met een hoofdsom van € 29.400.000,-- afgesloten, met een looptijd tot 1 juli 2015. Voor dit krediet was eveneens een variabele rente verschuldigd, gebaseerd op de éénmaands Euribor, plus een opslag van 0,85%.
Op 21 juni 2007 zijn ter vervanging van het contract van 7 februari 2007 vier kredietfaciliteiten afgesloten:
- een overbruggingsfinanciering in rekening-courant van € 6.250.000,-- met een looptijd tot 1 november 2007;
- een multipurpose faciliteit met een limiet van € 750.000,--;
- een rekeningcourantfaciliteit van € 20.600.000,-- en een looptijd tot 1 juli 2015; en
- een financiële derivatenfaciliteit voor het afsluiten van financiële derivaten tot een maximum van € 20.600.000,-- met een looptijd van 8 jaar.
Er was eind juni 2007 dus een totale kredietfaciliteit van circa 56,5 miljoen euro. Ook voor deze kredieten was een variabele rente verschuldigd, gebaseerd op de éénmaands Euribor, plus een opslag zoals vastgelegd in de betreffende kredietovereenkomst.
De kredietovereenkomsten zijn steeds aangegaan onder de voorwaarde “Alle condities zijn van toepassing tot nadere aankondiging.”
Toen de Euribor in de loop van 2007 ging stijgen, is op 27 juni 2007 de eerste renteswap afgesloten (renteswap 1). Deze renteswap hield verband met de op 21 juni 2007 afgesloten rekeningcourantfaciliteit van € 20.600.000,--, bestemd voor de financiering van de skihal in Zoetermeer. De renteswap had een hoofdsom van € 20.600.000,--, een door SnowWorld te betalen vaste swaprente van 4,75%, een door SnowWorld te ontvangen variabele rente van driemaands Euribor en een looptijd van 2 juli 2007 tot 1 april 2015. Deze renteswap was bedoeld om de variabele renterisico’s op de kredietfaciliteit van € 20.600.000,-- af te dekken. Kort gezegd betaalde SnowWorld op basis van deze renteswap jaarlijks de vaste swaprente van 4,75% over de hoofdsom aan de Bank en ontving van de Bank de van tijd tot tijd geldende variabele Euribor over de hoofdsom. Op basis van de kredietovereenkomst betaalde SnowWorld vervolgens de van tijd tot tijd geldende Euribor over de uitstaande lening aan de Bank, plus de overeengekomen opslag. Effectief ‘ruilde’ SnowWorld met de renteswap dus de van tijd tot tijd geldende Euribor tegen een vaste rente van 4,75%.
In verband met de voor de skihal in Landgraaf op 27 maart 2007 afgesloten rekeningcourantfaciliteit met een limiet van € 29.400.000,-- zijn op 25 juni 2007 en 17 september 2007 twee renteswaps afgesloten:
- een renteswap met een hoofdsom van € 13.472.000,-- met een vaste swaprente van 4,75% en een looptijd van 2 juli 2007 tot 1 april 2015 (renteswap 2) en
- een renteswap met een hoofdsom van (aflopend) € 15.430.250,-- tegen een vaste rente van 4,50% en met een looptijd van 1 oktober 2007 tot 1 juli 2015 (renteswap 3).
In 2007 is voor de bouw van een sporthotel in Landgraaf nog een extra rekening-courantkrediet aangetrokken van € 5.000.000,--. Ook voor dit krediet is een variabele rente op basis van het éénmaands Euribortarief verschuldigd, plus een opslag van 1%. Verder is bepaald dat de looptijd tot 1 juli 2018 is en dat het krediet met € 125.000,-- per kwartaal moet worden verminderd.
In een op 14 februari 2008 tussen de Bank en SnowWorld vastgelegd contract zijn de kredietfaciliteiten (vrij ingrijpend) aangepast: de totale kredietfaciliteit gaat ruim 59 miljoen euro bedragen (0,75 + 46,875 + 5 + 7) en er komen twee derivatenfaciliteiten beschikbaar. Voor de kredieten is een variabele rente verschuldigd, gebaseerd op de éénmaands Euribor, plus de in de kredietovereenkomst genoemde opslag. Verder is onder het kopje ‘Condities’ bepaald: “Alle condities zijn van toepassing tot nadere aankondiging.” Onder de ‘Overige bepalingen’ is opgenomen dat op de rechtsverhouding mede de Algemene Voorwaarden en de Algemene Kredietvoorwaarden van de Bank toepasselijk zijn.
Voor het hiervoor in 2.11 bedoelde krediet in rekening-courant van € 5.000.000,-- is per 2 april 2008 een renteswap afgesloten met een hoofdsom van € 5.000.000,--, een door SnowWorld te betalen vaste swaprente van 4,30%, een door SnowWorld te ontvangen variabele rente van éénmaands Euribor en een looptijd van 15 april 2008 tot 3 april 2018 (renteswap 4).
In de zomer van 2008 bleek dat in de renteswaps 1, 2 en 3 wat betreft de door SnowWorld van de Bank te ontvangen variabele rente was uitgegaan van driemaands Euribor, terwijl de door SnowWorld aan de Bank verschuldigde rente in de onderliggende kredietovereenkomsten was gebaseerd op de éénmaands Euribor. De renteswaps sloten daardoor niet goed aan op de onderliggende kredietovereenkomsten. De renteswaps zijn daarop op 26 augustus 2008 voortijdig beëindigd. Vervolgens zijn dezelfde dag drie nieuwe renteswaps gesloten:
- een renteswap met een hoofdsom van € 18.025.000,--, een door SnowWorld te betalen vaste swaprente van 4,56% en een door SnowWorld te ontvangen variabele rente van éénmaands Euribor, met een looptijd van 28 augustus 2008 tot 1 april 2015 (renteswap 5);
- een renteswap met een hoofdsom van € 11.788.000,--, een door SnowWorld te betalen vaste swaprente van 4,56% en een door SnowWorld te ontvangen variabele rente van éénmaands Euribor, met eveneens een looptijd van 28 augustus 2008 tot 1 april 2015 (renteswap 6); en
- een renteswap met een hoofdsom van € 13.937.000,--, een door SnowWorld te betalen vaste swaprente van 4,3% en een door SnowWorld te ontvangen variabele rente van éénmaands Euribor, met een looptijd van 28 augustus 2008 tot 1 juli 2015 (renteswap 7).
De contracten daarvoor zijn op 1 september 2008 door [betrokkene 3] namens SnowWorld ondertekend.
Omdat SnowWorld in 2008 haar aflossingsverplichtingen niet kon nakomen op de kredietfaciliteit, zijn op haar verzoek de aflossingen met bijna € 400.000,-- per kwartaal verlaagd. Hierdoor stemde het aflossingsschema van de kredietovereenkomst niet langer overeen met dat van de renteswaps. Om dit renterisico af te dekken is op 7 januari 2009 een nieuwe renteswap afgesloten met een hoofdsom van € 2.500.000,--, een door SnowWorld te betalen vaste swaprente van 3,56%, een door SnowWorld te ontvangen variabele rente van éénmaands Euribor, en een looptijd van 9 januari 2009 tot 30 juni 2017 (renteswap 8).
In een brief van december 2008 heeft de Bank aan SnowWorld aangekondigd dat zij met ingang van 1 januari 2009 een liquiditeitspremie van 0,30% in rekening zal gaan brengen op de aan SnowWorld verstrekte kredieten met debetcondities op basis van Euribor.
Bij brief van 11 maart 2009 heeft de Bank aan SnowWorld aangekondigd dat zij vanaf 1 april 2009 de liquiditeitspremie zal verhogen van 0,30% naar 0,50%. Als reden daarvoor gaf zij op dat door aanhoudende verstoring van de financiële markten de Euribor daalde, terwijl het aantrekken van geld voor haar als bank steeds duurder werd. Daarmee, zo schreef de Bank, neemt het verschil tussen de fundingkosten van banken en de Euribor-tarieven steeds verder toe.
Deze liquiditeitspremie of verhoogde (rente)opslag betekende voor SnowWorld dat zij in totaal € 1.644.282,-- meer aan rente moest betalen aan de Bank.
Na ontvangst van de brief van 11 maart 2009 heeft de toenmalig financieel directeur van SnowWorld, [betrokkene 3], telefonisch contact opgenomen met de Bank en, kort gezegd, geklaagd over de verhoging van de opslagen. Hem is toen kenbaar gemaakt dat de Bank hiertoe was gerechtigd op grond van de in de kredietcontracten opgenomen bepaling “Alle condities zijn van toepassing tot nadere aankondiging.”
In een contract van 10 juni 2010 zijn de kredietafspraken tussen SnowWorld en de Bank opnieuw vastgelegd. Aan SnowWorld werd beschikbaar gesteld:
- een multi purpose faciliteit van € 750.000,--, te gebruiken als rekening-courant of voor het stellen van garanties. Hiervoor geldt een debetrente op jaarbasis van de éénmaands Euribor, vermeerderd met een kredietopslag van 1,75% en de liquiditeitspremie.
- een rekeningcourantfaciliteit met een limiet van € 50.000.000,-- waarvan de limiet ieder kwartaal zou worden teruggebracht, jaarlijks voor een bedrag van € 4.000.000,--. Hiervoor geldt tot een debetsaldo van € 42.000.000,-- een debetrente op jaarbasis van de éénmaands Euribor met een kredietopslag van 1,75% en de liquiditeitspremie, en vanaf een debetsaldo van € 42.000.000,- een debetrente op jaarbasis van de éénmaands Euribor met een kredietopslag van 5,5% en de liquiditeitspremie.
Telkens is vermeld dat de liquiditeitspremie ‘thans 0,500%’ bedraagt en is uitgelegd dat de hoogte van de liquiditeitspremie afhankelijk is van ontwikkelingen op de geldmarkt en dat deze te allen tijde door de Bank kan worden gewijzigd. Wijzigingen zullen schriftelijk worden medegedeeld. Onder het kopje ‘Overige provisies en kosten’ staat verder vermeld: “Alle condities zijn van toepassing tot nadere aankondiging.”
Op 17 juni 2010 zijn de renteswaps 4 t/m 8 voortijdig beëindigd en heeft SnowWorld renteswap 9 bij de Bank afgesloten. Blijkens een transactiebevestiging van 17 juni 2010 betrof deze renteswap een hoofdsom van € 40.000.000,--, een door SnowWorld te betalen vaste swaprente van 3,81% en een door SnowWorld te ontvangen variabele rente van éénmaands Euribor. De renteswap had een looptijd van 1 juli 2010 tot 2 januari 2023.
Bij aangetekende brief van 23 november 2016 heeft de toenmalige advocaat van SnowWorld bij de Bank erover geklaagd dat aan haar renteswaps zijn verkocht, terwijl dit geen passend product voor haar was, en dat zij onvoldoende was geïnformeerd.
Omdat SnowWorld in december 2018 is overgestapt naar een Belgische bank, is toen renteswap 9 voortijdig beëindigd. Vanwege de negatieve waarde van die renteswap heeft SnowWorld een bedrag van € 1.201.600,-- aan de Bank betaald.
3 Procesverloop
Bij inleidende dagvaarding van 1 april 2019 heeft SnowWorld de Bank gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). SnowWorld heeft verschillende vorderingen ingediend.3 De meeste van die vorderingen zijn thans in cassatie niet meer aan de orde. Voor zover van belang heeft SnowWorld gevorderd, samengevat, dat voor recht wordt verklaard dat de Bank in strijd met de zorgplicht en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld dan wel is tekortgeschoten door op het rekening-courantkrediet renteopslagen in rekening te brengen. SnowWorld heeft gevorderd dat de Bank wordt veroordeeld tot vergoeding van de geleden schade als gevolg van de in rekening gebrachte renteopslagen, begroot op € 1.644.282,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. SnowWorld heeft verder gevorderd dat de Bank wordt veroordeeld in de proceskosten.
De Bank heeft verweer gevoerd.4 Voor zover van belang heeft zij betwist dat voor de opslag een contractuele basis ontbreekt. De Bank heeft verder het verweer gevoerd dat de aan de opslag gerelateerde vordering is verjaard en dat SnowWorld haar klachtplicht als bedoeld in art. 6:89 BW heeft geschonden.5
Bij eindvonnis van 12 mei 20216 heeft de rechtbank het gevorderde afgewezen, met veroordeling van SnowWorld in de proceskosten en de nakosten. De rechtbank heeft de stellingen van SnowWorld aldus begrepen, dat haar bezwaren zich richten tegen het verhogen van de opslag met de liquiditeitspremie, waarvoor volgens SnowWorld geen grondslag bestaat althans waarvan het ontoelaatbaar is dat de Bank van die grondslag gebruik heeft gemaakt (r.o. 4.23). De rechtbank heeft uit die stellingen verder afgeleid dat het door SnowWorld gevorderde bedrag van € 1.644.282,-- is gegrond op onverschuldigde betaling respectievelijk schadevergoeding wegens tekortschieten (r.o. 4.23). De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen van SnowWorld, bij gebreke van een tijdige stuitingshandeling, zijn verjaard voor zover deze zijn gebaseerd op de verhoging van de opslag met de liquiditeitspremie (r.o. 4.27). Zij heeft daartoe overwogen:
“4.26. Van de verhoging van de opslag met de liquiditeitspremie is SnowWorld bij brief van 11 maart 2009 op de hoogte gesteld. [betrokkene 3] heeft tijdens de zitting verklaard dat SnowWorld naar aanleiding van de verhoging in 2009 contact heeft opgenomen met Fortis en hierover meermalen telefonisch heeft geklaagd. Hieruit volgt dat SnowWorld vanaf 2009 voldoende zekerheid had dat de betaling van de verhoogde opslag zonder rechtsgrond is geschied. Ook is SnowWorld vanaf dat moment bekend met de schade en had zij vanaf toen ook voldoende zekerheid dat deze schade is veroorzaakt door foutief handelen van Fortis. Uit hetgeen SnowWorld naar voren brengt, kunnen ten aanzien van het verwijt rondom de opslag geen omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 3.3.3. van HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603 worden afgeleid, namelijk omstandigheden die meebrengen dat zij ter zake de opslag pas na een later verkregen juridisch advies geacht kan worden voldoende zekerheid te hebben dat zij schade heeft geleden als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van ABN AMRO. Hiervoor heeft zij onvoldoende gesteld. Verder heeft SnowWorld geen argumenten aangedragen waaruit een ander aanvangsmoment voor de verjaringstermijn dan 11 maart 2009 kan worden afgeleid.”
In hoger beroep
SnowWorld is, onder aanvoering van vier grieven, van het eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof). In hoger beroep heeft SnowWorld bij memorie van grieven haar vordering beperkt tot de vordering die is gebaseerd op de verhoging van de renteopslagen met de liquiditeitspremie.7 SnowWorld heeft gevorderd dat het hof het vonnis van 12 mei 2021 vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de Bank veroordeelt tot betaling aan haar van een bedrag van € 1.644.282,--, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van de Bank in de proceskosten van beide instanies.
De Bank heeft geconcludeerd dat het hof het hoger beroep verwerpt en het eindvonnis bekrachtigt, met veroordeling van SnowWorld in de proceskosten van het hoger beroep inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 7 juni 2023 doen bepleiten, elk aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Van de pleidooien is proces-verbaal opgemaakt.
Bij arrest van 9 januari 2024 heeft het hof het vonnis van 12 mei 2021 bekrachtigd en SnowWorld veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
De vierde grief van SnowWorld richtte zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering met betrekking tot het in rekening brengen van de liquiditeitspremie is verjaard. Het hof heeft eveneens geoordeeld dat die vordering is verjaard. Na eerst in r.o. 5.5 het juridisch kader te hebben weergegeven met betrekking tot de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW heeft het hof, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“5.7. In deze zaak gaat het niet om een verhoging van de (niet uitgeruilde) kredietopslagen, maar om de zogenoemde liquiditeitspremie die de Bank vanaf 1 januari 2009 in rekening is gaan brengen. Feitelijk komt die erop neer dat er een extra verhoging van de opslag plaatsvond. De Bank stelt daartoe gerechtigd te zijn op basis van de afzonderlijke kredietovereenkomsten, waarin steeds is bepaald “Alle condities zijn van toepassing tot nadere aankondiging”. Ter zitting is door de advocaat van de Bank toegelicht dat voor de Bank de kosten voor met name kredieten in rekening-courant toenamen omdat zij daarvoor telkens op ‘de markt’ nieuw geld moest aantrekken en de kosten daarvan na het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 stegen.
SnowWorld ging kennelijk ervan uit dat zij met de renteswaps de totale rente, inclusief de opslag, had vastgezet en dat de Bank die opslag dus niet eenzijdig mocht verhogen. De hiervoor bedoelde productbeschrijving lijkt in dat opzicht ook een duidelijke uitlating van de Bank te bevatten: “U fixeert de rente en bent volledig beschermd tegen rentestijgingen”. In deze procedure stelt SnowWorld dat de Bank de liquiditeitspremie niet in rekening mocht brengen. Kennelijk vond SnowWorld dit ook al in 2009, toen haar CFO ging bellen met de Bank, nadat deze bekend had gemaakt vanaf begin 2009 een liquiditeitspremie in rekening te gaan brengen. Niet in geschil is dat de Bank toen meteen wat haar betreft klare wijn heeft geschonken door te antwoorden dat zij meende tot deze verhoging gerechtigd te zijn op grond van de onderliggende kredietovereenkomsten. Van een geruststellende mededeling van de Bank was aldus geen sprake. Daarmee moet toen voor de CFO en dus voor SnowWorld duidelijk zijn geweest dat de Bank de overeenkomsten die partijen hadden gesloten, anders uitlegde dan zij. Waar SnowWorld stelt dat zij indertijd van de Bank de door haar overgelegde productomschrijving (die kennelijk is toegesneden op haar situatie, nu zij ook een bedrag van € 50.000.000,00 leende tegen een flexibele rente en de limiet per kwartaal met € 1.562.500,00 verminderde) heeft ontvangen en daarin met zoveel woorden is vastgelegd dat met de swaps de rente was gefixeerd, moet het bovendien ervoor worden gehouden dat toen voor haar duidelijk moet zijn geweest dat de Bank vond dat de mededeling in dit stuk niet aan het in rekening brengen van de liquiditeitspremie in de weg stond. Zoals reeds opgemerkt, kwam de liquiditeitspremie feitelijk neer op een opslag op de rente. Daardoor kon ondanks de swap de door SnowWorld te betalen rente nog steeds stijgen, terwijl niet is gesteld of gebleken dat de Bank voor dit risico expliciet had gewaarschuwd bij het aangaan van de renteswap. Ook als op het moment dat de CFO belde met de Bank over de aangekondigde verhoging via de liquiditeitspremie, voor SnowWorld wellicht nog niet geheel duidelijk was op welke contractuele bepalingen de Bank zich beriep en SnowWorld zelf wellicht niet in staat was een precieze juridische beoordeling te maken (vgl. HR:2004:LJN AR1739), laat dit onverlet dat voor haar op dat moment duidelijk moet zijn geweest dat de Bank een andere visie had op de afspraken die partijen hadden gemaakt en dat als SnowWorld het gelijk aan haar zijde had, de Bank zonder recht handelde. Als professionele partij moet SnowWorld in 2009 voldoende kennis en inzicht hebben gehad om te begrijpen dat er voor haar grond was de juistheid van de stellingname van de Bank te betwisten. Deze al in 2009 bestaande situatie, vormt nu de grondslag voor haar vordering.
Het hof is van oordeel dat SnowWorld in 2009 al duidelijk moet zijn geweest dat zij de Bank kon aanspreken op de grond dat de Bank haar met de swaps een product had verkocht dat zou moeten beschermen tegen rentestijgingen, terwijl de Bank tegelijkertijd meende contractueel gerechtigd te zijn de voor SnowWorld geldende renteopslag via de liquiditeitspremie te verhogen, zonder dat voor dat risico uitdrukkelijk was gewaarschuwd. Aldus moet SnowWorld in 2009 daadwerkelijk bekend zijn geweest met de door haar gestelde schade (de beweerdelijk ten onrechte in rekening gebrachte liquiditeitspremie) en de daarvoor aansprakelijke persoon, te weten de Bank die in de visie van SnowWorld haar toezeggingen niet nakwam omdat de overeenkomst haar daartoe het recht zou geven. Het betoog van SnowWorld dat zij pas na contact met de stichting Swapschade in 2016 op de hoogte raakte van kort gezegd haar juridische positie, wordt daarom verworpen.
Het gegeven dat telkens met het betalen van de liquiditeitspremie in de visie van SnowWorld opnieuw schade werd geleden, maakt voor de vraag wanneer de termijn voor de verjaring is gaan lopen geen verschil. Bij een voortdurende schade, zoals het hier aan de orde zijnde betalen van de liquiditeitspremie, geldt dat ook al in 2009 was te voorzien dat deze schade grotendeels in de toekomst zou worden geleden, zodat SnowWorld op dat moment kan worden geacht bekend te zijn met het ontstaan van deze schade.
SnowWorld heeft een aantal jaren berust in de mededelingen van de Bank. Ook na de duidelijke mededelingen omtrent de liquiditeitspremie in het […] contract van 10 juni 2010, waarbij de kredietafspraken zijn geherstructureerd, heeft zij zich niet geroerd. Pas in november 2016 […] heeft zij zich tot de Bank gewend. Naar het oordeel van het hof stelt de Bank zich terecht op het standpunt dat haar vordering tot schadevergoeding toen reeds was verjaard omdat er meer dan vijf jaar waren verstreken vanaf het moment dat SnowWorld bekend was geworden met haar schade en met de partij die daarvoor aansprakelijk was, zijnde de Bank. Dat zij zich pas na uitlatingen in de media is gaan realiseren dat zij mogelijk een claim had op de Bank, maakt dit niet anders.
SnowWorld heeft haar vordering tevens gebaseerd op onverschuldigde betaling. Een dergelijke vordering verjaart ingevolge artikel 3:309 BW kort gezegd vijf jaar nadat de schuldeiser (SnowWorld) bekend is geworden met zowel zijn vordering als met de persoon van de ontvanger (de Bank). Het gaat er om of de benadeelde daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering in te stellen. Voor het gaan lopen van deze verjaringstermijn is daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid vereist met de ter zake doende feiten en omstandigheden, zij het dat een absolute zekerheid omtrent die feiten niet vereist is, maar een redelijke mate van zekerheid daaromtrent volstaat.
Feitelijk komt het er dan op aan wanneer SnowWorld moet hebben begrepen dat zij de sinds 1 januari 2009 in rekening gebrachte liquiditeitspremie – in haar visie – onverschuldigd betaalde aan de Bank. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat dit ook moet zijn geweest op het moment dat haar CFO in het voorjaar van 2009 belde met de Bank. SnowWorld was vanaf dat moment daadwerkelijk in staat een vordering uit onverschuldigde betaling in te stellen op de grond dat de Bank niet gerechtigd was de liquiditeitspremie in rekening te brengen. Zij moet toen hebben begrepen dat de Bank iets deed wat zij in de ogen van SnowWorld niet mocht doen en dat SnowWorld in dat kader dus een (vermeende) vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op de Bank had. Dat zij daarna steeds opnieuw de liquiditeitspremie heeft betaald, maakt daarbij geen verschil, omdat de grondslag voor de vordering ook daarna bleef dat de Bank niet bevoegd was de liquiditeitspremie in rekening te brengen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de korte verjaringstermijn van artikel 3:309 BW, evenals de korte verjaringstermijn van art. 3:310 BW, in het teken staat van de rechtszekerheid en de billijkheid. Een benadering waarin de latere betalingen, die op identieke gronden leiden tot onverschuldigde betalingen, nieuwe verjaringstermijnen zouden kunnen doen aanvangen, doet afbreuk aan de rechtszekerheid, terwijl de billijkheid daarmee niet is gediend.
In het licht van het voorgaande faalt ook het betoog van SnowWorld dat de verjaring van haar vorderingen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”
[cursief origineel, A-G]
In cassatie
Bij procesinleiding van 9 april 2024 heeft SnowWorld – tijdig – bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld van het arrest van 9 januari 2024 (hierna: het arrest). De Bank heeft een verweerschrift ingediend waarin zij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. SnowWorld heeft ervan afgezien haar standpunt nader toe te lichten. De Bank heeft haar standpunt schriftelijk doen toelichten. SnowWorld heeft gerepliceerd.