Parket bij de Hoge Raad, 17-06-2025, ECLI:NL:PHR:2025:674, 23/03866
Parket bij de Hoge Raad, 17-06-2025, ECLI:NL:PHR:2025:674, 23/03866
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 17 juni 2025
- Datum publicatie
- 17 juni 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:674
- Zaaknummer
- 23/03866
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Medeplegen poging doodslag door slachtoffer tweemaal met vleesmes in/rondom oog te steken. Eerste middel over bewijs aanmerkelijke kans op dood in oog faalt. Tweede middel bevat slagende klacht over redelijke termijn in hoger beroep. Hof heeft miskend dat redelijke termijn van zestien maanden gold omdat verdachte voorlopige hechtenis onderging. Ook derde middel over overschrijding inzendtermijn slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft duur opgelegde straf, tot zodanige beslissing als de Hoge Raad op grond van artikel 440 Sv gepast zal voorkomen en tot verwerping beroep voor het overige.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03866
Zitting 17 juni 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 26 september 2023 (parketnummer 22-000407-20) het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2020 waarbij de verdachte is veroordeeld wegens “medeplegen van poging tot doodslag” met verbetering van gronden bevestigd, behalve ten aanzien van de strafoplegging. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.1
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen gaan over (1) het bewijs van het voorwaardelijk opzet op de dood, (2) overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en (3) overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.
2 Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van de aangever onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 14 juni 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, hij, verdachte, en zijn mededader die [slachtoffer] meermalen in het gezicht hebben gestoken met een mes, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
Voor de inhoud van de bewijsmiddelen verwijs ik naar de Promis-overwegingen uit het bevestigde vonnis van de rechtbank. Op grond van die bewijsmiddelen is het hof – in navolging van de rechtbank – tot het oordeel gekomen dat de verdachte de aangever twee keer met een mes heeft gestoken, één keer in zijn oog en één keer boven zijn oog. De bewijsmiddelen houden in dat het mes een groot vleesmes betrof.2 Wat betreft het letsel is voor het bewijs gebruik gemaakt van een verklaring van de chirurg die inhoudt dat één van de steken met dusdanige kracht is geweest dat de neusholte onder de oogkas gebroken/geperforeerd was. De andere steek is door het oog gegaan en mogelijk ook in de hersenen van de aangever terechtgekomen.3
Met betrekking tot het opzet van de verdachte heeft het hof – in navolging van de rechtbank – als volgt overwogen:
“De rechtbank ziet in het hiervoor vastgestelde verloop van de gebeurtenissen weliswaar aanknopingspunten voor het oordeel dat de verdachte de intentie had om aangever van het leven te beroven (vol opzet), maar is met de officier van justitie en raadsvrouw van oordeel dat vol opzet niet bewezen kan worden. De vraag is dan of bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever. Hiervan is sprake indien er een aanmerkelijke kans is geweest dat de dood zou intreden en de verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank overweegt als volgt.
[verdachte] heeft aangever van dichtbij tweemaal met een mes in het gezicht gestoken, één keer in zijn oog en één keer boven zijn oog. Dit handelen van [verdachte] is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm - in tegenstelling tot hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd - zozeer gericht geweest op het toebrengen van fataal letsel; dat het niet anders kan dan dat hij de aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever bewust heeft aanvaard; hij heeft dit op de koop toe genomen. Het is namelijk een algemene ervaringsregel dat delen van het hoofd, en met name de ogen, dusdanig kwetsbaar zijn dat, indien daarin met een mes wordt gestoken, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft. Uit de medische verklaring blijkt bovendien ook dat één messteek door het oog is gegaan en bijna in de hersenen van aangever was gekomen. Door aangever op deze wijze te steken met een mes heeft [verdachte] dan ook (op zijn minst) de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever als gevolg daarvan het leven zou laten. Hij heeft dan ook voorwaardelijk opzet gehad op de dood van aangever.”
In het middel wordt geklaagd dat het onjuist is dat het een algemene ervaringsregel is dat het met een mes steken in de ogen van een slachtoffer een aanmerkelijke kans op de dood tot gevolg heeft. In zijn algemeenheid kan ik de stellers van het middel daarin wel vinden, maar dat is niet wat het hof heeft overwogen. Het hof heeft overwogen dat delen van het hoofd, en met name de ogen, dusdanig kwetsbaar zijn dat, indien daarin wordt gestoken, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft. Daarbij heeft het hof vervolgens betrokken dat één steek van de verdachte door het oog van de aangever is gegaan en bijna zijn hersens heeft geraakt. Dat het hof heeft geoordeeld dat daarmee een aanmerkelijke kans bestond dat de aangever als gevolg daarvan het leven zou laten, is mijn inziens niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij betrek ik ook dat het hof heeft vastgesteld dat het mes een groot vleesmes was en in ieder geval een van de steken met kennelijke kracht is toegebracht.
Het eerste middel faalt.
3 Het tweede middel
Met het tweede middel wordt geklaagd dat het hof bij de beoordeling van de redelijke termijn in hoger beroep ten onrechte een periode van twee jaren tot uitgangspunt heeft genomen omdat de verdachte ten tijde van het instellen van hoger beroep op 3 februari 2020 en nadien tot 12 oktober 2022 in voorlopige hechtenis verbleef.
Ten aanzien van de redelijke termijn in hoger beroep overweegt het hof in zijn strafmotivering als volgt:
“Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in hoger beroep is overschreden. De termijn in hoger beroep is immers aangevangen op 3 februari 2020 toen het hoger beroep namens de verdachte werd ingesteld. Omdat het hof uitspraak doet op 26 september 2023 is de termijn in hoger beroep met ruim 1,5 jaar overschreden. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat het hof in plaats van de eerder genoemde passende gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden zal opleggen.”
Uit de stukken van het geding blijkt het volgende:
(i) de verdachte heeft op 3 februari 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank;
(ii) ten tijde van het instellen van het hoger beroep en nadien bevond de verdachte zich in voorlopige hechtenis;
(iii) de voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 12 oktober 2022 geschorst;
(iv) het hof heeft einduitspraak gedaan op 26 september 2023.
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte zich op het moment van instellen van hoger beroep in voorlopige hechtenis bevond in verband met deze zaak en dat op 12 oktober 2022, tijdens de behandeling van zijn zaak in hoger beroep en ruim twee jaren en acht maanden na het instellen van hoger beroep, de voorlopige hechtenis is geschorst.
Vooropgesteld moet worden dat bij de berechting van de zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM indien de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen twee jaar na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak. Indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, behoort het geding in de regel met een einduitspraak te zijn afgerond binnen zestien maanden na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel.4 Dit geldt mijns inziens ook in de onderhavige zaak, waarin de verdachte na het instellen van het hoger beroep, maar op enig moment voor de einduitspraak, in vrijheid is gesteld omdat de voorlopige hechtenis door het hof is geschorst.5
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft drie jaren en bijna acht maanden geduurd, waarvan de verdachte de eerste twee jaren en ruim acht maanden voorlopige hechtenis onderging. Uit de vaststelling van het hof dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met ruim anderhalf jaar, volgt dat het hof is uitgegaan van een maximale redelijke termijn in hoger beroep van twee jaren. Dat is niet zonder meer begrijpelijk omdat het hof – gelet op de voorlopige hechtenis van de verdachte – tot uitgangspunt had moeten nemen dat einduitspraak moest worden gedaan binnen zestien maanden nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Het middel klaagt daarover terecht.
Ik meen dat terugwijzing ten aanzien van de strafoplegging achterwege kan blijven en de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen. Gelet op de toepasselijke zestienmaandentermijn bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase twee jaar en bijna vier maanden en niet zoals het hof heeft aangenomen, ruim anderhalf jaar. Het rechtsgevolg dat het hof heeft verbonden aan de door hem vastgestelde schending van de redelijke termijn, bestaat daarin dat de anders op te leggen gevangenisstraf van zes jaren is verlaagd met zes maanden. De vraag rijst of het hof bij een juiste aanname van de overschrijding zou zijn gekomen tot een grotere matiging van de straf. Een strafkorting van zes maanden komt overeen met de maximale korting die de Hoge Raad normaal gesproken hanteert bij overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De feitenrechter is echter niet gebonden aan de door de Hoge Raad gehanteerde uitgangspunten voor strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.6 Het is denkbaar dat het hof, indien hij het juiste uitgangspunt zou hebben gehanteerd, tot een grotere matiging van de straf zou zijn gekomen.7 Gelet hierop meen ik dat de overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase met twee jaren en bijna vier maanden derhalve dient te leiden tot vermindering van de opgelegde straf in de mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.