Parket bij de Hoge Raad, 04-07-2025, ECLI:NL:PHR:2025:753, 24/02309
Parket bij de Hoge Raad, 04-07-2025, ECLI:NL:PHR:2025:753, 24/02309
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 4 juli 2025
- Datum publicatie
- 10 juli 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:753
- Zaaknummer
- 24/02309
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Exhibitievordering in niet-IE-zaak (art. 843a (oud) Rv). Rechtmatig belang bij inzage. Voldoende bepaald zijn van de bescheiden waarin inzage wordt gevorderd. Begrip rechtsbetrekking. Afgifte bemiddelingsdossier door advocaat. Aanvullen rechtsgronden (art. 25 Rv). Opheffing en verval van het bewijsbeslag. Eis in de hoofdzaak als bedoeld in art. 704 lid 2 Rv.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02309
Zitting 4 juli 2025
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[eiser] advocaat: mr. R.L.M.M. Tan
tegen
1. [verweerder 1]
2. Sarabel B.V.
advocaat: mr. T. van Tatenhove
1 Inleiding en samenvatting
Deze zaak gaat over een inzagevordering op grond van art. 843a Rv (oud). [verweerders] hebben bewijsbeslag gelegd ten laste van [eiser] , een advocaat die als bemiddelaar heeft opgetreden in een geschil tussen [verweerders] en een zakenpartner van hen ( [de zakenpartner] ).
[verweerders] vorderen in kort geding inzage in een grote hoeveelheid bescheiden. [eiser] heeft in reconventie opheffing van het bewijsbeslag gevorderd. In eerste aanleg zijn zowel de vorderingen in conventie als de vorderingen in reconventie afgewezen. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. Het hof veroordeelt [eiser] in het principale appel tot het verstrekken van afschrift van één overeenkomst aan [verweerders] Voor het overige wijst het hof de inzagevorderingen af. In het incidentele appel wijst het hof de vordering tot opheffing van het bewijsbeslag af, omdat het niet uitgesloten is dat de inhoud van de overeenkomst waarin wel inzage is verleend, aanleiding geeft tot nadere inzageverzoeken, al dan niet in het kader van een te starten bodemprocedure. Met het oog daarop hebben [verweerders] belang bij het voortduren van het beslag zodat is gewaarborgd dat documenten niet verloren gaan, aldus het hof.
In het principale cassatieberoep richt [eiser] klachten tegen de afwijzing van de vordering tot opheffing van het bewijsbeslag. Onder meer wordt aangevoerd dat afwijzing van een inzagevordering leidt tot verval van het bewijsbeslag, en dat in het kader van een inzagevordering het niet de vorderingen in een (eventueel aanhangig te maken) bodemprocedure, maar de vorderingen tot het verkrijgen van inzage zijn die moeten worden aangemerkt als ‘eis in de hoofdzaak’ als bedoeld in art. 704 lid 2 Rv. Dit zou door het hof zijn miskend. Deze klachten slagen m.i. niet, omdat het hier niet gaat om verval van het bewijsbeslag, maar om een vordering tot opheffing daarvan. Terecht heeft het hof de vordering tot opheffing beoordeeld aan de hand van een belangenafweging, waarbij is meegewogen dat de inzagevordering grotendeels is afgewezen.
In het incidentele cassatieberoep richten [verweerders] klachten tegen het afwijzen van het overgrote deel van de inzagevorderingen. Onder meer wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat [eiser] geen inzage in het gehele bemiddelingsdossier hoeft te geven. Ook wordt geklaagd dat het hof heeft geoordeeld dat de bescheiden over betalingen van [de zakenpartner] aan [eiser] , waarvan [verweerders] inzage vorderen, onvoldoende bepaald zijn. M.i. slagen deze klachten. Het bestreden arrest kan dus niet in stand blijven.
2 Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan het arrest van het hof Amsterdam van 30 april 2024, rov. 3.1-3.14.1
[verweerder 1] is ondernemer. Sarabel is een persoonlijke investeringsvennootschap van [verweerder 1] .
[eiser] is advocaat. In het verleden heeft hij als advocaat opgetreden voor zowel [verweerder 1] als [de zakenpartner] (hierna: [de zakenpartner] ).
In april 2015 heeft [eiser] [verweerder 1] en [de zakenpartner] met elkaar in contact gebracht. In de periode van juni 2015 en tot en met december 2016 hebben [verweerders] een bedrag van € 75.350.000,- geleend aan [de zakenpartner] , bestemd voor de aankoop en exploitatie van een aantal steengroeven in Iran. Ten tijde van het verstrekken van de eerste lening op 17 juni 2015 (ter hoogte van € 10.000.000,-) is door [verweerder 1] en [de zakenpartner] een letter of intent getekend. Hieruit volgt kort gezegd dat zou worden gekozen voor een joint venture-structuur: [verweerder 1] zou een belang van 50% verwerven in de onderneming die [de zakenpartner] in Iran zou oprichten.
In 2016, toen van het onder 2.3 genoemde bedrag reeds € 65.350.000,- aan [de zakenpartner] ter beschikking was gesteld, konden [verweerder 1] en [de zakenpartner] het niet eens worden over de uitwerking van de joint venture-structuur. [eiser] heeft toen bemiddeld tussen [verweerder 1] en [de zakenpartner] met als doel de samenwerking tussen hen te formaliseren. Onder begeleiding van [eiser] is onderhandeld over een samenwerkingsovereenkomst. In die onderhandelingen is tevens afgesproken dat [verweerder 1] aanvullend € 10.850.000,- (€ 10.000.000,- als investering en € 850.000,- als werkkapitaal) aan [de zakenpartner] zou verstrekken. In december 2016 heeft [verweerder 1] het bedrag van € 10.850.000,- overgemaakt naar de derdengeldrekening van [eiser] , ten behoeve van [de zakenpartner] . Vanaf die derdengeldenrekening heeft [eiser] het bedrag overgemaakt naar Corporate Real Estate B.V., een vennootschap van [de zakenpartner] .
In de eerste helft van 2017 bleek dat [verweerder 1] en [de zakenpartner] het niet eens konden worden over de (uitwerking van de) samenwerkingsovereenkomst. [de zakenpartner] wilde op dat moment de samenwerking met [verweerder 1] niet voortzetten.
Op 11 november 2017 hebben [verweerders] bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam een kort geding aanhangig gemaakt tegen [de zakenpartner] . De vorderingen richtten zich op nakoming van door [verweerders] gestelde afspraken. Bij vonnis van 29 november 20172 zijn die vorderingen afgewezen, kort gezegd, omdat de voorzieningenrechter van oordeel was dat de afspraken waarvan [verweerders] nakoming vorderden onvoldoende concreet waren.
Na het vonnis van 29 november 2017 heeft [eiser] wederom bemiddeld tussen [verweerders] en [de zakenpartner] om zodoende een minnelijke oplossing te bewerkstelligen. Op 12 januari 2018 is, na deze bemiddeling, een (nader uit te werken) vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [verweerders] en [de zakenpartner] (hierna: VSO). Onderdeel hiervan was dat [de zakenpartner] zijn aandelen in de entiteiten waarin de licenties voor de steengroeven werden gehouden zou overdragen aan een nieuw op te richten vennootschap, waaraan ook de schuld uit hoofde van de leningen van [verweerders] zou worden overgedragen. Daarbij werd ook een door deze vennootschap te volgen aflossingsschema overeengekomen, waarbij onder meer uiterlijk op 30 juni 2020 een bedrag van € 15.000.000,- aan [verweerders] moest worden terugbetaald, bij gebreke waarvan het volledig uitstaande bedrag per direct opeisbaar zou zijn.
De FIOD is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen [de zakenpartner] . In oktober 2018 heeft de FIOD aan [eiser] vragen gesteld naar aanleiding van betalingen via zijn derdengeldenrekening. Op 20 december 2018 is [verweerder 1] in dit onderzoek als getuige gehoord. [de zakenpartner] wordt (ten tijde van de procedure bij het hof) verdacht van verduistering, valsheid in geschrifte en witwassen. De aanvankelijke verdenking van oplichting is komen te vervallen.
Op 29 maart 2019 hebben [verweerders] , [de zakenpartner] en [eiser] een bemiddelingsovereenkomst gesloten.3 In die overeenkomst verplicht [eiser] zich om zich in te spannen om de VSO (zie 2.7) zo spoedig mogelijk uit te werken.
Op 19 en 22 juni 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [verweerder 1] . Op 29 juni 2020 heeft [eiser] aan de advocaten van [verweerder 1] en [de zakenpartner] bericht dat hij zijn opdracht als bemiddelaar beëindigde.
In februari 2022 heeft [verweerder 1] van de FIOD een gedeelte van het strafdossier van [de zakenpartner] ontvangen.
Op 15 juni 2022 zijn [verweerders] een bodemprocedure tegen [de zakenpartner] gestart, waarin zij onder meer de aan [de zakenpartner] ter beschikking gestelde gelden terugvorderen. Volgens de dagvaarding zijn die gelden niet aangewend voor de aankoop en exploitatie van de steengroeven in Iran, maar heeft [de zakenpartner] de gelden besteed aan de aankoop van onroerende zaken, casinobezoeken, exclusieve horloges, kunstaankopen etc. Volgens [verweerder 1] is hij het slachtoffer geworden van een geraffineerde oplichting door [de zakenpartner] . In de dagvaarding is opgenomen dat [eiser] een dubbelrol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de VSO tussen [verweerders] en [de zakenpartner] .
Bij verzoekschrift van 27 september 2022 hebben [verweerders] de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verzocht verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van [eiser] op, kort gezegd, alle correspondentie in welke vorm en op welke gegevensdrager dan ook die zich bevindt binnen en buiten het woonadres van [eiser] .4 Na verwijzing heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij beschikking van 7 oktober 2022 het verlof verleend.5 In het dictum van de beschikking is vermeld dat het beslag ziet op:
“- alle correspondentie tussen gerekestreerde [ [eiser] , toevoeging A-G] en de in het verzoekschrift genoemde [de zakenpartner] , zowel op papier als op gegevensdragers, in welke vorm dan ook, inclusief de correspondent[i]e die zich in the Cloud [bevindt], (waaronder in ieder geval ten aanzien van de in randnummer 129 van het verzoekschrift genoemde e-mailadressen/mailboxen; bij die emailboxen dient te worden gezocht met gebruikmaking van de in randnummer 130 van het verzoekschrift subsidiair genoemde emailadressen en/of zoektermen);
- de schriftelijke overeenkomst tussen gerekestreerde en [de zakenpartner] van 12 april 2016;
- informatie over wallets op naam van gerekestreerde of aan hem gelieerde ondernemingen waarin cryptovaluta worden gehouden en informatie betreffende bestaande bankrekeningnummers; rekeningafschriften behoeven vooralsnog niet te worden beslagen nu die bij kennis van de in gebruik zijnde rekeningnummers later altijd nog kunnen worden opgevraagd”.
Op 30 november 2022 is dit bewijsbeslag ten laste van [eiser] gelegd op kopieën van een aantal, in het proces-verbaal van beslaglegging omschreven, bescheiden.6
Bij vonnis van 26 juli 2023 van de rechtbank Amsterdam in de bodemprocedure tussen [verweerders] en [de zakenpartner] heeft de rechtbank de VSO ontbonden en [de zakenpartner] veroordeeld om aan [verweerders] te betalen een bedrag van in totaal ruim € 75 miljoen in hoofdsom.7
3 Procesverloop
Bij kortgedingdagvaarding van 10 januari 2023 hebben [verweerders] [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd uitvoerbaar bij voorraad:
A. ten aanzien van bescheiden waarover [eiser] direct of indirect kan beschikken:
I. [eiser] te veroordelen om binnen een week na het wijzen van het vonnis aan de advocaat van [verweerder 1] afschrift van de volgende bescheiden te verstrekken:
i. het gehele bemiddelingsdossier (inclusief alle communicatie) dat ziet op de bemiddeling tussen [verweerder 1] en [de zakenpartner] door [eiser] ;
ii. de overeenkomst tussen [eiser] en [de zakenpartner] van 12 april 2016, zoals genoemd in het strafdossier (hierna: Overeenkomst);
iii. alle concepten van deze overeenkomst en alle correspondentie over deze overeenkomst; iv. alle bescheiden waaruit betalingen van [de zakenpartner] en/of direct of indirect aan hem gelieerde (rechts)personen (zoals Corporate Real Estate) aan [eiser] en/of direct of indirect aan hem gelieerde (rechts)personen (zoals de te Bonaire gevestigde rechtspersoon die genoemd is in de overeenkomst van 12 april 2016) blijken, waaronder in ieder geval betaalbewijzen, rekeningafschriften of ontvangstbevestigingen;
iv. alle bescheiden waaruit betalingen van [de zakenpartner] en/of direct of indirect aan hem gelieerde (rechts)personen (zoals Corporate Real Estate) aan [eiser] en/of direct of indirect aan hem gelieerde (rechts)personen (zoals de te Bonaire gevestigde rechtspersoon die genoemd is in de overeenkomst van 12 april 2016) blijken, waaronder in ieder geval betaalbewijzen, rekeningafschriften of ontvangstbevestigingen;
v. de inhoud van de rode ordner met opschrift “Mediation”, de zwarte ordner met het opschrift “AMB 040” en de losse A4-documenten die door de deurwaarder in beslag zijn genomen;
vi. de correspondentie en documenten die gewisseld zijn tussen [eiser] en [de zakenpartner] en tussen [eiser] en de raadslieden van [de zakenpartner] , onder wie in ieder geval begrepen mr. Van Bekkum, mr. Brouwer, mr. Wijers en mr. Koets, zowel als geadresseerde als in de cc, schriftelijk en/of elektronisch (waaronder – doch uitdrukkelijk niet beperkt tot – e-mails, brieven, telefoonnotities, (MS Word) bestanden, SMS-, WhatsApp- of Signal berichten) in de periode van 1 januari 2015 tot en met de datum van het vonnis die zien op [verweerder 1] en/of de steengroeven, waaronder in ieder geval (doch niet beperkt tot) alle correspondentie en documentatie over:
a. de aard en omvang van de netwerkactiviteiten die [eiser] verricht zou hebben en waarvoor [eiser] direct of indirect een vergoeding heeft ontvangen;
b. de afspraken die zijn gemaakt tussen [eiser] en [de zakenpartner] over (de verkoop van) de steengroeven, introductie van [verweerder 1] en/of anderszins;
c. de (totstandkoming van de) overeenkomst van 12 april 2016 en de uitvoering daarvan;
d. het gebruik van de derdengeldenrekening van [eiser] en de overboekingen van in totaal € 10.850.000,- naar Corporate Real Estate;
e. de bemiddelingspogingen (waaronder de totstandkoming van de VSO);
f. procedures die [eiser] als advocaat heeft behandeld voor [verweerder 1] ; en
g. het FIOD-onderzoek;
B. ten aanzien van de beslagen bescheiden:
II. de gerechtelijk bewaarder (DigiJuris) te machtigen een selectie te maken van de beslagen bescheiden zoals beschreven in randnummer 107 van de dagvaarding (‘fuzzy search’) en op basis van de zoektermen zoals genoemd in Annex I bij de dagvaarding;
III. [eiser] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis aan de gerechtelijk bewaarder schriftelijk en ondubbelzinnig opdracht te geven om de op 30 november 2022 in beslag genomen bescheiden zo spoedig mogelijk aan de advocaat van [verweerder 1] te verstrekken, voor zover deze onder de door de gerechtelijk bewaarder gemaakte selectie vallen, en van deze opdracht een afschrift te verstrekken aan de advocaat van [verweerder 1] .
Subsidiair hebben [verweerders] ten aanzien van zowel de vorderingen onder A als onder B toewijzing gevorderd onder de voorwaarde en beperking zoals genoemd in randnummer 133 tot en met 135 van de dagvaarding.8
[verweerders] hebben – samengevat – aan de vorderingen ten grondslag gelegd dat [verweerder 1] het slachtoffer is geworden van een geraffineerde oplichting door [de zakenpartner] . [verweerder 1] heeft nog niets terugontvangen van de bijna € 100 miljoen (inclusief rente en kosten) die hij van [de zakenpartner] tegoed heeft. Het is niet duidelijk of [de zakenpartner] de steengroeven in Iran daadwerkelijk heeft verworven. Uit het strafdossier van de FIOD volgt dat [de zakenpartner] wordt verdacht van verduistering, valsheid in geschrifte en witwassen. Zonder tussenkomst van [eiser] was [verweerder 1] nooit een samenwerking met [de zakenpartner] aangegaan. [eiser] heeft vervolgens op cruciale momenten in het proces een dubbelrol vervuld en daarbij misbruik gemaakt van zijn jarenlange vertrouwensrelatie met [verweerder 1] .9
[verweerders] wensen niet alleen tegen [de zakenpartner] maar ook tegen [eiser] civielrechtelijke acties te ondernemen. [verweerders] hebben bewijsbeslag ten laste van [eiser] gelegd om alle mogelijke opties tot verhaal van schade op [eiser] te kunnen onderzoeken. [verweerders] wensen inzage in het beslagen materiaal. [verweerders] vorderen afschrift van (a) bescheiden waarover [eiser] direct of indirect kan beschikken en van (b) bescheiden die door de deurwaarder in beslag zijn genomen. Mogelijk is sprake van een overlap, maar [verweerders] menen belang te hebben bij toewijzing van beide vorderingen. De gevorderde bescheiden zien op rechtsbetrekkingen waarbij [verweerders] partij zijn, zoals bedoeld in art. 843a Rv. Zij hebben een rechtmatig en spoedeisend belang bij de bescheiden die voldoende bepaalbaar zijn.10
[eiser] heeft verweer gevoerd en tevens in reconventie – samengevat – gevorderd dat het op 30 november 2022 gelegde bewijsbeslag met onmiddellijke opgang wordt opgeheven en dat [verweerders] worden bevolen al het in beslag genomen materiaal te vernietigen.
[eiser] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [verweerders] in het beslagrekest de volledigheids- en waarheidsplicht van art. 21 Rv hebben geschonden. Ook doet hij een beroep op zijn verschoningsrecht als advocaat. Daarnaast voert hij aan dat de gang van zaken rondom de beslaglegging onrechtmatig was en dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.11
Op 30 januari 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben daarbij spreekaantekeningen overgelegd.
Bij vonnis van 14 februari 2023 heeft de voorzieningenrechter zowel in conventie als in reconventie de gevraagde voorzieningen geweigerd. Aan deze beslissingen heeft de voorzieningenrechter voor zover van belang het volgende ten grondslag gelegd.
In conventie stelt de voorzieningenrechter allereerst de algemene uitgangspunten voorop die gelden bij bewijsbeslag, onder verwijzing naar de Molenbeek-uitspraak12 (rov. 5.1). Daarna overweegt de voorzieningenrechter dat van een algemeen inzagerecht geen sprake is. Art 843a Rv is bedoeld voor de situatie dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel bekend is, maar dat zij het niet in haar bezit heeft. Een zeer ruime en generieke omschrijving van de gegevens waarin inzage wordt verlangd, staat in de weg aan toewijzing van een vorderingen op grond van art. 843a Rv, zo overweegt de voorzieningenrechter (rov. 5.2).13
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat de onderdelen i, iii, iv en vi van de vordering onder A (zie onder 3.1) niet zien op bepaalde bescheiden zoals bedoeld in art. 843a Rv. De omschrijving in voornoemde onderdelen is te ruim en te generiek om de inzagevordering te kunnen toewijzen. Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrecht zal inzage in deze bescheiden ontaarden in een fishing expedition en reeds daarom is de vordering voor zover die ziet op deze bescheiden niet toewijsbaar (rov. 5.3).
Terzijde overweegt de voorzieningenrechter dat er geen verlof is verleend tot het leggen van beslag op alle correspondentie tussen [eiser] en [de zakenpartner] en evenmin op correspondentie tussen [eiser] en (andere) advocaten van [de zakenpartner] . Weliswaar ziet de vordering onder A hiervoor) niet op de beslagen bescheiden, maar [verweerders] kunnen niet op deze wijze de verlofbeschikking van de voorzieningenrechter omzeilen. Verder kan volgens de voorzieningenrechter niet worden uitgesloten dat de geheimhoudingsplicht van de andere advocaten van [de zakenpartner] (zie onderdeel vi van de vordering onder A) zou worden geschonden indien deze inzage zou worden toegestaan, hetgeen voorshands een gewichtige reden vormt als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv, en dus eveneens in de weg staat aan toewijzing van deze inzagevordering (rov. 5.4).
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat de onderdelen ii en v van de vorderingen onder A voldoende bepaald zijn zoals bedoeld in art. 843a Rv, maar dat niet voldaan is aan het vereiste dat sprake moet zijn van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking. [eiser] heeft, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in dit geding terecht aangevoerd dat de door [verweerders] genoemde rechtsbetrekkingen (vooralsnog) niet veel om het lijf hebben. Dit staat dan ook in de weg aan inzage (rov. 5.5-5.7).
Verder overweegt de voorzieningenrechter dat vraagtekens gezet kunnen worden bij het rechtmatig belang van [verweerder 1] . De belangen lijken namelijk veeleer gelegen in het bewijsbelang van [verweerder 1] in zijn procedure tegen [de zakenpartner] , terwijl [verweerder 1] tot op heden geen bewijsbeslag ten laste van [de zakenpartner] heeft gelegd dan wel een exhibitievordering jegens hem heeft ingesteld (rov. 5.8).
Voor wat betreft onderdeel ii van de vordering onder A (de Overeenkomst van 12 april 2016, zie 3.1 hiervoor) overweegt de voorzieningenrechter dat [verweerders] mogelijk belang hebben om van die overeenkomst kennis te nemen, maar dat is echter onvoldoende om de vordering op dit onderdeel toe te wijzen. De inhoud van de overeenkomst staat beschreven in het strafdossier dat in het bezit is van [verweerder 1] en er bestaat geen vrees voor verduistering omdat de overeenkomst in handen is van de FIOD. Bovendien heeft [verweerder 1] op dit moment onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door [eiser] is benadeeld en niet valt in te zien dat de (verdere inhoud van de) overeenkomst van enig belang is voor de onderbouwing daarvan (rov. 5.9).
Voor wat betreft de vordering onder B wordt overwogen dat uit het proces-verbaal van beslaglegging niet is gebleken dat bij de beslaglegging acht is geslagen op de beperkingen die de voorzieningenrechter in de beschikking van 7 oktober 2022 heeft verbonden aan de verlofverlening. Verder geldt, zo vervolgt de voorzieningenrechter, dat een aantal zoektermen zoals opgenomen in Annex 1 bij de dagvaarding te algemeen is om uit de beslagen bescheiden de bescheiden die mogen worden ingezien te kunnen selecteren (rov. 5.9).
Ook de subsidiaire vorderingen wijst de voorzieningenrechter af. Overwogen wordt dat die erop neerkomen dat voor het geval zich onder de beslagen bescheiden geprivilegieerde informatie zou bevinden, [eiser] die bescheiden op twee wijzen aanlevert, een volledig en ongeclausuleerde selectie, en een tweede selectie waarin [eiser] de informatie die volgens hem geprivilegieerd is zwart maakt. Die tweede selectie zou dan aan [verweerder 1] kunnen worden verstrekt en vervolgens zou de voorzieningenrechter, de landelijk deken of een door de voorzieningenrechter aan te wijzen deskundige moeten beoordelen of de zwartgemaakte informatie inderdaad geprivilegieerde informatie betreft. Hoe een en ander praktisch zou moeten worden uitgevoerd is op de mondelinge behandeling van dit kort geding niet nader toegelicht door de advocaten van [verweerders] Daarnaast staat aan toewijzing van de subsidiaire vorderingen in de weg dat met deze ‘beperkte’ inzage het bezwaar dat geen sprake is van bepaalde bescheiden en/of dat geen sprake is van een rechtmatig belang dan wel van een rechtsbetrekking niet wordt weggenomen (rov. 5.10).
Voor wat betreft de reconventionele vorderingen van [eiser] overweegt de voorzieningenrechter dat opheffing van een beslag op grond van art. 21 Rv misleiding op essentiële punten vereist, waarbij aannemelijk moet zijn dat het beslagverlof niet was verleend, indien die misleiding niet had plaatsgevonden. Daarvan is voorshands geen sprake. In het beslagrekest heeft [verweerder 1] , zo vervolgt de voorzieningenrechter, niet meer gedaan dan zijn kijk gegeven op de waarheid, en dat die kijk niet overeenkomt met die van [eiser] ligt voor de hand (rov. 6.2).
Ook het beroep van [eiser] op zijn verschoningsrecht als advocaat als grond voor opheffing van het beslag, slaagt niet. Dit verschoningsrecht komt hem alleen toe als hij als advocaat heeft bemiddeld tussen [verweerder 1] en [de zakenpartner] . In het licht van overgelegde e-mails valt echter niet in te zien hoe [eiser] thans het standpunt kan innemen dat hij heeft opgetreden als advocaat bij zijn bemiddelingswerkzaamheden (rov. 6.3-6.5). Evenmin vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter de gang van zaken rondom de beslaglegging een grond voor opheffing van het beslag (rov. 6.6-6.7).
De conclusie is dan ook dat het beslag (voorlopig) blijft liggen en dat (dus) ook de overige vorderingen van [eiser] niet toewijsbaar zijn, aldus de voorzieningenrechter. Een belangenafweging leidt niet tot een andere uitkomst. Weliswaar zijn de verwijten aan het adres van [eiser] (nog) niet ernstig genoeg om de inzagevordering van [verweerders] te kunnen toewijzen, maar anderzijds roept het optreden van [eiser] , gezien de aanzienlijke betalingen die [de zakenpartner] hem in het vooruitzicht heeft gesteld, vraagtekens op (rov. 6.8).
[verweerders] zijn van het vonnis van 14 februari 2023 in hoger beroep gegaan bij het hof Amsterdam. Onder aanvoering van zeven grieven hebben zij geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis gewezen in conventie en (uitvoerbaar bij voorraad) tot het alsnog toewijzen van hun, in hoger beroep enigszins gewijzigde, vorderingen14 met veroordeling van [eiser] in de (proces)kosten.
[eiser] heeft verweer gevoerd en tevens incidenteel appel ingesteld. Onder aanvoering van zeven grieven heeft hij geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis gewezen in reconventie en (uitvoerbaar bij voorraad) tot het alsnog toewijzen van zijn, in hoger beroep enigszins gewijzigde vorderingen15, met veroordeling van [verweerders] in de (proces)kosten.
[verweerders] hebben verweer gevoerd in het incidentele appel.
Daarna heeft op 15 maart 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt en partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd.16
Bij arrest van 30 april 2024 heeft het hof het bestreden vonnis in conventie vernietigd en opnieuw rechtdoende, samengevat, [eiser] veroordeeld om binnen een week na de datum van het arrest een afschrift van de Overeenkomst te verstrekken aan de advocaat van [verweerders] en de vorderingen van [verweerders] voor het overige afgewezen. Het hof heeft verder het bestreden vonnis in reconventie bekrachtigd. Aan deze beslissingen heeft het hof samengevat het volgende ten grondslag gelegd.
Onder verwijzing naar het arrest Semtex17 stelt het hof voorop dat als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv onder meer heeft te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn (rov. 5.4).
Het hof overweegt vervolgens dat uit de stellingen van partijen en de beschrijving van de Overeenkomst in het FIOD-strafdossier volgt dat door [de zakenpartner] aan (een vennootschap van) [eiser] een vergoeding in het vooruitzicht werd gesteld bij verkoop van de steengroeven, die kon oplopen tot € 10 miljoen. Dit heeft [eiser] niet betwist. Hieruit volgt dat [eiser] een persoonlijk belang had bij de uitkomst van de bemiddeling in het geschil tussen [verweerders] en [de zakenpartner] over de steengroeven. Over een dergelijk belang bij de uitkomst van de bemiddeling had [eiser] als professionele bemiddelaar [verweerders] behoren in te lichten voordat hij de opdracht(en) tot bemiddeling aannam. Het is voorshands voldoende aannemelijk dat [verweerders] , als zij hadden geweten van dit belang van [eiser] , de bemiddeling niet door [eiser] hadden willen laten verzorgen, en dat zij de bemiddelingsovereenkomsten met (een vennootschap van) [eiser] dus bij een juiste voorstelling van zaken niet waren aangegaan. Naar het oordeel van het hof is een geslaagd beroep op dwaling dan ook voorshands voldoende aannemelijk (rov. 5.5).
Naar het oordeel van het hof hebben [verweerders] rechtmatig belang bij het verkrijgen van een afschrift van de Overeenkomst. Zij kunnen daarmee immers zo nodig het bestaan van de toegezegde verkoopbonus bewijzen, alsook de precieze voorwaarden waaronder daarop aanspraak kon worden gemaakt en eventuele tegenprestaties van [eiser] . Van een redelijk belang van [eiser] om [verweerders] daarover geen duidelijkheid, in de vorm van een afschrift van de Overeenkomst, te hoeven geven, is niet gebleken (rov. 5.6).
De vordering van [verweerders] onder A onderdeel ii (tot afgifte van de Overeenkomst) is dan ook toewijsbaar. [eiser] heeft zich ten aanzien van de Overeenkomst uitdrukkelijk niet op zijn verschoningsrecht beroepen. De grieven van [verweerders] tegen de afwijzing van afgifte van de Overeenkomst slagen (rov. 5.7).
Het hof overweegt vervolgens dat [verweerders] ook alle concepten van de Overeenkomst, alle correspondentie over de Overeenkomst, correspondentie en documenten gewisseld tussen [eiser] en (de advocaten van) [de zakenpartner] over de (totstandkoming van de) Overeenkomst en de uitvoering daarvan, en bescheiden waaruit betalingen blijken, vorderen. Het hof is voorshands van oordeel dat [verweerders] geen rechtmatig belang hebben bij het verkrijgen van afschrift van alle correspondentie over de (totstandkoming en uitvoering van de) Overeenkomst. Verder overweegt het hof dat [verweerders] geen specifiek belang hebben gesteld bij hun vordering tot het verkrijgen van afschrift van bescheiden over de betalingen, zodat hiervoor het rechtmatig belang ontbreekt. [verweerders] hebben naar het oordeel van het hof overigens ook geen rechtmatig belang bij het verkrijgen van afschrift van bescheiden over betalingen door (vennootschappen van) [de zakenpartner] aan (vennootschappen van) [eiser] . Voor zover [verweerders] hierbij (mede) het oog hebben op betalingen die zien op door [eiser] ten behoeve van (vennootschappen van) [de zakenpartner] verrichte advocatuurlijke werkzaamheden in andere zaken, hebben [verweerders] niet gesteld dat (en waarom) deze bescheiden relevant zijn voor de verwijten die zij [eiser] in deze zaak maken. Al deze bescheiden zijn bovendien onvoldoende bepaald. De vorderingen van [verweerders] onder A, onderdeel iii, iv en vi onder c) zijn daarom niet toewijsbaar en de door [verweerders] gerichte grieven tegen de afwijzingen van deze vorderingen slagen dus niet. (rov. 5.8).
Onder het kopje ‘overige documenten’ beoordeelt het hof vervolgens in rov. 5.9 tot en met 5.17 de vorderingen tot afschrift (onder A en B) van de overige documenten. Het hof overweegt allereerst dat uit het feit dat [eiser] zelf een belang had bij de uitkomst van de bemiddeling, welk belang niet noodzakelijkerwijs gelijk liep met de belangen van [verweerders] , niet zonder meer volgt dat [eiser] bij de uitvoering van de bemiddeling is tekortgeschoten in zijn verplichtingen of onrechtmatig heeft gehandeld door ten nadele van [verweerders] een uitkomst te bewerkstelligen in het belang van hemzelf of dat van [de zakenpartner] . Daartoe dienen [verweerders] concrete feiten of omstandigheden waaruit dat blijkt, voldoende aannemelijk te maken (rov. 5.9).
Het hof overweegt vervolgens dat [verweerders] hebben gesteld dat de omstandigheid dat [de zakenpartner] aan [eiser] een bedrag van € 10 miljoen in het vooruitzicht heeft gesteld, al een dermate sterke aanwijzing is dat [eiser] en [de zakenpartner] samenspanden om [verweerders] het bedrag van ruim € 75 miljoen afhandig te maken, dat deze rechtsbetrekking – die mede is gegrond op art. 6:166 BW – voldoende aannemelijk is. Het hof volgt [verweerders] hierin niet (rov. 5.10 - 5.12).
Evenmin volgt het hof [verweerders] in de stelling dat er concrete aanwijzingen zijn dat [eiser] zijn taak als bemiddelaar op een onacceptabele manier heeft vervuld en in de stelling dat [eiser] [verweerder 1] onder druk heeft gezet om de VSO te ondertekenen (rov. 5.11-5.12). Ook uit hetgeen [verweerders] voor het overige hebben aangevoerd ten aanzien van de rol van [eiser] bij de totstandkoming van de VSO, volgt naar het oordeel van het hof niet dat [eiser] bij de uitoefening van de bemiddeling ten nadele van [verweerders] hebben gehandeld en ten gunste van zichzelf en/of [de zakenpartner] (rov. 5.13).
Vervolgens respondeert het hof op de stelling van [verweerders] dat [eiser] vertrouwelijke informatie over [verweerders] heeft gedeeld met [de zakenpartner] . Gelet op de gemotiveerde uiteenzetting van [eiser] dat hij hierbij handelde met toestemming van [verweerders] , hetgeen op zich niet onaannemelijk is, kan volgens het hof in dit kort geding niet worden vastgesteld dat de stelling van [verweerders] juist is. Uit de overige documenten waarnaar [verweerders] in dit kader verwijst, kan gelet op de bemiddelende rol die [eiser] speelde tussen [verweerders] en [de zakenpartner] , evenmin zonder meer worden afgeleid dat [eiser] zonder toestemming van [verweerders] vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met (advocaten van) [de zakenpartner] . In elk geval heeft [eiser] dit gemotiveerd betwist, en kan dit zonder bewijslevering niet worden vastgesteld (rov. 5.14).
Het hof voegt hier nog aan toe dat, anders dan [verweerders] aanvoeren met grief 4, art. 7:403 lid 2 BW geen grondslag biedt voor het verstrekken van het volledige bemiddelingsdossier en de correspondentie die [eiser] in dat verband heeft gevoerd met (advocaten van) [de zakenpartner] (rov. 5.15).
Ten slotte overweegt het hof dat [verweerders] de overwegingen van de rechtbank over de rechtsbetrekking tussen [verweerders] en [de zakenpartner] bestrijden. Naar het oordeel van het hof volgt uit de stellingen van [verweerders] niet dat zij deze rechtsbetrekking ten grondslag leggen aan de vordering ex artikel 843a Rv jegens [eiser] . De enkele – niet toegelichte – opmerking van [verweerders] (in een voetnoot bij de memorie van grieven) dat de gevorderde bescheiden [verweerders] de mogelijkheid bieden de stellingen in de bodemprocedure tegen [de zakenpartner] nader te onderbouwen, is hiervoor niet toereikend. Deze stellingen kunnen derhalve buiten beschouwing blijven (rov. 5.16).
Al met al komt het hof tot de conclusie dat [verweerders] ten aanzien van de overige documenten waarvan zij afschrift vorderen (onder A en B, zie onder 3.1) het bestaan van een rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. De grieven gericht tegen de afwijzing van deze vorderingen door de voorzieningenrechter slagen dus niet (rov. 5.17).
Daarna behandelt het hof de incidentele grieven van [eiser] over de afwijzing van de vordering tot opheffing van het bewijsbeslag. Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat het beroep van [eiser] op schending van art. 21 Rv door [verweerders] in het beslagrekest niet slaagt. Verder is het hof net als de voorzieningenrechter van oordeel dat (de gang van zaken rondom) het gelegde beslag niet onrechtmatig is. De desbetreffende incidentele grieven van [eiser] slagen dus niet (rov. 5.18 - 5.19).
Het hof bespreekt dan gezamenlijk de incidentele grieven 5 tot en met 7. Met grief 5 van het incidenteel hoger beroep betoogt [eiser] dat het beslag moet worden opgeheven omdat niet (meer) is voldaan aan de vereisten gesteld in de Molenbeek-uitspraak van de Hoge Raad. Verder voert [eiser] aan dat de opheffing van het bewijsbeslag voortvloeit uit afwijzing van de inzagevordering (grief 6), althans uit een belangenafweging te maken in het voordeel van [eiser] (grief 7).
Het hof overweegt dat uit het voorlopige oordeel in dit kort geding, dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, grotendeels niet voldoende aannemelijk is gemaakt, niet zonder meer volgt dat het beslag moet worden opgeheven. Daaruit volgt met name niet zonder meer, zo vervolgt het hof, dat het ingeroepen recht summierlijk ondeugdelijk is of het gelegde beslag onnodig. In dit geval wordt de inzagevordering toegewezen met betrekking tot de Overeenkomst. Het is niet uitgesloten dat de inhoud van de Overeenkomst aanleiding geeft tot nadere inzageverzoeken, al dan niet in het kader van een te starten bodemprocedure. Met het oog daarop hebben [verweerders] belang bij het voortduren van het beslag zodat is gewaarborgd dat documenten niet verloren gaan. Het voortduren van het beslag, met de waarborgen waarin het beslagverlof ten gunste van [eiser] voorziet, is voor [eiser] daarnaast weinig belastend, zodat ook een belangenafweging niet met zich brengt dat het beslag moet worden opgeheven. Bij het enkel opheffen van het beslag ten aanzien van de Overeenkomst heeft [eiser] onvoldoende belang, althans dit belang weegt niet op tegen dat van [verweerders] bij het (voorlopig) integraal voortduren van het beslag en het vermijden van kosten die gemoeid zijn met het gedeeltelijk opheffen van het beslag (rov. 5.20).
Het hof komt tot de slotsom dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd, en dat de vordering van [verweerders] onder A.I onder ii (afschrift Overeenkomst) alsnog zal worden toegewezen (rov. 5.21).
[eiser] heeft tijdig18 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam van 30 april 2024. [verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en hebben tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiser] heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [verweerders] hebben gedupliceerd. [eiser] heeft afgezien van repliek.