Home

Parket bij de Hoge Raad, 15-07-2025, ECLI:NL:PHR:2025:796, 24/01916

Parket bij de Hoge Raad, 15-07-2025, ECLI:NL:PHR:2025:796, 24/01916

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15 juli 2025
Datum publicatie
17 juli 2025
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:796
Zaaknummer
24/01916

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van ontvoeren en onttrekken aan het gezag van 2-jarig meisje door haar mee te nemen naar India (art. 47, 279 en 282 Sr). De verdachte zou een van de organisatoren achter deze feiten zijn. Middelen hebben betrekking op de geldigheid van de oproeping in hoger beroep (1), het niet-horen van een getuige à décharge (2) en de immateriële schade die is toegewezen aan het meisje (3). Alle middelen falen en de conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO). Samenhang met 24/01953, 24/02019, 24/02069 en 24/02184.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/01916

Zitting 15 juli 2025

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 13 mei 2024 door het gerechtshof Amsterdam1 wegens “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden” en “medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld is gebezigd en de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Onder meer heeft het hof de vordering van [het kind] toegewezen tot een bedrag van € 5.000,- en ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 24/01953, 24/02069, 24/02019 en 24/02184. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam , heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij is een verweerschrift ingediend.

De zaak in het kort

2.

2.1

Uit de vaststellingen van het hof komt het volgende naar voren. Op 29 september 2016 is de destijds tweejarige [het kind] (hierna: [het kind] ) ontvoerd uit de woning van haar oma in [plaats] . De ontvoering was zorgvuldig voorbereid door de in India woonachtige vader van [het kind] (24/02069). Hij had daartoe de hulp ingeroepen van een groot aantal personen, waaronder de verdachte en [medeverdachte 1] (24/01953). De verdachte heeft onder meer een eerste versie van de begroting voor de uitvoering van de plannen opgesteld. [medeverdachte 1] heeft op zijn beurt onder andere een observatie-opdracht aan [medeverdachte 2] (24/02184) verstrekt. Van de resultaten van de observaties werd aan [medeverdachte 1] verslag gedaan en deze resultaten werden – tezamen met het verdere plan van aanpak – besproken tijdens daartoe georganiseerde bijeenkomsten. Twee dagen vóór de ontvoering werd tijdens een dergelijke bijeenkomst besproken dat de verdachte [medeverdachte 3] (24/02019) had ingehuurd voor assistentie tijdens de uitvoering.

2.2

Kort nadat op de ochtend van 29 september 2016 door [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] werd gemeld dat de moeder van [het kind] de betreffende woning had verlaten, zijn [medeverdachte 3] en twee andere medeverdachten de woning binnengetreden. [medeverdachte 3] had tie-wraps en een stroomstootwapen bij zich en is in een worsteling geraakt met daar aanwezige familieleden van [het kind] . De andere twee medeverdachten hebben [het kind] vanuit de woning meegenomen naar een ophaalpunt in [plaats] , waar haar vader, de verdachte en [medeverdachte 1] hen stonden op te wachten. Laatstgenoemden zijn vervolgens met [het kind] naar de woning van [medeverdachte 1] in Duitsland gereden, waarna de vader van [het kind] haar naar India heeft meegenomen. Ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest verbleef [het kind] daar nog altijd.

De middelen en de bespreking daarvan samengevat

2.3

In de schriftuur wordt in de eerste plaats geklaagd over het oordeel van het hof dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep geldig is betekend (middel 1, eerste deelklacht). Die klacht faalt reeds omdat de oproeping rechtstreeks is toegezonden naar het door de steller van het middel aangehaalde adres (zie hierna onder 3.1 – 3.14). Daarnaast wordt geklaagd over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding (middel 1, tweede deelklacht). Ook die klacht faalt mijns inziens, omdat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de verdachte onvoldoende maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de oproeping hem niet zou bereiken en dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan om aan te nemen dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik had willen maken. Bovendien heeft het hof ervan blijk gegeven bij zijn beslissing een belangenafweging te hebben gemaakt (zie hierna onder 3.15 – 3.19).

2.4

Verder wordt geklaagd over het niet als getuige kunnen horen van [medeverdachte 4] (de vader van [het kind] ). Het betreffende middel 2 faalt naar ik meen, omdat het oordeel van het hof dat het aan zijn inspanningsverplichtingen in dat kader heeft voldaan, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd (zie hierna onder 4.1 – 4.14). Ook het oordeel van het hof dat sprake is van een eerlijk proces is mede daarom niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd (zie hierna onder 4.15 – 4.18).

2.5

Ten slotte wordt geklaagd over de toewijzing van de namens [het kind] ingediende vordering tot vergoeding van immateriële schade (middel 3). Het oordeel van het hof dat zich een geval voordoet waarin de aard en ernst van de normschending zodanig zijn dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen, zou onbegrijpelijk zijn. Ik volg de steller van het middel daarin niet (zie hierna onder 5.1 – 5.26). Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat, gelet op de abrupte wijze waarop de ontvoering heeft plaatsgevonden, “zonder terughoudendheid” kan worden aangenomen dat de beleving van veiligheid en geborgenheid van [het kind] nadelig zijn beïnvloed. Daarnaast heeft het tot uitdrukking gebracht dat en waarom sprake is van een (zeer) ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [het kind] en dat (daarmee) op ernstige wijze en in forse mate (direct) (fundamentele) persoonsbelangen zijn geschonden.

Het eerste middel

Mr. Stroobach deelt het volgende mede:

Mr. Stroobach geeft aan dat zij het rechtshulpverzoek graag wil inzien.

Mr. Stroobach deelt mede:

Het tweede middel

“4. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Eerlijk procesNiettemin zal het hof in het hiernavolgende de 6 EVRM-kwestie beoordelen omdat gegeven het gevoerde verweer die eindbeoordeling dient plaats te vinden, ondanks dat de gevraagde sanctionering geen passende kan zijn.

Het derde middel

“11.1 Vordering van [het kind]

Afronding