Home

Parket bij de Hoge Raad, 25-07-2025, ECLI:NL:PHR:2025:825, 24/04460

Parket bij de Hoge Raad, 25-07-2025, ECLI:NL:PHR:2025:825, 24/04460

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 juli 2025
Datum publicatie
25 juli 2025
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:825
Formele relaties
Zaaknummer
24/04460

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Jeugdrecht. Plaatsing in een pleeggezin mogelijk als pleegzorgaanbieder niet achter de plaatsing staat? Formele pleegzorg (art. 5.1 Jeugdwet) en informele pleegzorg. Geschillenregeling over uitvoering voogdij na gezagsbeeïndiging? Concept wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. IVRK en EVRM.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04460

Zitting 25 juli 2025

CONCLUSIE

L.M. Coenraad

In de zaak

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster in eerste aanleg,

hierna: de GI,

en

de raad voor de kinderbescherming,

regio Noord-Nederland, locatie Groningen,

hierna: de raad voor de kinderbescherming.

Belanghebbenden zijn:

1. [de moeder] ,

hierna: de moeder,

2. [de vader] ,

hierna: de vader,

ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , hierna: de minderjarige,

3. [de oma] ,

hierna: de oma.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

De rechtbank Noord-Nederland heeft in haar beschikking van 6 december 20241 twee prejudiciële vragen gesteld. De zaak gaat in het kort over de plaatsing van een jong kind in het netwerkpleeggezin van zijn oma. De ouders zijn het daar niet meer mee eens en de rechtbank en het hof (tussentijds appel over de plaatsing van het kind) en de betrokken instanties (de GI, de raad voor de kinderbescherming, pleegzorgaanbieder en overige hulpverleners) zijn verdeeld over de vraag of het kind in het gezin van de oma geplaatst kan blijven.

1.2

De eerste vraag stelt aan de orde of een kind in een pleeggezin geplaatst kan worden, indien geen screening heeft plaatsgevonden door een pleegzorgaanbieder, de uitkomst van de screening negatief is of indien de pleegzorgaanbieder geen verantwoordelijkheid voor die plaatsing (meer) wil dragen vanwege grote veiligheidsrisico’s voor het kind.

1.3

Het antwoord op deze eerste vraag luidt mijns inziens dat uit de wet volgt dat het ontbreken van een screening, een negatieve screening of het niet meer achter de plaatsing staan door de pleegzorgaanbieder niet zonder meer de plaatsing van een kind in het pleeggezin in de weg staan. Het oordeel van de pleegzorgaanbieder over het pleeggezin is op grond van de Jeugdwet beslissend voor het al dan niet sluiten van een pleegcontract met een pleegouder, maar niet voor het al dan niet plaatsen van een kind in het gezin van die pleegouder.

1.4

De beslissing waar een kind geplaatst wordt, of blijft, is een beslissing van de GI. Daarbij is de GI gebonden aan de door de kinderrechter bepaalde grenzen van de machtiging tot uithuisplaatsing wat betreft duur en plaats. Zo kan de rechter bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet in een specifiek pleeggezin ten uitvoer mag worden gelegd.

1.5

Het door de pleegzorgaanbieder met de pleegouder gesloten pleegcontract betreft jeugdhulp op grond van de Jeugdwet. De plaatsing van een kind in een pleeggezin door de GI betreft de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel uithuisplaatsing op grond van het Burgerlijk Wetboek. De wet schrijft niet voor dat een pleegcontract een voorwaarde is voor plaatsing van een kind in een pleeggezin. Informele pleegzorg, dat wil zeggen zonder pleegcontract, is blijkens de wetsgeschiedenis ook toegestaan en komt in het bijzonder bij netwerkpleegzorg door familie voor. Uiteraard moet ook in geval van informele pleegzorg de veiligheid van een kind gewaarborgd zijn.

1.6

De door de pleegzorgaanbieder geuite zorgen over de veiligheid van het kind in het pleeggezin vormen naar mijn mening wel een heel belangrijk signaal. Die zorgen moeten aanleiding zijn voor de rechter en de GI om kritisch te toetsen of de plaatsing van het kind in het pleeggezin (nog steeds) voldoet aan de uit kinder- en mensenrechtenverdragen voortvloeiende rechten van het kind. Denk bij deze verdragsrechten aan het belang van het kind (art. 3 IVRK), het recht op veiligheid (art. 19, 20 en 39 IVRK) en het recht op family life (art. 8 EVRM en art. 9 en art. 20 IVRK), bijvoorbeeld door plaatsing bij familie als netwerkpleeggezin.

1.7

Bij die beoordeling door de rechter en de GI zijn de zorgen van de pleegzorgaanbieder over de veiligheid van het kind een zeer belangrijke factor. De rechter en de GI kunnen bij hun beoordeling echter ook andere informatie betrekken. Zo kan de rechter advies van de raad voor de kinderbescherming vragen over de plaatsing van het kind in het pleeggezin.

1.8

De zorgen van de pleegzorgaanbieder kunnen ook aanleiding zijn voor de rechter om het gezag van de ouders nog niet te beëindigen, zodat hij in het kader van de verlengingsbeslissing over de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing periodiek de vinger aan de pols kan houden.

1.9

De tweede vraag ziet op de mogelijkheden van, naar ik begrijp, ouders zonder gezag om geschillen over de uitvoering van de voogdij door de GI aan de rechter voor te leggen.

1.10

In de onderhavige zaak is het gezag van de ouders nog niet beëindigd. Er is dus nog geen sprake van voogdij en dus ook niet van geschillen over de uitvoering daarvan. Deze vraag lijkt vooruit te lopen op de eventuele situatie dat daarvan wel sprake zou zijn. Een antwoord op deze vraag is dan ook niet nodig om op de voorliggende verzoeken te beslissen, zoals artikel 392 lid 1, aanhef, Rv vereist. Gelet op de actuele, niet alleen juridische, maar ook maatschappelijke en politieke relevantie van het onderwerp van de bescherming van pleegkinderen, heb ik de vraag toch kort beantwoord.

1.11

Het antwoord op de vraag luidt mijns inziens dat in de huidige wet en de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten te vinden zijn voor de mogelijkheid voor ouders om in geval van voogdij geschillen over de uitvoering daarvan aan de rechter voor te leggen. En ook in de toekomst is hierin geen verandering te verwachten. Het concept wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming voorziet in de invoering van een algemene geschillenregeling over de uitvoering van de voogdij. Deze regeling staat volgens de concept memorie van toelichting echter uitdrukkelijk niet open voor ouders, nu zij als gevolg van de gezagsbeëindiging niet meer de verantwoordelijkheid hebben over de verzorging en opvoeding van hun kind. Het concept wetsvoorstel voorziet wel in een regeling waarbij ouders worden betrokken bij een jaarlijkse evaluatie van de voogdij.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten, door de kinderrechter weergegeven in de beschikking van 19 juli 20232 en in de beschikking van 16 juli 2024.3

2.2

De moeder en de vader (hierna gezamenlijk ook: de ouders) zijn de ouders van de minderjarige. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de minderjarige uit.

2.3

Sinds 22 februari 2022 woont de minderjarige naar aanleiding van een escalatie tussen de ouders in de thuissituatie bij de oma (moederszijde). Deze plaatsing was aanvankelijk op vrijwillige basis.

2.4

De ouders hebben in februari 2023 laten weten op dat moment niet langer achter de uithuisplaatsing van de minderjarige te staan. Naar aanleiding van een melding van de gemeente Oldambt op 28 maart 2023 over de minderjarige heeft de raad voor de kinderbescherming een onderzoek ingesteld.

2.5

Bij beschikking van de kinderrechter van 19 juli 20234 is de minderjarige op het daartoe strekkende verzoek van de raad voor de kinderbescherming onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar, te weten tot 19 juli 2024, en is een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de oma verleend eveneens voor de duur van één jaar, derhalve ook tot 19 juli 2024.

2.6

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 24 juni 2024, heeft de GI de rechtbank verzocht om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin te verlengen voor de duur van één jaar, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

2.7

Op 16 juli 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de ouders, de oma en een vertegenwoordiger van de GI.

2.8

Bij mondelinge (tussen)uitspraak van 16 juli 2024,5 schriftelijk uitgewerkt op 18 juli 2024, heeft de kinderrechter, voor zover in deze prejudiciële procedure van belang:

- de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 26 november 2024, of zoveel korter of langer als hij nader bepaalt;

- een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling;

- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige niet ten uitvoer mag worden gelegd in het netwerkpleeggezin van de oma;

- de raad voor de kinderbescherming gelast onderzoek te doen naar de vraag of een verdere verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog geëigend is dan wel of een verwijzing naar het vrijwillig kader kan volgen dan wel of een verderstrekkende maatregel in het belang van de minderjarige noodzakelijk is;

- iedere verdere beslissing aangehouden.

2.9

Over zijn beslissing dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige niet ten uitvoer mag worden gelegd in het netwerkpleeggezin van de oma overweegt de kinderrechter in zijn beschikking van 16 juli 2024 als volgt (inclusief geciteerde voetnoot):6

"De kinderrechter vindt dat uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden zonder meer blijkt dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dat een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend.

Die machtiging is eerder gegeven en is door de Gl uitgevoerd door plaatsing van [de minderjarige] bij de oma (mz.). Die plaatsing acht de kinderrechter in strijd met het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en met de Nederlandse wet. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.

Pleegkinderen hebben volgens het IVRK recht op bijzondere bescherming met betrekking tot hun veiligheid. Uit dit verdrag en de daarop gebaseerde regelgeving volgt dat de overheid verplicht is toezicht te houden op de veiligheid van pleegkinderen en hen te beschermen tegen kindermishandeling. Kinderen die mishandeling hebben meegemaakt hebben op grond van artikel 39 van het IVRK recht op passende behandeling die hun herstel en herintegratie in de samenleving bevordert.

Het is om die reden dat de Nederlandse wet preventie van mishandeling regelt met een wettelijk voorgeschreven screening van pleeggezinnen voorafgaand aan de plaatsing. De kinderrechter verwijst naar artikel 5.1 van de Jeugdwet.

De preventie van mishandeling in de pleegzorg krijgt vorm en inhoud met deze in de wet geregelde screening en borgt dat pleegouders in staat zijn om een veilige en stimulerende omgeving te bieden. Bij netwerkpleegzorg moet bovendien extra aandacht voor de veiligheid zijn, omdat er soms nog geen beoordeling van de veiligheid heeft plaatsgehad terwijl het pleegkind zich al wel in het pleeggezin bevindt. In een dergelijk geval moet de noodzakelijke voorbereiding en beoordeling alsnog binnen dertien weken plaatsvinden. Het derde lid van artikel 5 schrijft daarom ten aanzien van netwerkpleegouders voor dat de pleegzorgaanbieder beoordeelt of de jeugdige veilig en verantwoord bij de netwerkpleegouder kan verblijven.7

Met het wegvallen van de pleegzorgaanbieder die oordeelt dat de verzorging en opvoeding van de jeugdige door betrokkene niet veilig en verantwoord is voor een goede ontwikkeling van de jeugdige, is de plaatsing in strijd met het IVR[K; A-G] en de Nederlandse wet.

Als het gaat om [de minderjarige] kan de kinderrechter op grond van het dossier niet vaststellen dat de wettelijke screening heeft plaatsgevonden, maar dat hoe dan ook er geen sprake kan zijn van pleegzorg nadat de pleegzorgaanbieder heeft besloten niet verder te willen gaan met oma (mz.) vanwege de grote veiligheidsrisico's. Over die veiligheidsrisico's rapporteert ook de GI. Het gaat dan om beschuldigingen over mogelijk seksueel misbruik of seksuele insinuaties van de partner van de oma, beschuldigingen over drugsgebruik, het uitwisselingen [uitwisselen; A-G] van morfinepleisters en beschuldigingen over het vervreemden van geld.

De Raad, in zijn onderzoeksrapport van 19 juni 2023, en de Gl hebben ondanks deze zorgen gemeend dat de plaatsing door zou moeten gaan op grond van een belangenafweging. De kinderrechter stelt vast dat het IVRK en de Nederlandse wet geen enkele ruimte bieden voor een belangenafweging. Ook kan niet worden gezegd dat het belang van het kind in de zin van artikel 3 IVRK kan worden gediend met een plaatsing in een pleeggezin waarvan vaststaat of zeer aannemelijk is dat het onvoldoende veilig is.

Een en ander brengt met zich dat de kinderrechter geen verantwoordelijkheid wil dragen voor het nemen van een beslissing die een plaatsing in stand houdt waarvan de pleegzorgaanbieder duidelijk en ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven dat die niet veilig en verantwoord is. De kinderrechter zal daarom wel de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen, voor de duur van de ondertoezichtstelling, zij het dat hij uitdrukkelijk bepaalt dat die niet ten uitvoer mag worden gelegd door plaatsing van [de minderjarige] bij de oma (mz.). De kinderrechter is zich bewust van de verstrekkende gevolgen van zijn beslissing. Hij zal om die reden de beslissing over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar de beslissing dat die uithuisplaatsing niet ten uitvoer mag worden gelegd bij de oma (mz.), niet. Dat betekent dat tegen dit onderdeel van zijn beslissing een eventueel in te stellen hoger beroep schorsende werking heeft."

2.10

De oma is van het gedeelte van voornoemde beschikking dat ziet op de beslissing van de kinderrechter dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige niet in haar gezin ten uitvoer mag worden gelegd in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof).

2.11

Bij tussenbeschikking van 24 september 20248 heeft het hof de raad voor de kinderbescherming verzocht het bij beschikking van de kinderrechter van 16 juli 2024 gelaste raadsonderzoek uit te breiden, in die zin dat ook de vraag wordt beantwoord of een voortgezette plaatsing van de minderjarige bij de oma in het belang van de minderjarige moet worden geacht en of zijn veiligheid daar voldoende is gewaarborgd, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

2.12

Verder overweegt het hof in deze beschikking dat geen sprake is van zodanig acuut gevaar van de minderjarige in de opvoedingssituatie bij de oma dat de uitkomsten van het raadsonderzoek niet kunnen worden afgewacht alvorens het hof beslist. Daartoe overweegt het hof als volgt:

“5.4 Het hof is er op grond van de stukken en de behandeling ter zitting niet van overtuigd geraakt dat er op dit moment een dergelijk acuut gevaar is gelegen in de opvoedingssituatie bij oma. De GI heeft ter zitting verklaard dat oma zich goed houdt aan de afspraken en bodemeisen uit het in samenspraak met 10 voor Toekomst opgestelde veiligheidsplan van november 2023 en het Vervolg hulpverleningsplan van maart 2024. De hulpverlening van 10 voor Toekomst is opgeschaald naar drie keer per week, waarbij zowel geplande als onverwachte bezoeken aan oma plaatsvinden. De GI heeft geen zorgen over de fysieke of seksuele veiligheid van [de minderjarige]. Wel heeft de GI zorgen over de grilligheid in het contact tussen oma en de ouders en over de draagkracht van oma in relatie tot de verzwaarde opvoedingsvraag van [de minderjarige]. Deze zorgen moeten weliswaar worden betrokken bij het oordeel dat het hof in deze zaak moet geven over de vraag of de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten uitvoer mag worden gelegd bij oma, maar maken naar het oordeel van het hof niet dat op dit moment acuut in een andere opvoedingssituatie voor [de minderjarige] moet worden voorzien. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat de raad ter zitting heeft geadviseerd om in afwachting van de uitkomsten van het raadsonderzoek geen wijziging aan te brengen in de woonplaats van [de minderjarige]. Als [de minderjarige] nu naar een ander pleeggezin zou worden overgeplaatst en uit het raadsonderzoek zou blijken dat hij wél bij oma zou kunnen blijven, betekent dit dat [de minderjarige] onnodig is overgeplaatst en dat is volgens de raad schadelijk voor [de minderjarige]. Het heeft volgens de raad de voorkeur om met behulp van de intensieve hulpverlening die oma op dit moment krijgt de situatie in de periode van het raadsonderzoek ‘met stutten en steunen goed genoeg’ te laten zijn voor [de minderjarige], dit vanwege zijn gehechtheid aan oma. De raad heeft ter zitting gelet op de genoemde zorgen niet uitgesloten dat het op enig moment beter voor [de minderjarige] zou kunnen zijn dat hij op een neutrale plek wordt geplaatst, maar de vraag of dat zo is, moet worden onderzocht door de raad. Dat onderzoek zal blijkens de mededeling van de raad in de week na deze zitting van start gaan. Net als de raad acht het hof het van groot belang dat onnodige overplaatsingen van [de minderjarige] worden voorkomen. Nu er geen aanwijzingen zijn dat de situatie van [de minderjarige] acuut onveilig is, is het hof van oordeel dat de uitkomsten van het raadsonderzoek moeten worden afgewacht voordat op het hoger beroep kan worden beslist. Zoals ter zitting is besproken, zal het hof de raad wel verzoeken zijn onderzoek uit te breiden, in die zin dat ook de vraag wordt beantwoord of een voortgezette plaatsing van [de minderjarige] bij oma in zijn belang moet worden geacht en of zijn veiligheid daar voldoende gewaarborgd is.”

2.13

Uit het rapport van de raad voor de kinderbescherming van 28 oktober 20249 blijkt van verschillende visies van de betrokken instanties op het woonperspectief van de minderjarige. De GI is inmiddels van mening dat het perspectief van de minderjarige niet meer bij oma, maar bij een neutraal pleeggezin ligt.10 De bij het pleeggezin betrokken hulpverlener 10 voor Toekomst (Leger des Heils) meent echter dat het perspectief van de minderjarige wel bij de oma ligt.11 De raad adviseert na een weging van door hem genoemde zorgen en krachten dat de minderjarige de kans moet krijgen om te blijven opgroeien in de voor hem vertrouwde gezinssituatie van de oma.

2.14

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 28 oktober 2024, heeft de raad voor de kinderbescherming de kinderrechter verzocht om het ouderlijk gezag van de ouders over de minderjarige te beëindigen en de GI te benoemen tot voogd over de minderjarige.12

2.15

Tijdens de mondelinge behandeling op 12 november 2024 zijn de zaken met betrekking tot het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen en het verzoek van de raad voor de kinderbescherming om het ouderlijk gezag van de ouders over de minderjarige te beëindigen en de GI tot voogd te benoemen gelijktijdig behandeld. Gehoord zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de oma, bijgestaan door haar advocaat, twee vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

2.16

Bij beschikking van de rechtbank van 20 november 202413 heeft de rechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd voor de duur van zes maanden, of zoveel eerder of later als hij nader bepaalt en die beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarnaast zijn in deze beschikking de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen en de inhoud van de door de rechter te stellen prejudiciële vragen, zoals genoemd in r.o. 2.11. en 2.12. van de beschikking:

Vraag 1

2.11.

Is het, gelet op het in de tussenbeschikking van 16 juli 2024 ten aanzien van het toepasselijke verdragsrecht en het wettelijk kader overwogene, mogelijk om een kind toch in een pleeggezin te plaatsen als geen pleegzorgscreening heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is of wanneer de pleegzorgaanbieder tot de slotsom komt dat de plaatsing grote veiligheidsrisico's voor een kind met zich brengt en daarom geen verantwoordelijkheid voor die plaatsing wil dragen?

Vraag 2

2.12.

De rechter constateert dat in de huidige voogdijregeling een effectief rechtsmiddel om geschillen over de uitvoering van de voogdij aan de rechter voor te leggen, ontbreekt.

Moet in geval van een zodanig geschil de rechter naar analogie artikel 1:253a dan wel 1:377a BW toepassen, of is sprake van een zodanig hiaat in de huidige voogdijregeling dat dit de rechtsvormende taak van de rechter overstijgt en de wetgever in dit hiaat moet voorzien?”

2.17

De rechter heeft bij beschikking van 6 december 202414 de Hoge Raad verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing de hiervoor onder 2.16 geciteerde prejudiciële vragen te beantwoorden.15

2.18

De Hoge Raad heeft de vragen in behandeling genomen. De belanghebbenden zijn op grond van artikel 393 lid 1 Rv in de gelegenheid gesteld schriftelijke opmerkingen te maken. Van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.

3 Ter introductie: context van de vragen, terminologie en leeswijzer

3.1

Op het vlak van jeugdbescherming en pleegzorg is veel in beweging. Ik wijs, zonder enige volledigheid na te streven, op het zelfreflectierapport van de familie- en jeugdrechters uit 2023,16 de schok rond de zware mishandeling van het pleegmeisje uit Vlaardingen,17 het concept wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming,18 en, recent, de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) Van Slooten t. Nederland (zie daarover hierna onder 5.10).19

3.2

In het licht van de maatschappelijke, juridische en politieke aandacht voor jeugdbescherming en pleegzorg, mag het geen verbazing wekken dat de onderhavige zaak en de prejudiciële vragen ook buiten de Rechtspraak niet onopgemerkt zijn gebleven. Zo legt De Graaf in haar JPF-noot onder de hiervoor onder 2.8 genoemde uitspraak van de kinderrechter van 16 juli 2024 een verband met het drama van het pleegmeisje uit Vlaardingen.20

3.3

Op 21 mei jl. zijn kamervragen gesteld over screening in de pleegzorg door Tweede Kamerlid Bruyning (NSC) aan de staatssecretarissen van Justitie en Veiligheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De antwoorden op deze kamervragen door staatssecretaris Tielen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Jeugd, Preventie en Sport) zijn op 7 juli 2025 ontvangen door de Kamer. Een deel van de kamervragen betreft de onderhavige prejudiciële vragen. De staatssecretaris onthoudt zich van een antwoord op de kamervragen over de prejudiciële vragen in afwachting van de beantwoording van laatstgenoemde vragen door de Hoge Raad.21

Terminologie

3.4

De wet wijst ‘de kinderrechter’ aan om verzoeken die zien op de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen te behandelen en daarop te beslissen (art. 1:255 BW en art. 1:265b BW). Op verzoeken die zien op de beëindiging van het ouderlijk gezag dient op grond van de wet ‘de rechtbank’ te beslissen (art. 1:266 BW). In het navolgende worden deze termen afhankelijk van de context afwisselend gebruikt. Ook gebruik ik wel overkoepelend de term “de rechter”.

3.5

Specifiek in de context van pleegzorg als jeugdhulp (waarover hierna onder 8) duid ik een uithuisgeplaatst kind hierna aan ook wel aan als ‘kind’ of ‘pleegkind’ en niet als ‘minderjarige’. Op grond van de Jeugdwet kunnen jeugdigen tot 21 jaar, en dus ook jongmeerderjarigen, pleegzorg als jeugdhulp krijgen (art. 5.1 in verbinding met art. 1.1 Jeugdwet). Het gezin waarin het uithuisgeplaatste kind wordt geplaatst, duid ik voor de leesbaarheid aan als “het pleeggezin”, hoewel een kind ook in een gezinshuis of, liever niet, residentiële instelling geplaatst kan worden (zie hierna onder 8.12).

3.6

De termen ‘kinderbescherming’ en ‘jeugdbescherming’ en toepassingen daarvan (zoals kinder- of jeugdbeschermingsmaatregelen) gebruik ik door elkaar.

Leeswijzer

3.7

Ter beantwoording van de prejudiciële vragen, zal ik deze eerst nader duiden (onder 4). Vervolgens ga ik in op het kinder- en mensenrechtelijke kader dat van belang is in geval van uithuisgeplaatste kinderen (onder 5). Daarna behandel ik achtereenvolgens de volgende onderwerpen: ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (onder 6), gezagsbeëindiging en voogdij (onder 7) en pleegzorg (onder 8). Tot slot volgt de beantwoording van de vragen (onder 9).

4 Duiding van de prejudiciële vragen

5 Verdragsrechten

6 Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

7 Gezagsbeëindiging en voogdij

8 Pleegzorg: formeel en informeel

9 Beantwoording van de prejudiciële vragen

10 Conclusie