Parket bij de Hoge Raad, 24-01-2025, ECLI:NL:PHR:2025:89, 24/01511
Parket bij de Hoge Raad, 24-01-2025, ECLI:NL:PHR:2025:89, 24/01511
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 24 januari 2025
- Datum publicatie
- 30 januari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:89
- Zaaknummer
- 24/01511
Inhoudsindicatie
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01511
Zitting 24 januari 2025
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
Liere q.q., C.M. van, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verzoeker](hierna respectievelijk: ‘de curator’ en ‘[verzoeker]’)
tegen
1 [verweerster 1]
2. [verweerster 2]
3. [verweerster 3] B.V.
4. [verweerder 4] (hierna afzonderlijk: ‘[verweerder 4]’)
(hierna allen gezamenlijk: ‘[verweerders 1 t/m 4]’)
5. Grassroots Lawyers N.V.
6. [verweerster 6] (hierna afzonderlijk: ‘[verweerster 6]’)(hierna beiden gezamenlijk: ‘Grassroots c.s.’)
Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten heeft in een door de curator in het faillissement van [verzoeker] aangespannen procedure geoordeeld dat zowel [verweerder 4] als [verweerster 6] als (elkaar opvolgende) advocaten van [verzoeker] een beroepsfout hebben gemaakt in procedures waarin zij [verzoeker] hebben bijgestaan. [verweerder 4] en [verweerster 6] hebben ten onrechte nagelaten om in het kader van deze procedures [verzoeker] te wijzen op en/of te adviseren over de (eventuele) mogelijkheid om een door [verzoeker] getekende promissory note (een verklaring tot aanvaarding van het zijn van hoofdelijke medeschuldenaar) door de echtgenote van [verzoeker] te laten vernietigen op de voet van art. 1:88-89 BW Sint Maarten (hierna: ‘BWSM’), aldus het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten. [verweerder 4] en [verweerster 6] hebben vervolgens hoger beroep ingesteld. Het Gemeenschappelijk hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft in hoger beroep geoordeeld dat de door [verweerder 4] en [verweerster 6] verkozen processtrategieën verdedigbaar waren en dat [verweerder 4] en [verweerster 6] geen beroepsfout hebben gemaakt door [verzoeker] niet te wijzen op en/of te adviseren over de (eventuele) mogelijkheid om de promissory note te laten vernietigen door de echtgenote van [verzoeker]. In cassatie valt de curator deze oordelen aan.
1 Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1
[verzoeker] heeft op 13 juni 2018 een promissory note getekend, waarbij hij zich hoofdelijk schuldenaar verklaart voor een schuld van S.D. Technologies N.V. (hierna, als in het bestreden vonnis: ‘VT SXM’)2 aan Sonesta.
[verzoeker] heeft een Engagement Letter for Legal Services d.d. 17 januari 2019 ondertekend op briefpapier van [verweerder 4].3 Daarin verklaart hij onder andere de General Terms & Conditions van [verweerder 4] te hebben ontvangen en daarmee akkoord te zijn. Het doel van de inschakeling van [verweerder 4] is: “Legal representation and legal related work in the case filed by Resort of the World N.V., h.o.d.n. Sonesta MAHO Beach Resort and Casino.” De cliënten zijn [verzoeker] en twee vennootschappen waarvan hij bestuurder is: VT SXM en Virtual Technology Anguilla Distribution Limited (hierna: ‘VTA’).
Bij vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: ‘het Gerecht’) van 23 juli 2019 zijn [verzoeker] en zijn twee vennootschappen hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Sonesta van USD 58.860,00 alsmede de rente hierover en de proceskosten.4 Het Gerecht heeft [verzoeker] veroordeeld omdat hij de vordering heeft erkend.
Hij werd in die procedure bijgestaan door [verweerder 4]. In een e-mail namens [verweerder 4] van 26 juli 2019 aan [verzoeker] staat de volgende tekst: “If you do not agree with the judgement (...) you can always appeal your case. (...). However, we do not recommend to appeal the case as you have never denied the claims made by Resort of the World N.V.”5
[verzoeker] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Op basis van het vonnis van 23 juli 2019 heeft Sonesta het executoriale beslag op de woning van [verzoeker] en zijn echtgenote op 26 september 2019 overbetekend.
Bij vonnis van het Gerecht van 13 december 2019 is [verzoeker] op verzoek van Sonesta wegens het onbetaald laten van haar vordering persoonlijk in staat van faillissement verklaard.6 In die procedure heeft [verzoeker] in persoon verweer gevoerd.
Per e-mail van 14 december 2019 bericht [verzoeker] aan [verweerder 4] naar aanleiding van zijn faillietverklaring onder meer het volgende: “This is really tough on me and I am completely heart broken. I would like to know if I can come see you on Monday or one of your Lawyers to start the Appeal or stop this Bankruptcy until the case is review[ed] properly.”7Per e-mail van 16 december 2019 bericht [verweerder 4] dat hij, noch zijn kantoorgenoten, tijd hebben voor [verzoeker] en verwijst hem naar drie met name genoemde advocaten.8
Bij beroepschrift van 20 december 2019 is [verzoeker], bijgestaan door [verweerster 6], in hoger beroep gekomen van het faillissementsvonnis.9 Bij vonnis van het Gemeenschappelijk hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: ‘Gemeenschappelijk hof’) van 7 februari 2020 is het faillissementsvonnis bekrachtigd.10
Bij brief van 16 april 2020 heeft de curator [verweerder 4] aansprakelijk gesteld voor de schade van [verzoeker], en dus de faillissementsboedel, omdat [verweerder 4] niet heeft geadviseerd zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat had mogen worden verwacht.11 [verweerder 4] heeft aansprakelijkheid afgewezen.12 Bij brief van 22 juni 2020 is ook [verweerster 6] op dezelfde grond aansprakelijk gehouden (namens de curator).13 [verweerster 6] heeft evenmin aansprakelijkheid aanvaard.14
2 Procesverloop
De curator heeft op 3 juli 2020 een verzoekschrift ingediend bij het Gerecht en, in de woorden van het Gemeenschappelijk hof, het volgende gevorderd:15
“4.1 In deze rechtszaak heeft de curator (in conventie) gevorderd [verweerders 1 t/m 4] en Grassroots16 te veroordelen tot betaling van schade die – kort gezegd – voortvloeit uit de faillietverklaring van [verzoeker], waaronder (misgelopen) proceskostenveroordelingen van [verzoeker] in de procedure tegen Sonesta, gemaakte boedelkosten en nog te maken faillissementskosten. Daarnaast heeft de curator betaling van een voorschot van NAf 35.000 gevorderd, alsmede, voor zover de werkelijke proceskosten niet als schadevergoeding worden toegekend, de hoofdelijke veroordeling van [verweerders 1 t/m 4] en [verweerster 6] c.s. in de proceskosten.”
Deze vorderingen zijn bij vonnis van 14 september 2021 van het Gerecht (grotendeels) toegewezen (rov. 5.).17
Volgens het Gerecht had [verweerder 4] [verzoeker] moeten wijzen op art. 1:88 BWSM in verbinding met art. 1:89 BWSM (voetnoten weggelaten):18
“4.5. Het Gerecht overweegt het volgende met betrekking tot [verweerder 4]. Duidelijk is geworden dat [verweerder 4] geen bemoeienis heeft gehad met het opstellen van de promissory note. [verweerder 4] is uitsluitend ingeschakeld ten behoeve van de procedure die Sonesta tegen twee vennootschappen van [verzoeker] en hemzelf [[verzoeker], A-G] is begonnen. De curator zegt dat [verweerder 4] toen had moeten zien dat de echtgenote niet akkoord was en [verzoeker] had moeten wijzen op de mogelijkheid van buitengerechtelijke vernietiging door haar. Het in r.o. 2.1. aangehaalde doel van de inschakeling van [verweerder 4] gecombineerd met de omstandigheid dat [verweerder 4] zich daadwerkelijk voor [verzoeker] in do procedure bij het Gerecht heeft gesteld, brengt het Gerecht tot het oordeel dat daaruit in elk geval niet een te beperkte opdracht aan hem kan worden afgeleid, zoals [verweerder 4] bepleit. De Engagement Letter en het feit dat [verweerder 4] de mogelijkheid had inhoudelijk verweer te voeren tegen de vordering op grond van de promissory note stelden hem in de gelegenheid om voluit zijn cliënt te adviseren zijn echtgenote de toestemming van [verzoeker] te laten vernietigen. En om deze vernietiging in de procedure in te brengen door middel van een incident tot tussenkomst waarbij de echtgenote als tussenkomende partij aan de zijde van [verzoeker] tot afwijzing van de vordering van Sonesta zou concluderen.
Een advocaat is belast met de partijdige belangenbehartiging van zijn cliënt. Met alle legale middelen mag hij de rechter ervan proberen te overtuigen om de vordering van de eiser af te wijzen. Daaronder valt ook zeker de advisering aan [verzoeker] om zijn echtgenote de toestemming te laten vernietigen. Niet van belang is of de echtgenote de cliënt is van [verweerder 4], maar of door een dergelijk advies de procespositie van [verzoeker] wordt verbeterd, uiteindelijk mogelijk leidende tot afwijzing van de vordering van Sonesta. Uit de eigen stellingen van [verweerder 4] volgt dat hij hierover geen enkel advies heeft gegeven; hij is uitgegaan van de instructie van [verzoeker] dat hij akkoord was met de promissory note. Echter, duidelijk blijkt uit de stukken dat [verzoeker] niet juridisch geschoold is; hij is afhankelijk van de advisering van [verweerder 4]. Door in het geheel niet in te gaan op de mogelijkheid van de buitengerechtelijke vernietiging op grond van artikel 1:88 jo. 89 BW heeft [verweerder 4] [verzoeker] niet in de gelegenheid gesteld om, in overleg met zijn echtgenote, een beslissing te nemen of hij hiervan gebruik wilde maken of niet. Dat had [verweerder 4] als redelijk handelend en bekwaam advocaat wel moeten doen. Temeer omdat deze wetsartikelen staan in het teken van bescherming van het huwelijksvermogen en ook dit een belang is van zijn cliënt dat [verweerder 4] zich had moeten aantrekken. Om deze reden acht het Gerecht het niet van belang dat de echtgenote van [verzoeker] niet de cliënt van [verweerder 4] was. (...)
[verweerder 4] stelt dat het niet ethisch zou zijn geweest om op deze wijze te adviseren omdat, kort gezegd, [verzoeker] inzag dat hij had gefraudeerd met de door Sonesta aan hem voorgeschoten gelden en dat hij dus toch wel aansprakelijk zou zijn op grond van bestuurdersaansprakelijkheid.19 Dit verweer treft geen doel om de volgende redenen. Natuurlijk kan een advocaat een ethische afweging maken en besluiten een bepaald argument of rechtsmiddel niet te gebruiken maar dat moet hij dan wel met zijn cliënt bespreken; zeker nu het gaat om een moreel bezwaar dat [verweerder 4] vindt in de rechtsverhouding tussen Sonesta en [verzoeker] en het niet gaat om gewetensnood van de advocaat zelf (zoals bijvoorbeeld het niet willen liegen voor een cliënt). Uit de stellingen van [verweerder 4] volgt, zoals gezegd, dat hij in het geheel niet met [verzoeker] over de mogelijke vernietiging heeft gesproken zodat aan hem ook niet de keuze is gegeven zelf met zijn echtgenote hierover te spreken of een andere advocaat in te schakelen.
Voor het argument van [verweerder 4] dat [verzoeker] sowieso jegens Sonesta aansprakelijk is geldt hetzelfde. Ook dat had met [verzoeker] moeten worden besproken zodat [verzoeker], en zijn echtgenote, zelf daarover een afweging hadden kunnen maken of zij gebruik zouden maken van de buitengerechtelijke vernietiging.
(...)
Conclusie van het Gerecht is dat [verweerder 4] aansprakelijk is omdat hij [verzoeker] had moeten attenderen op de mogelijkheid van buitengerechtelijke vernietiging van de promissory note.”
Wat [verweerster 6] betreft, overwoog het Gerecht als volgt:20
“4.11. (...) Er is geen opdrachtbevestiging waarin [verweerster 6] de omvang van de door haar te verlenen rechtsbijstand omschrijft. Daarom moet het Gerecht ervan uitgaan, en dat blijkt ook uit r.o. 2.6., dat [verzoeker] bij haar kwam met de expliciete opdracht om ervoor te zorgen dat zijn faillietverklaring zo snel mogelijk moest worden opgeheven. Dat betekent dus dat [verweerster 6] [verzoeker] moest adviseren over alle mogelijke middelen om dit resultaat te bereiken. Uit de eigen stellingen van [verweerster 6] volgt echter dat zij de buitengerechtelijke vernietiging niet met [verzoeker] heeft besproken. Omdat [verzoeker] en zijn echtgenote (die allerlei stukken aanleverde) niet lieten blijken dat de echtgenote het niet eens was met de promissory note besteedde zij hier geen enkele aandacht aan. Echter, van een redelijk en bekwaam handelende advocaat mag worden gevergd dat zij [verzoeker] erop attendeerde dat, zelfs al zou de echtgenote expliciet hebben gezegd het eens te zijn met de promissory note, er een mogelijkheid was van de faillietverklaring af te komen door toch deze buitengerechtelijk te vernietigen; dat was immers de hulpvraag waarmee [verzoeker] bij haar aanklopte. Het is dan aan [verzoeker] en aan zijn echtgenote een eigen afweging te maken.
De overige verweren van [verweerster 6] zijn gelijkluidend aan die van [verweerder 4] en verwezen wordt naar r.o. 4.6. en 4.7.
Conclusie is dat [verweerster 6] aansprakelijk is door [verzoeker] niet te adviseren omtrent de mogelijkheid tot buitengerechtelijke vernietiging door zijn echtgenote als middel om de faillietverklaring te laten opheffen door het Hof in hoger beroep.”
Hoger beroep
[verweerders 1 t/m 4] en Grassroots c.s. hebben op 26 oktober 2021 en 22 september 2021 bij het Gemeenschappelijk hof hoger beroep ingesteld. Het Gemeenschappelijk hof heeft in zijn vonnis van 17 januari 2024, het bestreden vonnis, de vorderingen van de curator afgewezen en het vonnis van het Gerecht vernietigd. Daartoe heeft het Gemeenschappelijk hof als volgt overwogen en geoordeeld.
Het Gemeenschappelijk hof heeft eerst het juridisch kader uiteen gezet:
“Juridisch kader
Bij de beoordeling van de vordering is het uitgangspunt dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in vergelijkbare omstandigheden mag worden verwacht. De zorgvuldigheidsplicht van een advocaat brengt in het geval dat een advocaat een procedure voert mee dat hij zijn cliënt niet onnodig blootstelt aan voorzienbare en vermijdbare risico’s (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406). Een advocaat moet zelfstandig beoordelen wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar handelen en mag zich niet beperken tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk heeft gevraagd (HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0303).”
Daarna heeft het Gemeenschappelijk hof beschreven welk verwijt de curator [verweerder 4] maakt:
“Het verwijt dat de curator [verweerder 4] maakt
De curator verwijt [verweerder 4], kort gezegd, dat hij [verzoeker] niet heeft gewezen op de mogelijkheid dat de promissory note – waarin [verzoeker] zich hoofdelijke medeschuldenaar had verklaard voor een schuld van (een van) zijn vennootschappen (zie 3.1.2 [kennelijk wordt rov. 3.1.1 bedoeld, A-G]) [–, A-G] met een beroep op artikel 1:88 lid 1 onder c BW door zijn echtgenote buitengerechtelijk kon worden vernietigd, zodat [verzoeker] had kunnen ontkomen aan persoonlijke aansprakelijkheid die uiteindelijk tot zijn faillissement heeft geleid. [verweerder 4] erkent dat hij [verzoeker] niet heeft gewezen op die mogelijkheid, maar meent – zo vat het Hof zijn verweer samen – dat dat in de gegeven omstandigheden geen schending van zijn zorgplicht oplevert.”
Het Gemeenschappelijk hof heeft een aantal feiten en omstandigheden genoemd die in dit kader relevant zijn:
“Oordeel hof: geen beroepsfout
[verzoeker] heeft zich gewend tot [verweerder 4] om verweer te voeren in een incassoprocedure die Sonesta jegens hem en de twee vennootschappen had aangespannen (zie 3.1.1 [kennelijk wordt rov. 3.1.2 bedoeld, A-G]). Sonesta stelde een vordering te hebben op VTA. Sonesta had een bestelling geplaatst bij VTA voor de levering van LG tv's en daarvoor USD 83.860 betaald op 29 mei 2017.Toen bleek dat VTA de tv's niet kon leveren binnen de daarvoor gestelde termijn wilde Sonesta terugbetaling van het betaalde bedrag. Op 12 januari 2018 betaalde VTA USD 25.000. Betaling van het resterende bedrag bleef echter uit. Na vele pogingen van Sonesta om haar geld alsnog geïnd te krijgen heeft de gemachtigde van Sonesta VTA bij brief van 16 april 2018 in gebreke gesteld. Vervolgens heeft [verzoeker] op 13 juni 2018 de promissory note ondertekend, waarmee hij zichzelf in privé naast VT SXM als hoofdelijke medeschuldenaren [ik begrijp: medeschuldenaar, A-G] verbond voor de schuld van VTA. In de promissory note is een betalingsregeling overeengekomen, die inhield dat op 13 augustus 2018 het volledige bedrag aan Sonesta zou zijn terugbetaald. Toen betaling ook daarna nog uitbleef is Sonesta een incassoprocedure gestart. Op 30 augustus 2018 heeft zij een verzoekschrift bij het Gerecht ingediend, waarin zij de hoofdelijke veroordeling vorderde van [verzoeker] en de twee vennootschappen tot betaling van USD 58.860 (hoofdsom).
Pas op 17 januari 2019 heeft [verzoeker] zich tot [verweerder 4] gewend. De zaak stond op dat moment voor conclusie van antwoord en zou binnen enkele dagen dienen. [verweerder 4] heeft – onweersproken door de curator – als volgt verklaard over het verloop en de inhoud van het (eerste) gesprek met [verzoeker]. [verweerder 4] heeft met [verzoeker] het verzoekschrift van Sonesta doorgenomen. Hij heeft naar aanleiding van de stellingen in het verzoekschrift (kritische) vragen aan [verzoeker] gesteld, onder andere of het waar was – zoals in het verzoekschrift stond – dat hij met het van Sonesta ontvangen geld een aanbetaling op zijn huis had gedaan. Daarop heeft [verzoeker] beaamd dat het geld van Sonesta voor andere doeleinden was gebruikt. Hij wilde niet voor zijn verantwoordelijkheid weglopen en wilde dat de zaak werd geregeld. Omdat Sonesta hem steeds meer het vuur aan de schenen had gelegd en een betalingsregeling met termijnen had geëist, had hij de promissory note ondertekend. Zijn vrouw was daarvan op de hoogte, zoals zij van de hele kwestie op de hoogte was. Vervolgens heeft [verweerder 4] [verzoeker] voorgehouden dat in het verzoekschrift stond dat hij meermaals de vordering tegenover Sonesta had erkend. Dat werd in een productie (bij het verzoekschrift) bevestigd. [verweerder 4] heeft [verzoeker] voorgehouden dat het een moeilijke zaak zou zijn, dat hij niet de indruk had dat [verzoeker] de promissory note niet vrijwillig had ondertekend en dat, wanneer [verzoeker] geen uitleg kon geven over de besteding van het geld hij mogelijk persoonlijk aansprakelijk kon worden gesteld. (...) Verder gaf [verzoeker] meermaals te kennen dat hij Sonesta het geld wilde terugbetalen, maar dat hij daar meer tijd voor nodig had. Hij wilde daarom dat [verweerder 4] zou aansturen op een regeling. Kosten voor een juridisch gevecht wilde hij niet maken, omdat hij dat geld beter aan Sonesta kon betalen[., A-G]”
Het Gemeenschappelijk hof is vervolgens tot het oordeel gekomen dat [verweerder 4] geen beroepsfout heeft gemaakt, en ook heeft het overwogen dat het niet zonder meer een gegeven was dat [verzoeker] zijn vrouw zou hebben aangespoord om de promissory note te vernietigen als hij zich van de mogelijkheid van vernietiging door zijn vrouw bewust was (nog daargelaten of dat tot het beoogde resultaat had geleid):
“5.4 (...) [verweerder 4] heeft [verzoeker] voorgehouden dat het een moeilijke zaak zou zijn, dat hij niet de indruk had dat [verzoeker] de promissory note niet vrijwillig had ondertekend en dat, wanneer [verzoeker] geen uitleg kon geven over de besteding van het geld hij mogelijk persoonlijk aansprakelijk kon worden gesteld. Daarmee heeft [verweerder 4] [verzoeker] gewezen op de risico's die hij liep en heeft hij op dat punt aan zijn zorgplicht voldaan. (...)
Zoals overwogen moet een advocaat zelfstandig beoordelen wat voor de zaak van nut kan zijn. Dat betekent dat hij niet onder alle omstandigheden kritiekloos mee moet gaan in wat de cliënt wil. Echter, in dit geval was het proberen te komen tot een regeling, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, naar het oordeel van het Hof een alleszins verdedigbare processtrategie, zeker nu [verzoeker] de vordering aantoonbaar meermaals had erkend tegenover Sonesta. Het niet wijzen op de mogelijkheid van vernietiging van de promissory note door de echtgenote kan in deze context niet als een schending van de zorgplicht worden aangemerkt. De vordering van artikel 1:88 BW strekt ter bescherming van de echtgenote en kan daarom alleen door haar worden ingesteld en niet door degene die de schuld is aangegaan. In dit geval was het [verzoeker] die zich – ook namens zijn twee vennootschappen – bij de advocaat meldde en niet (ook) zijn echtgenote, zij was ook niet bij de bespreking aanwezig. Bovendien is naar het oordeel van het Hof gelet op alle omstandigheden, waarbij het uitdrukkelijk de intentie van [verzoeker] was om de zaak te regelen, niet zonder meer een gegeven dat [verzoeker], was hij van de mogelijkheid tot vernietiging door zijn vrouw op de hoogte geweest, haar had aangespoord om daar gebruik van te maken, nog daargelaten of dat tot het beoogde resultaat had geleid. Bij vonnis van 23 juli 2019 zijn [verzoeker] en de twee vennootschappen hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Sonesta van USD 58.860, met rente en proceskosten. Omdat [verzoeker] in eerste aanleg de vordering had erkend, was ook het instellen van hoger beroep weinig zinvol. [verweerder 4] heeft hem dan ook geadviseerd daarvan af te zien. Niet valt in te zien waarom dat advies in de gegeven omstandigheden een schending van de zorgplicht door [verweerder 4] oplevert. Van een beroepsfout is geen sprake.”
Daarna heeft het Gemeenschappelijk hof beschreven welk verwijt de curator [verweerster 6] maakt:
“Het verwijt aan [verweerster 6]
Het verwijt dat de curator [verweerster 6] maakt, komt eveneens erop neer dat zij [verzoeker] in het kader van het hoger beroep tegen het faillissementsvonnis niet heeft gewezen op de mogelijkheid van vernietiging van de promissory note door zijn echtgenote. [verweerster 6] heeft niet bestreden dat zij dat niet heeft gedaan, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Ook zij meent dat zij daarmee niet haar zorgplicht heeft geschonden.”
Ook hier heeft het Gemeenschappelijk hof een aantal feiten en omstandigheden genoemd die relevant zijn:
“Oordeel hof: geen beroepsfout
[verzoeker] heeft zich tot [verweerster 6] gewend nadat hij al in staat van faillissement was verklaard. Het faillissement was bij vonnis van 13 december 2019 uitgesproken op verzoek van Sonesta als schuldeiser op basis van het onherroepelijk geworden vonnis van 23 juli 2019, waarbij [verzoeker] was veroordeeld tot betaling van USD 58.860. Naast de schuld bij Sonesta was er op dat moment een steunvordering bij de hypotheekverstrekker, de PSB-bank. Vast staat dat de opdracht waarmee [verzoeker] zich tot [verweerster 6] wendde was om het faillissement ongedaan te maken door hoger beroep daartegen in te stellen. [verweerster 6] heeft [verzoeker] in de hoger beroep procedure tegen het faillissementsvonnis bijgestaan.
[verzoeker] heeft zich tot [verweerster 6] gewend op 19 december 2019, een dag voordat de termijn voor hoger beroep tegen het faillissementsvonnis zou verstrijken. [verweerster 6] heeft – onweersproken door de curator – onder meer het volgende verklaard over het verloop en de inhoud van het (eerste) gesprek met [verzoeker]. Zij heeft [verzoeker] gevraagd naar de reden om in hoger beroep te gaan. Daarbij ging het [verzoeker] vooral om de steunvordering, de schuld aan de hypotheekbank, de PSB-bank. Volgens hem was daar een misverstand over in die zin dat er op die schuld werd afgelost. Tijdens de meeting heeft [verweerster 6] contact opgenomen met de bank om na te gaan wat de problemen waren. Zij begreep toen dat er een achterstand in de betalingen was. Zij heeft de bank gevraagd om een overzicht van de achterstand. [verweerster 6] heeft geïnformeerd naar het onherroepelijke vonnis waarop het faillissementsvonnis was gebaseerd. Zij heeft dat vonnis gelezen en ook het onderliggende verzoekschrift van Sonesta. Zij heeft doorgevraagd naar de ontvangst door [verzoeker] van de gelden van Sonesta en de besteding daarvan. Ook heeft zij [verzoeker] gewezen op het risico van een strafrechtelijke vervolging. Verder heeft [verweerster 6] geïnformeerd naar de achtergrond van de promissory note waarop [verzoeker] antwoordde dat zijn echtgenote wist wat er speelde en ook van het bestaan van de promissory note op de hoogte was en daarmee instemde. De vader van de echtgenote zou bereid zijn om een bedrag van USD 10.000 te betalen, zodat [verzoeker] op die manier ‘goodwill’ kon tonen aan Sonesta. [verweerster 6] heeft duidelijk gemaakt dat het een moeilijke zaak is en dat er voornamelijk mogelijkheden waren ten aanzien van de steunvordering van de PSB-bank. De afspraak was dat [verweerster 6] zich in het hoger beroep zou richten op het ontbreken van pluraliteit van schuldeisers.”
Het Gemeenschappelijk hof is daarna tot het oordeel gekomen dat [verweerster 6] geen beroepsfout heeft gemaakt en heeft daarbij ook overwogen dat het de vraag is of met een advies om de vernietigingsgrond door de echtgenote te laten inroepen het faillissement zou zijn voorkomen:
“5.9 Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het Hof dat [verweerster 6] heeft gedaan wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat in vergelijkbare omstandigheden mocht worden verwacht. Zij heeft [verzoeker], die zich tot haar wendde om hem bij te staan in een hoger beroep tegen het uitgesproken faillissement, (kritische) vragen gesteld, zich door hem laten informeren, hem voorgelicht en daarbij gewezen op risico's die hij liep. Verder heeft zij in overleg met [verzoeker] en in overeenstemming met de bestaande situatie alsmede de mogelijkheid van een (deel/voorschot)betaling door de schoonvader van [verzoeker] een processtrategie uitgezet, waarbij de pijlen zich zouden richten op de vordering van de PSB-bank en het ontbreken van pluraliteit van schuldeisers. Naar het oordeel van het Hof was dat op dat moment in de gegeven omstandigheden een alleszins verdedigbare processtrategie. Het advies om de echtgenote de promissory note te laten vernietigen lag gezien alle omstandigheden niet voor de hand en het niet wijzen op die mogelijkheid is dan ook niet aan te merken als een schending van de zorgplicht. Daarbij is van belang dat de vordering van artikel 1:88 BW strekt ter bescherming van de echtgenote (die zich niet tot [verweerster 6] had gewend) en de omstandigheid dat op grond van artikel 1:89 BW alleen de echtgenote daar een beroep op had kunnen doen. Overigens is het de vraag of met het advies om de vernietigingsgrond door de echtgenote te laten inroepen het faillissement van de baan zou zijn. Bedacht moet worden dat niet de promissory note maar het inmiddels onherroepelijk geworden vonnis aan de faillissementsaanvraag ten grondslag lag.”
Het Gemeenschappelijk hof is in het dictum van het bestreden vonnis tot de slotsom gekomen dat de vorderingen van de curator moeten worden afgewezen en dat het vonnis van het Gerecht moet worden vernietigd.
Cassatieberoep
Bij procesinleiding van 17 april 2024 heeft de curator, tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden vonnis. [verweerders 1 t/m 4] en Grassroots c.s. hebben zich daartegen verweerd en hun standpunt toegelicht. Ook de curator heeft zijn standpunt toegelicht. De curator heeft gerepliceerd en [verweerders 1 t/m 4] en Grassroots c.s. hebben gedupliceerd.