Parket bij de Hoge Raad, 24-01-2025, ECLI:NL:PHR:2025:97, 24/00603
Parket bij de Hoge Raad, 24-01-2025, ECLI:NL:PHR:2025:97, 24/00603
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 24 januari 2025
- Datum publicatie
- 30 januari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:97
- Zaaknummer
- 24/00603
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Verbintenissenrecht. All-in loon fysiotherapeuten; vordering achterstallig loon over genoten vakantiedagen (art. 7:639 lid 1 BW en art. 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn 2003/88/EG); toepassing arrest HvJEU Robinson-Steele (ECLI:EU:C:2006:177). Verhaalsverbod premies werknemersverzekeringen (art. 20 Wfsv).
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00603
Zitting 24 januari 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1 [de maatschap] ,
2. [eisers 2],
eisers tot cassatie,
verweerders in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
tegen
1 [verweerder 1] ,
2. [verweerster 2] ,
3. [verweerster 3],
verweerders in cassatie,
eisers in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. P.A. Fruytier en mr. F.M. Dekker.
Eisers worden hierna gezamenlijk verkort aangeduid als de maatschap. Verweerders worden aangeduid als de fysiotherapeuten en afzonderlijk als [verweerder 1], [verweerster 2] en [verweerster 3].
1 Inleiding en samenvatting
In deze zaak vorderen drie fysiotherapeuten betaling van achterstallig loon door de maatschap, hun voormalig werkgever. In cassatie staat vast dat partijen bedoeld hebben een ‘all-in’ loon overeen te komen, een bruto maandsalaris waar de vakantietoeslag en het loon over vakantiedagen in zitten. Het brutosalaris van de individuele fysiotherapeut omvat een zogenoemd variabel loon, dat wordt bepaald op basis van een percentage van de door hem of haar gerealiseerde omzet. Daarnaast is een garantiesalaris overeengekomen dat de ondergrens vormt van de beloning van de fysiotherapeut.
Het principaal beroep van de maatschap richt zich onder meer tegen het oordeel van het hof dat deze beloningsafspraak nietig is op het punt van het loon over vakantiedagen. Het oordeel van het hof acht ik echter juist, gelet op Europese rechtspraak over het recht van werknemers op betaalde vakantie. De fysiotherapeuten ontvingen loon in de maand(en) dat zij vakantie genoten, maar bouwden over die dagen geen loon op omdat zij geen omzet genereerden. De overige klachten, onder meer de klacht dat beroep had moeten worden gedaan op het klachtrecht (art. 6:89 BW), zie ik evenmin slagen.
In het incidenteel cassatieberoep is onder meer in geschil of de maatschap de werkgeverslasten kon betrekken bij de berekening van het all-in brutoloon. Volgens de fysiotherapeuten is dat in strijd met het verhaalsverbod van art. 20 Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Het hof heeft geoordeeld dat de maatschap art. 20 Wfsv niet heeft geschonden. Dat lijkt mij juist. Voorts worden motiveringsklachten aangevoerd over de berekening van door twee fysiotherapeuten nog te ontvangen loon. Die klachten slagen.