Home

Parket bij de Hoge Raad, 16-09-2025, ECLI:NL:PHR:2025:997, 24/03117

Parket bij de Hoge Raad, 16-09-2025, ECLI:NL:PHR:2025:997, 24/03117

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16 september 2025
Datum publicatie
16 september 2025
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:997
Zaaknummer
24/03117

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Witwassen (art. 420bis Sr). Post-Keskin. Klacht over afwijzing hof van bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek getuigen à charge (verbalisanten van politie) te horen, gezien stadium van procedure waarin verzoek is gedaan. AG gaat in op overwegingen hof met strekking dat ruimte voor verdediging om eerst bij pleidooi in hoger beroep voorwaardelijk verzoek te doen belastende getuige te horen moet worden beperkt met oog op kwaliteit en effectiviteit van stafrechtspleging. AG concludeert dat middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03117

Zitting 16 september 2025

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

hierna: de verdachte

1 Het cassatieberoep

1.1

De verdachte is bij arrest van 8 augustus 2024, parketnummer 21-001804-23, door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens "witwassen", veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren subsidiair 75 hechtenis.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M. Berndsen heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op de afwijzing van een voorwaardelijk getuigenverzoek en in het tweede middel wordt geklaagd over het gebruik voor het bewijs van niet door de verdediging gehoorde getuigen à charge en gesteld dat dit in strijd is met art. 6 EVRM.

2 De zaak in cassatie

2.1

De verdachte is door het hof veroordeeld voor het doen van een viertal pintransacties met, op slinkse wijze afhandig gemaakte, pinpassen en bijbehorende pincodes. Het bewijs bestaat uit herkenningen van de verdachte door verbalisanten aan de hand van stills van cameraopnamen op de locaties waar de pintransacties werden gedaan aangevuld met de eigen waarnemingen die het hof op de terechtzitting heeft gedaan naar aanleiding van de stills en het het voorkomen van de op de zitting aanwezige verdachte. De verdachte heeft ontkend dat hij de persoon is op de stills. Het verzoek om de betrokken verbalisanten, die kunnen worden aangemerkt als zogenaamde Keskin-getuigen, te horen is door de verdediging pas bij pleidooi op de zitting van het hof in voorwaardelijke zin gedaan, voor het geval het hof de verklaringen voor het bewijs zou willen gebruiken. De getuigen zijn niet eerder door de verdediging gehoord.

2.2

Bijzonder in deze zaak is de grond van de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek door het hof. Deze komt er namelijk in de kern op neer dat het verzoek de getuigen te horen in een zodanig laat stadium, namelijk bij pleidooi in hoger beroep is gedaan, dat een voortvarende en tijdige afdoening van de strafzaak dient te prevaleren. In cassatie staat centraal of deze motivering de afwijzing van het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek kan dragen.

2.3

Ik kom tot de conclusie dat dit niet het geval is en dat het eerste middel slaagt en het tweede middel daarom geen bespreking meer behoeft.

3 De voorwaardelijke getuigenverzoeken en de bewezenverklaring

3.1

Voor de beoordeling van het eerste middel is het voorwaardelijke getuigenverzoek, hetgeen daarover is besproken tijdens de zitting van het hof en de afwijzing van het verzoek in het arrest van het hof relevant. Deze zal ik hierna weergeven alsmede het deel van de bewijsoverweging waarin het hof verwijst naar zijn eigen waarnemingen aan de hand van de stills.

3.2

De pleitnota die de raadsman heeft voorgedragen op de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in over het voorwaardelijk verzoek de getuigen te horen:

“Voorwaardelijk verzoek

21. Indien u cliënt niet aanstonds vrijspreekt verzoek ik uw hof om de zaak aan te houden en te verwijzen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

22. De verdediging wil hen in dat geval aan de hand van de stills in het dossier bevragen over de totstandkoming van de gestelde herkenningen, gelet op de eerdergenoemde onjuistheden en inconsistenties in die herkenningen. De verdediging wil hen verder vragen of zij onderling hebben overlegd, zodat de totstandkoming van de herkenningen toetsbaar is.

23. Nu al deze getuigen belastend hebben verklaard over cliënt is het horen van deze getuigen reeds op grond van de Keskin-jurisprudentie aangewezen. De verdediging meent overigens ook dat het horen van deze getuigen noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek.

24. Indien het verzoek wordt afgewezen geldt dat er geen gegronde reden is om de verzoeken af te wijzen, de door deze verbalisanten opgestelde verbalen zonder meer decisive zijn voor de bewezenverklaring en er geen enkele waarborg kan worden geboden die als voldoende compensatie kan gelden voor het niet horen van deze getuigen. Om die reden zou een veroordeling van cliënt bij die stand van zaken in strijd zijn met art. 6 EVRM.”

3.3

Verder houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep het volgende in:

“Op vragen van de voorzitter antwoordt de raadsman:

U geeft aan dat deze strafzaak vanaf het begin in essentie draait om de betrouwbaarheid van de herkenningen. In eerste aanleg heeft de verdediging de rechtbank niet verzocht om de verbalisanten te laten horen als getuigen. Na het instellen van het hoger beroep heeft de verdediging ook niet bij appelschriftuur onderzoekswensen opgegeven. Aan het eind van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep komt de verdediging met een voorwaardelijk verzoek, inhoudende het horen van de verbalisanten. U vraagt aan mij waarom ik dit in zo’n laat stadium verzoek.

Ik begrijp de vraag heel goed en ik begrijp dat het moment waarop het verzoek wordt gedaan vervelend kan zijn. De verdediging vindt het horen van de verbalisanten op zichzelf niet nodig als onderzoek. De verdediging blijft het verweer voeren dat de herkenningen niet betrouwbaar zijn. Dit geldt ook voor het geval de verbalisanten worden gehoord en zij hun herkenningen bevestigen of nader toelichten. Dit zijn de stills op basis waarvan de herkenningen hebben plaatsgevonden. De stills zijn niet duidelijk en de verdediging meent dat er op basis van deze stills geen herkenningen kunnen plaatsvinden. De verdediging verzoekt het horen van de verbalisanten voor de zekerheid nu voorwaardelijk. Ook gelet op de proces-economie heeft de verdediging dit niet op een eerder moment verzocht.

U vraagt aan mij wat ik bedoel met de proces-economie. U houdt mij voor dat de getuigen inmiddels al gehoord hadden kunnen zijn door de raadsheer-commissaris als de verdediging dit bij appelschriftuur had verzocht.

De verdediging begrijpt het voor zover het voorwaardelijk verzoek tot frustratie bij het hof leidt. De verdediging vindt het op zichzelf geen noodzakelijk onderzoek, behalve als het hof een ander oordeel is toegedaan dan het standpunt van de verdediging en de herkenningen wel voldoende betrouwbaar acht. Dat is de reden dat de verdediging het als voorwaardelijk verzoek naar voren brengt. Wat de verdediging betreft is de zaak duidelijk.”

3.4

Het hof heeft het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuigen bij eindarrest afgewezen. Het arrest houdt het volgende in:

“Voorwaardelijk verzoek

Verzoek van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan om de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] te horen, indien het hof tot een bewezenverklaring zal komen van hetgeen verdachte is tenlastegelegd. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat deze verbalisanten, als decisive te kenmerken, belastend hebben verklaard over verdachte en dat het horen van deze verbalisanten op grond van de Keskin-jurisprudentie is aangewezen. Het niet horen van deze verbalisanten zou in strijd zijn met artikel 6 van het EVRM.

Oordeel van het hof

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld. Het hof ziet zich in de onderhavige zaak voor de vraag gesteld of een ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd met betrekking tot de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin volgt echter niet dat het ondervragingsrecht met zich brengt dat een verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige die een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, steeds voor toewijzing in aanmerking komt. Als het verzoek niet wordt toegewezen zal de rechter bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.

Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn

(i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,

(ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en

(iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd.

De omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om een verzoek te doen een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, biedt op zichzelf geen grond voor de afwijzing van zo’n verzoek. Dat neemt niet weg dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de, hierboven besproken, beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen.

Onderzoek van de zaak

Verdachte is veroordeeld bij vonnis van de politierechter Midden-Nederland d.d. 11 april 2023. Verdachte is in eerste aanleg niet verschenen. Zijn op dat moment gemachtigd raadsman, mr. E.M. Steller, is wel ter terechtzitting verschenen. Namens verdachte is door deze raadsman gemotiveerd verweer gevoerd op de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten. Desondanks zijn deze herkenningen door de politierechter gebezigd voor het bewijs van hetgeen verdachte is tenlastegelegd.

Tegen dit vonnis is op 12 april 2023 hoger beroep ingesteld door verdachte. Bij schriftuur, noch in de aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep op 25 juli 2024 zijn door de verdediging onderzoekswensen ingediend.

Oordeel van het hof

Het hof weegt bij het beoordelen van het voorwaardelijk verzoek van de raadsman mee dat het verzoek pas is gedaan aan het eind van zijn pleidooi tijdens de inhoudelijke behandeling van onderhavige strafzaak in hoger beroep. Op dit punt sluit het hof aan bij de overwegingen van een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS2023:457) voor zover daarin het volgende is overwogen:

"De Nederlandse strafrechtspleging kampt al geruime tijd met een fors capaciteitstekort. Voor de rechtspraak betekent dit onder meer dat de beschikbare zittingscapaciteit zo efficiënt mogelijk moet worden benut. Cruciaal daarvoor is dat zaken pas voor een inhoudelijke behandeling op een zitting worden gepland, als al het daaraan voorafgaande onderzoek gereed is. Anders moeten zaken ter zitting alsnog worden aangehouden. Dan gaat niet alleen kostbare zittingstijd verloren, maar ook veel van de tijd die is gestoken in de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling door de betrokken raadsheren, de griffier, de advocaat-generaal, de advocaten van de verdachte en de benadeelde partij. Nog daargelaten dat de verdachte en benadeelden of slachtoffers daardoor langer in onzekerheid verkeren en de afdoening van zaken binnen een redelijke termijn bemoeilijkt wordt. (...) De verdediging houdt in zo‘n geval voor de inhoudelijke behandeling van de zaak de kaart van deze verzoeken tegen de borst, en legt deze bij de inhoudelijke behandeling als een joker op tafel, met als effect: als u niet doet wat ik vraag (bijvoorbeeld: een voor de verdachte gunstige bewijsbeslissing, strafmaat- of modaliteit), dan verliest u de ingeplande zittingstijd, moeten nog diverse getuigen worden gehoord en zal de zaak later opnieuw inhoudelijk moeten worden behandeld. Het behoeft geen betoog dat deze werkwijze, die op zijn minst op gespannen voet staat met beginselen van een behoorlijke procesorde, funest is voor de kwaliteit en de effectiviteit van de strafrechtspleging. Het hof is van oordeel dat binnen de kaders van de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de ruimte voor deze werkwijze van de verdediging moet worden beperkt."

Het hof heeft de raadsman ter terechtzitting bevraagd over de reden waarom dit voorwaardelijke verzoek pas in dit zeer late stadium is gedaan. Daarop is geen ander antwoord gekomen dan dat de verdediging de vraag van het hof begrijpt, maar dat het niet anders is. Het hof weegt bovenstaande context mee bij de beoordeling van de vraag of het verzoek moet worden toegewezen en bij de beoordeling van de eerlijkheid van het proces in zijn geheel.

Het hof is zich ervan bewust dat de verklaringen en herkenningen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] door de politierechter voor het bewijs zijn gebezigd. De verdediging is nog niet in de gelegenheid geweest deze getuigen te ondervragen. Zou de verdediging in enig eerder stadium bij de rechtbank of bij het hof om het horen van deze getuigen hebben verzocht, dan zou dat verzoek na toetsing waarschijnlijk voor toewijzing gereed hebben gelegen in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad.

Dat ligt naar het oordeel van het hof in dit stadium van het strafgeding anders. Hierbij speelt al het voorgaande mee, maar met name:

- Het feit dat het in deze strafzaak, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in essentie draait om de betrouwbaarheid van de herkenningen. Door mr. E.M. Steller is in eerste aanleg reeds uitgebreid verweer gevoerd op de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten;

- Het feit dat deze herkenningen door de politierechter ondanks de verweren op goede gronden wel voor het bewijs zijn gebruikt en het gegeven dat het hoger beroep zich volledig richtte op deze herkenningen;

- Het feit dat na het instellen van het hoger beroep bij schriftuur, noch schriftelijk voorafgaande aan de zitting in hoger beroep is verzocht om het horen van deze getuigen;

- Het feit dat er in hoger beroep geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht tegen het gebruik van de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ;

- Het feit dat de verdediging geen verklaring heeft gegeven voor het zeer late stadium waarin het verzoek is gedaan;

- Het feit dat verdachte ter zitting in hoger beroep is verschenen en daarmee het hof zelf waarnemingen heeft kunnen doen.

Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verzochte getuigen redelijkerwijs niet meer binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat, alles afwegende, mede gelet op het niet toegelichte gebrek aan activiteit van de zijde van de verdediging inzake het horen van getuigen, thans een voortvarende en tijdige afdoening van de strafzaak moet prevaleren. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Naar het oordeel van het hof is de beperking van het ondervragingsrecht voldoende gecompenseerd, doordat de betrouwbaarheid van deze getuigen in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel en door de eigen waarnemingen van het hof. De getuigenverklaringen staan, daarmee niet langer op zichzelf. De herkenningen wijzen telkens in dezelfde richting en worden voorts ondersteund door de waarnemingen van het hof gedaan ter terechtzitting van 25 juli 2024. Het hof is behoedzaam met de verklaringen van de getuigen omgegaan. Hun verklaringen worden alleen voor het bewijs gebruikt voor zover zij in voldoende mate steun vinden in de ter zitting gedane waarnemingen door het hof.

Anders dan de raadsman stelt, is het hof van oordeel, nu de herkenningen niet meer kunnen worden aangemerkt als ‘sole en decisive’, dat het niet inwilligen van het voorwaardelijke verzoek onder de gegeven omstandigheden niet met zich brengt dat er niet langer sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.”

3.5

In de bewijsoverwegingen heeft het hof de volgende eigen waarnemingen opgenomen:

“(...)

Anders dan de verdediging constateert het hof met de politierechter dat de stills duidelijk en van goede kwaliteit zijn en dat de betrokken persoon voldoende zichtbaar in beeld is om op basis daarvan iemand te kunnen herkennen. Daarbij is van belang dat de waar te nemen persoonskenmerken onderscheidend zijn.

(...)

Het hof moet de raadsman toegeven dat niet alle door de verbalisanten beschreven uiterlijke kenmerken per still zijn waar te nemen. Deze omissies brengen echter niet reeds met zich dat het hof vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid twijfelt aan de herkenningen van de verbalisanten. Het hof heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep verdachte uitgebreid kunnen observeren en heeft waargenomen dat zijn gezichtsbeharing, de kromme stand van zijn neus(punt) en de vorm van zijn (kleine) mond in grote mate gelijkenissen vertoont met de persoon die op 25 januari 2020 geldbedragen opneemt bij de Rabobank te [plaats].

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de dader op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac en de Rabobank te [plaats] naar zijn waarneming dezelfde trui en jas dragen, waarmee verdachte kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat het om dezelfde persoon gaat. Het hof stelt vast dat dit inderdaad het geval is.

Uit het dossier volgt voorts dat de persoon op de stills van de camerabeelden bij de T&T Telecom te [plaats] dezelfde persoon betreft als de persoon die op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac te [plaats] is waar te nemen.

Het hof heeft ter terechtzitting waargenomen dat de dader die te zien is op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac te [plaats] dezelfde haardracht en lengte heeft als de dader die te zien is op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac te [plaats] en de T&T te [plaats]. Het hof stelt vast dat de haardracht van verdachte en de op de stills afgebeelde persoon in grote mate overeenkomt.

(...)”

4 Het eerste middel

5 Slotsom