Rechtbank Amsterdam, 10-12-2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:8117, C-13-559188 - HA ZA 14-157
Rechtbank Amsterdam, 10-12-2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:8117, C-13-559188 - HA ZA 14-157
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 10 december 2014
- Datum publicatie
- 22 december 2014
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2014:8117
- Zaaknummer
- C-13-559188 - HA ZA 14-157
Inhoudsindicatie
Garantie in koopovereenkomst dat het complex geen asbest bevat. Uitleg overeenkomst ten aanzien van de garantie en boetebeding. Kwalitatieve rechten. Beoordeling of er dwangsommen zijn verbeurd.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/559188 / HA ZA 14-157
Vonnis van 10 december 2014
in de zaak van
de vennootschap naar Duits recht
[eiseres] ,
gevestigd te [plaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. N. Eeken-Amiel te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] ,
gevestigd te [plaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M. van Weeren te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 4 februari 2014, tevens houdende incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, met producties,
- -
-
de conclusie van antwoord inzake het incident houdende incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening van 26 februari 2014, met producties,
- -
-
de akte houdende wijziging van eis van 23 april 2014 van [eiseres], met producties,
- -
-
de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie van 7 mei 2014, met producties,
- -
-
het tussenvonnis van 4 juni 2014, waarbij een comparitie is gelast,
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 24 oktober 2014, met de daarin genoemde stukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Bij koopovereenkomst van 28 juni 2007 (ondertekend op 29 juni 2007) (hierna: de koopovereenkomst) heeft [eiseres] van [gedaagde] gekocht een groothandelscomplex (het voormalig distributiecentrum van [bedrijf 1], hierna: het complex) gelegen aan de [adres]. Het verkochte is op 7 juli 2007 geleverd. [gedaagde] had op 7 maart 2007 het complex gekocht van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]).
In de koopovereenkomst (waarin [eiseres] is aangeduid als ‘Purchaser’ en [gedaagde] als ‘Vendor’) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
“(...)
9.2
The Vendor further warrants that:
a. all asbestos which was present in the Buildings has duly been removed. The Buildings no longer contain asbestos; and
b. No (underground) storage tanks, such as oil and septic tanks, are located in the Buidings and/or Ground.
(...)
9.4
Any contamination of the Groud will be for the account and risk of the Purchaser as from the Date of Transfer of Title, unless any statement of the Vendor in article 9 has not been made in good faith.
(...)
The Vendor warrants that it has given the Purchaser all the information which must be notified to the Purchaser, on the understanding that the Vendor is not required to provide information about facts of which the Purchaser is aware or could have been aware from its own examination of investigation, to the extent that the Purchaser may be required to carry out such examination or investigation according to common opinion. The Vendor has summitted to the purchaser the measurement certificate regarding the Property, attached as Annex 8.
10.2
Purchaser has conducted a due diligence to the Property and the results are to its satisfaction.
(...)
12.1
The purchaser declares:
a. It expressly accepts the charges and restrictions referred to above, as well as those that are known or could have been known to it from the actual situation after an investigation as referred to in article 10.1, on the understanding that the investigation or examination conducted by the Purchaser does not prevent the Purchaser from asking the Vendor for statements and guarantees.
(...)
In the event of any failure to perform the agreement, or a failure to perform the agreement on time, for reasons other than due to non-attributable failure (force majeure), the defaulting Party will be liable for all ensuing loss or damage for the other party plus costs and interest, regardless of whether the defaulting Party is in default as defined in the following paragraph.
15.2
If either Party, after having been given notice of default bij bailiff’s notification, fails to perform one or more of its obligations for a period of eight days, such Party will be in default (...) and the other party will have the choice – alternatively or otherwise – between:
a. requiring performance of the agreement, in which event the defaulting Party will be liable to pay an immediately due and payable penalty of 0.3 percent of the purchase price for each day that has commenced after the expiry of the aforementioned eight-day term until the date of performance; or
b. declaring the agreement terminated by means of a written statement while claiming payment of an immediately due and payable penalty of ten percent of the purchase price.
(...)
If a warranted statement made by a Party in this agreement proves to be incorrect or incomplete or gives a false representation of the facts in any other matter, this will result in an attributable failure of the Party in question. (...)”
In artikel 5 van de leveringsakte van 6 juli 2007 is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
“(...)
Verkoper draagt aan Koper over, gelijk Koper aanvaardt, alle aanspraken, die de Verkoper nu of te eniger tijd kan doen gelden ten aanzien van het Verkochte tegenover derden, uit hoofde van elke overeenkomst, onrechtmatige daad en of uit welke andere hoofde dan ook, waaronder begrepen de bouwer(s), de aannemer(s), de onderaannemer(s), de installateur(s) en/of de leverancier(s), alsmede de rechten uit garantieregelingen en garantiecertificaten, alles voor zover deze aanspraken niet van rechtswege overgaan als kwalitatieve rechten in de zin van artikel 6:251 van het Burgerlijk Wetboek en voor zover deze aanspraken overdraagbaar zijn. Verkoper verplicht zich de hem bekende desbetreffende gegevens aan Koper te verstrekken. Koper is bevoegd om de overdracht van de betreffende rechten te bewerkstelligen, door mededeling te doen aan de personen jegens wie de rechten kunnen worden uitgeoefend. (...)”.
Het complex is verbouwd tot verschillende bedrijfsruimten, die thans zijn verhuurd aan verschillende huurders waaronder (afgekort) [huurder 1] en [huurder 2].
In verband met voorgenomen sloopwerkzaamheden in het kader van vloerherstel ten behoeve van de door [huurder 2] gehuurde bedrijfsruimte (hierna: de bedrijfsruime [huurder 2]) heeft een asbestinventarisatie plaatsgevonden in mei 2013. Deze inventarisatie was verplicht, omdat het complex is gebouwd vóór 1994, en is uitgevoerd door Solidé.
Op 15 mei 2013 heeft Solidé een asbestinventarisatierapport type A (een inventarisatie van direct waarneembare asbest) (Inventarisatierapport I) uitgebracht, waarin (onder meer) is vermeld dat in delen van het complex asbest is waargenomen en dat voor andere delen een redelijk vermoeden (al dan niet visueel waarneembaar) voor aanwezigheid van asbest bestaat.
Bij deurwaardersexploot van 9 juli 2013 heeft [eiseres] [gedaagde] in gebreke gesteld en [gedaagde] op grond van de garantie in artikel 9.2 van de koopovereenkomst gesommeerd om binnen acht dagen na dagtekening van het exploot te bevestigen dat de in het complex aanwezige asbest, waar nodig na aanvullende inventarisatie, op basis van een concreet plan van aanpak wordt gesaneerd en dat de asbestsanering binnen zes weken na dagtekening volledig is afgerond.
Bij brief van 19 februari 2014 heeft [eiseres] aan [gedaagde] het volgende medegedeeld:
“(...) [eiseres] heeft kennisgenomen van het Oesterbaai rapport d.d. 13 februari 2014. Op p. 23 van het rapport is vermeld dat zich twee oude olietanks bevinden onder de kruipruimte. [eiseres] was hiervan niet op de hoogte.(...).”
[eiseres] heeft [gedaagde] daarbij in gebreke gesteld ter zake de olieopslagtanks en [gedaagde] op grond van de garantie in artikel 9.2.b van de koopovereenkomst verzocht om binnen acht dagen na dagtekening van deze brief te bevestigen dat al de in - of in de grond onder - het verkochte aanwezige olieopslagtanks op basis van een concreet plan van aanpak worden verwijderd en dat de verwijdering binnen vier weken na dagtekening volledig is afgerond.
De voorzieningenrechter heeft, voor zover hier van belang, bij vonnis van 4 april 2014 [gedaagde] veroordeeld tot sanering van al het in het complex aanwezig asbest, en voor zover nodig herstel van de gesaneerde delen, binnen een termijn van twaalf weken na betekening van dat vonnis, en daarbij bepaald dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van
€ 2.500,- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft met het niet voldoen aan voormelde veroordeling, met een maximum van € 50.000,=.
Bij e-mailbericht van 27 juni 2014 heeft [gedaagde] de saneringswerkzaamheden gereed gemeld.
Op 5 juli 2014 zijn de olietanks verwijderd.
Bij e-mailbericht van 9 juli 2014 heeft [eiseres] [gedaagde] het volgende medegedeeld:
“(...)
Wij hebben de firma Solidé Project Advies opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een contra expertise om uit te wijzen dat het gesaneerde werk volledig is uitgevoerd.
Vanmiddag hebben wij het telefonische bericht ontvangen dat er van de genomen monsters, tenminste 2 monsters positief zijn bevonden aan asbest. Dit betreft een monster bij de flenzen van de sprinklerinstallatie en de kit tussen de gevelbeplating bij de dakopbouw.
[eiseres] houdt zich – vanwege bovengenoemde – het recht tot het opleggen van de dwangsommen conform uitgesproken vonnis.
(...).”.
Bij e-mail bericht van 30 juli 2014 heeft [eiseres] aan [gedaagde], voor zover hier van belang, het volgende medegedeeld.
“(...)
Ondanks dat wij coulant zijn geweest ten aanzien van de laatste werkzaamheden en de (eind)oplevering, is gebleken dat de benodigde werkzaamheden nog steeds niet volledig zijn afgerond. Zo dienen nog steeds de beplating bij [huurder 3] en [huurder 2], de pakking in de sprinklerruimte (bron 33) en het koord in de Liander ruimte (bron 7) - te worden gesaneerd en herstelwerkzaamheden te worden uitgevoerd. (...)
Uit een op 23 juli van [naam] ontvangen planning maken wij op dat de benodigde saneer- en herstelwerkzaamheden nu in week 33 gereed moeten zijn. Dit geldt overigens niet voor de Liander ruimte waar nog geen duidelijkheid is of sanering nu een verplichting is van Liander of niet.
Zoals reeds in eerdere correspondentie de afgelopen weken gemeld maakt [eiseres] vanwege het niet gereed zijn van alle sanerings- en herstelwerkzaamheden binnen de daarvoor gestelde termijn aanspraak op de reeds verbeurde dwangsommen. Ik verzoek je derhalve het bedrag aan verschuldigde dwangsommen ad € 50.000,- binnen zeven dagen na heden over te maken (...).”.
Op of omstreeks 8 augustus 2014 was de totale sanering afgerond. De kosten daarvan hebben ongeveer € 400.000,= bedragen.
3 Het geschil
[eiseres] vordert, na wijziging van haar eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de verbeurde contractuele boete ad
€ 24.444.000,-, althans een in goede justitie te betalen bedrag, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente;
2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 49.157,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2014;
3. te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle schade die [eiseres] mocht lijden als gevolg van het vrijkomen van asbest in het Verkochte;
4. te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor al het in het Verkochte na de sanering eventueel nog aanwezige asbest;
5. te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle schade die [eiseres] mocht lijden als gevolg van de aanwezigheid van de olietanks;
6. te verklaren voor recht dat [gedaagde] het maximum aan dwangsommen uit het kort geding vonnis heeft verbeurd, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
7. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.775,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze dagvaarding;
8. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, inclusief beslagkosten, te vermeerderen met de nakosten ten belopen van € 131,-, zonder betekening, dan wel € 199, in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
[eiseres] heeft ter comparitie haar vordering onder 5 ingetrokken en aangegeven dat op haar incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening niet meer behoeft te worden beslist. Deze vorderingen behoeven derhalve geen bespreking meer.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
In reconventie
[gedaagde] vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis:
Primair
1. te verklaren voor recht dat [eiseres] niet gerechtigd is/was tot sanering, te verrichten door [gedaagde], door middel van verwijdering van asbest en de olietanks zoals door [eiseres] in rechte gevorderd;
2. te verklaren voor recht dat alle kosten terzake de gevorderde sanering van asbest en de olietanks, zoals kosten van (deskundigen)advies, rechtsbijstand, beslagen e.d. voor rekening van [eiseres] zelf zijn;
3. te verklaren voor recht dat [gedaagde] geen dwangsommen heeft verbeurd ingevolge het kort geding vonnis d.d. 4 april 2014, althans te bepalen dat [gedaagde] (slechts) dwangsommen heeft verbeurd tot een door de rechtbank te bepalen bedrag;
Subsidiair
te bepalen dat de kosten van de sanering van de nog aanwezig asbest en de olietanks, alsmede bijkomende kosten van advies, rechtsbijstand, e.d. voor rekening van [eiseres] zijn in evenredigheid met de mate van de aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden ter zake het niet ontdekken van de asbest en olietanks ten tijde of voorafgaande aan de koop,
althans
een zodanige verklaring voor recht uit te spreken in de lijn en strekking van het gestelde in deze conclusie en in reconventie gevorderd;
in alle gevallen
[eiseres] te veroordelen in de kosten van de procedure,
bij wijze van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad:
[eiseres] te gelasten de gelegde executoriale beslagen op te heffen en de executie van het kort geding vonnis van 4 april 2014 te staken en gestaakt te houden, althans te gelasten dat [eiseres] de executie staakt en gestaakt houdt ter zake vermeende verbeurte van dwangsommen ingevolge het kort geding vonnis in afwachting van de einduitspraak in deze procedure, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
[eiseres] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.