Rechtbank Amsterdam, 29-04-2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2382, C/13/553686 / HA ZA 13-1715
Rechtbank Amsterdam, 29-04-2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2382, C/13/553686 / HA ZA 13-1715
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 april 2015
- Datum publicatie
- 29 april 2015
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2015:2382
- Zaaknummer
- C/13/553686 / HA ZA 13-1715
Inhoudsindicatie
De Nederlandse Bank (DNB) is niet aansprakelijk voor de schade als gevolg van het faillissement van DSB Bank. Dat heeft de rechtbank bepaald. De vorderingen van de curatoren van DSB Bank en gedupeerden stichtingen worden afgewezen.
De curatoren en de gedupeerden hadden gesteld dat DNB in 2005 aan DSB Bank geen bankvergunning had mogen verlenen. Ook meenden zij dat DNB fouten heeft gemaakt bij het doorlopende toezicht op DSB Bank en bij het verstrekken van noodfinanciering. Daarom zou DNB aansprakelijk zijn voor de door hen geleden schade. De rechtbank verwerpt dit betoog van de curatoren en de gedupeerden.
De rechtbank moet toetsen of DNB, bij het verlenen van de vergunning en bij het houden van toezicht op DSB Bank, niet in redelijkheid tot de gemaakte keuzes heeft kunnen komen. Dat is niet gebleken. Uit het feit dat DSB Bank uiteindelijk failliet is gegaan, kan niet worden afgeleid dat DNB fouten heeft gemaakt. DNB kan niet garanderen dat onder toezicht staande banken niet failliet gaan.
Zo is niet gebleken dat DNB al in een eerder stadium had moeten begrijpen dat de cultuur bij DSB meebracht dat een hardere aanpak dan gebruikelijk nodig was. Ook is niet komen vast te staan dat DNB in redelijkheid geen vergunning aan DSB Bank had mogen verlenen of dat zij eerder en/of zwaarder had moeten ingrijpen.
Daar komt bij dat de curatoren en de gedupeerden niet hebben onderbouwd dat, waarom en in hoeverre de positie van de schuldeisers van DSB Bank wezenlijk anders, of beter, zou zijn geweest wanneer DNB eerder, meer of andere toezichtinstrumenten zou hebben ingezet. Zij stellen ook niet wat DNB volgens hen wél had moeten doen, wat daarvan het concrete gevolg zou zijn geweest en hoe dat ingrijpen het uiteindelijk faillissement van DSB Bank en de geleden schade daadwerkelijk had kunnen voorkomen.
DNB kan dan ook niet aansprakelijk worden gehouden voor de als gevolg van het faillissement van DSB Bank geleden schade.
Uitspraak
vonnis
afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/553686 / HA ZA 13-1715
Vonnis van 29 april 2015
in de zaak van
1 mr. [curator 1] en mr. [curator 2],
in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van DSB Bank N.V.,
beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
eisers in conventie, verweerders in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. V.H. Affourtit te Amsterdam,
2. de vereniging
VERENIGING DSBSPAARDER.NL,
gevestigd te Lemmer,
eiseres in conventie,
advocaat mr. W.M. Schonewille te Den Haag,
3. de vereniging
DSBDEPOSITOS.NL,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
advocaat mr. K. Rutten te Utrecht,
4. de stichting
STICHTING BELANGEN RECHTSBIJSTANDVERZEKERDEN DSB,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
advocaat mr. J.H. Lemstra te Amsterdam,
tegen
de naamloze vennootschap
DE NEDERLANDSCHE BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Curatoren c.s. en DNB worden genoemd. Curatoren c.s. zullen hierna afzonderlijk Curatoren, DSBSpaarder.nl, DSBdepositos.nl en SBR worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 5 november 2013, met bijlagen 1 tot en met 5 alsmede producties 1 tot en met 258;
- -
-
de conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 1 tot en met 42;
- -
-
het tussenvonnis van 25 juni 2014;
- -
-
de conclusie van antwoord in reconventie, tevens antwoord op het beroep op niet-ontvankelijkheid van curatoren, met producties 259 en 260, van Curatoren;
- -
-
de akte overlegging producties tevens akte aanvulling bewijsaanbod tevens akte herstel verwijzingen, met producties 55b, 55c, 82b, 93b, 138b, 140b, 229b, 261 tot en met 275, van Curatoren c.s.;
- -
-
de antwoordakte herstel verwijzingen en overlegging producties, tevens akte uitlating producties, van DNB;
- -
-
de akte houdende overlegging productie, met productie 43, van DNB;
- -
-
de op 16 en 19 december 2014 gehouden comparitie van partijen, het daarvan opgemaakte proces-verbaal en de daarin vermelde stukken;
- -
-
de antwoordakte met betrekking tot ontvankelijkheidsverweer Curatoren, van DNB.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
DSB Bank (oud)
Op 21 maart 2000 is opgericht DSB Bank N.V. (hierna: DSB Bank (oud)).
Bij brief van 30 maart 2000 heeft DNB, voor zover hier van belang, aan DSB Bank (oud) geschreven:
DSB Bank N.V. voldoet aan alle eisen om voor een vergunning in aanmerking te komen. Wij verlenen derhalve DSB Bank N.V. hierbij ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wtk 1992 een vergunning om met ingang van 1 april 2000 het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub a, van de Wtk 1992.
DSB Bank (oud) exploiteerde een onderneming die kredieten verstrekte aan consumenten. Haar groepsvennootschappen de DSB Voorschotbanken en (de tussenpersonen behorend tot) DSB Groep N.V. (hierna: DSB Groep) verleenden diensten (aanbieden van financiële producten respectievelijk bemiddelen en adviseren in financiële producten) aan consumenten. De aandelen in DSB Bank (oud) en haar groepsvennootschappen werden gehouden door [naam 1] (hierna: [naam 1]), die bestuurder was van enkele groepsvennootschappen, maar niet van DSB Bank (oud).
DSB Bank (nieuw)
Bij brief van 17 maart 2005 heeft DSB Groep, voor zover hier van belang, aan DNB geschreven:
In vervolg op de besprekingen die wij het afgelopen jaar met De Nederlandsche Bank hebben gevoerd, doen wij u met deze brief toekomen de concept aanvraag voor een vergunning tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling, als bedoeld in artikel 8 van de Wet toezicht kredietwezen (...).
(...)
De nieuwe bank zal de activiteiten verrichten die momenteel worden verricht door DSB Bank N.V., de DSB Voorschotbanken (aanbieden van financiële producten) en de tussenpersonen behorend tot DSB Groep N.V. (bemiddelen en adviseren in financiële producten).
(...)
Er zal een personele unie komen tussen de Raad van Bestuur en Raad van Commissarissen van de nieuwe bank en de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van DSB Ficoholding N.V. Het bestuur van DSB Ficoholding N.V. wordt gevormd door de heren [naam 1], [naam 2] en [naam 3].
Op 26 september 2005 heeft DSB Groep de vergunning en de verklaringen van geen bezwaar aangevraagd. DNB heeft bij brief van 21 december 2005 verklaringen van geen bezwaar verleend, onder meer voor de fusie tussen DSB Bank (oud) en DSB Groep, en aan [naam 1] voor het houden van 97,8% van de aandelen in DSB Bank N.V. (nieuw) via DSB Beheer B.V. (hierna: DSB Beheer).
In een beschikking van dezelfde datum van DNB is, voor zover hier van belang, vermeld:
(2) DNB stelt aan de hand van de in het kader van de vergunningsaanvraag overgelegde informatie vast dat het dagelijks beleid van verzoekster zal worden bepaald door de heren [naam 1], [naam 2] en [naam 3] en dat het beleid van verzoekster mede zal worden bepaald door de heren [naam 4], [naam 5], [naam 6] en [naam 7]. Uit hoofde van beleidsbepalende functies bij de groep waartoe de kredietinstelling behoort, wordt het beleid van verzoekster medebepaald door [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6] en [naam 7]. DNB ziet met betrekking tot de deskundigheid van voornoemde dagelijks (mede)beleidsbepalers geen grond voor een oordeel als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen b of d, van de Wtk 1992. Voorts ziet DNB met betrekking tot de betrouwbaarheid van voornoemde beleidsbepalers en medebeleidsbepalers geen grond voor een oordeel als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen c of e van de wet.
(...)
(6) Ook overigens is DNB – op grond van de in artikel 8, tweede lid van de Wtk 1992 bedoelde gegevens, waaronder een programma van werkzaamheden – niet gebleken dat zich ten aanzien van verzoekster een van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid van de Wtk 1992 voordoet.
(7) Nu DNB ook verder geen beletselen aanwezig acht die in de weg staat aan het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de Wtk 1992, neemt zij het navolgende besluit.
4 BESCHIKKING
DNB verleent aan verzoekster met ingang van het van kracht worden van de fusie een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de Wtk 1992, voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1o van de Wtk 1992.
Bij brieven van 23 december 2005 heeft DNB aan DSB Groep geschreven dat zij in het kader van de vergunningaanvraag [naam 2] (hierna: [naam 2]), [naam 3] (hierna: [naam 3]) en [naam 1] op betrouwbaarheid en deskundigheid heeft getoetst en dat zij krachtens artikel 9, eerste lid, sub b en c, Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) geen bezwaar heeft tegen hun benoeming tot bestuurder van DSB Groep. Deze personen zijn benoemd tot bestuurder van DSB Bank N.V. (nieuw).
DSB Bank N.V. (nieuw), hierna: DSB Bank, exploiteerde een onderneming die kredieten verleende aan consumenten en daarnaast financiële producten aanbood en bemiddelde en adviseerde in financiële producten. De aandelen in DSB Bank werden gehouden door [naam 1] via (onder meer) DSB Beheer.
DNB
DSB Bank stond onder prudentieel toezicht van DNB, welk toezicht is gericht op de soliditeit van financiële ondernemingen en de stabiliteit van het financiële systeem. Daarnaast maakt DNB onderdeel uit van het Europees Stelsel van Centrale Banken, waardoor zij mede verantwoordelijk is voor de uitvoering van het monetaire beleid in de Europese Unie. Voorts is DNB ‘lender of last resort’. In deze rol kan DNB noodkrediet verstrekken.
Vanaf de verlening van voornoemde vergunning hebben DSB Bank en DNB vele gesprekken gevoerd, vergaderingen belegd en brieven uitgewisseld in het kader van het prudentiële toezicht.
Op 6 januari 2006 heeft DNB DSB Bank onder intensieve monitoring geplaatst voor een periode van twee jaar.
2007
Bij brief van 2 oktober 2007 heeft DNB, voor zover hier van belang, aan DSB Bank geschreven:
1. SOLVABILITEIT
De Nederlandsche Bank NV (DNB) is bezorgd over de solvabiliteitspositie van DSB Bank N.V. (DSB) omdat deze onder druk staat door tegenvallende resultaten, het acquireren van bedrijven en het op eigen boek nemen van de kredietproductie. De huidige ontwikkelingen op de financiële markten en de afhankelijkheid van securitisaties hebben onze zorgen omtrent de solvabiliteitspositie en –beheer van DSB verder versterkt. Volgens de door u opgestelde prognoses is een solvabiliteitspositie van 10 procent (het absolute minimum) gewaarborgd tot het einde van dit jaar met als uitgangspunt dat de door u voorgestelde maatregelen geëffectueerd worden waaronder de verkoop van de deelneming Enra Verzekeringen B.V. U gaf aan hierover in de laatste onderhandelingsfase te verkeren. Wij zijn het echter geheel met u eens dat voor wat betreft de solvabiliteit een percentage van 12 procent het streefniveau moet zijn waar binnen afzienbare tijd naar toe gegroeid zal moeten worden. U zult een door ons goed te keuren tijdpad uitzetten hoe en wanneer de verbetering van de solvabiliteitsratio zal worden gerealiseerd.
(...)
2 LIQUIDITEITSPOSITIE
In de huidige marktomstandigheden is het van extra belang om een ruime liquiditeitsbuffer aan te houden. Wij zijn van oordeel dat de huidige buffer van EUR 600 miljoen dient te worden verhoogd tot circa EUR 1 miljard. DNB dient voorts een actueel beeld te hebben over de relevante ontwikkelingen en verzoekt u daarom wekelijks uw liquiditeitsrapportages toe te sturen.
(...)
5 VERHOOGD TOEZICHT REGIME
Wij hebben u meegedeeld dat DSB onder verhoogd toezichtsregime is geplaatst. Dit betekent dat DSB in de komende tijd intensief gevolgd zal worden. DNB dient a tempo te worden geïnformeerd over alle relevante ontwikkelingen met betrekking tot solvabiliteit en liquiditeit. Voorts zal DNB op korte termijn de stand van zaken met een delegatie van de R.v.C. bespreken.
Op 13 november 2007 heeft DNB besloten de behandeling van het dossier DSB voort te zetten in een speciaal daartoe in het leven geroepen projectteam Hector. Op 3 december 2007 heeft DNB besloten op de voet van artikel 1:76 lid 3 Wet op het financieel toezicht (Wft) een curator te benoemen ten aanzien van het bestuur van DSB Bank.
DNB heeft de ‘stille curator’ niet benoemd. Zij heeft in dit kader gewezen op onder meer het aantreden, op 5 december 2007, van [naam 8] (hierna: [naam 8]), voormalig minister van Financiën, als bestuurder van DSB Bank en DSB Ficoholding.
2008
Op 21 november 2008 is bekend gemaakt dat [naam 8] lid zou worden van de Raad van Bestuur van ABN Amro Bank N.V. Op 23 december 2008 is hij als zodanig aangetreden.
2009
Op 1 februari 2009 is [naam 8] afgetreden als bestuurder van DSB Bank en DSB Ficoholding.
Op 15 maart 2009 is [naam 9] (hierna: [naam 9]) aangetreden als bestuurder (CFO) bij DSB Bank en DSB Ficoholding.
Vanaf eind maart 2009 verschenen in de media zeer negatieve berichten over DSB Bank.
Op 15 mei 2009 is [naam 9] afgetreden als bestuurder van DSB Bank.
Bij brief van 19 juni 2009 heeft DNB, voor zover hier van belang, aan DSB Bank geschreven:
Naar aanleiding van het zeer plotselinge vertrek van de heer [naam 9] zijn er diverse (telefonische) gesprekken gevoerd tussen De Nederlandsche Bank NV (DNB) en DSB Bank, onder andere ten kantore van DNB op 14, 20 en 29 mei 2009. DNB hecht er aan om haar zienswijze op bepaalde zaken tevens schriftelijk aan u te bevestigen. DNB stelt in algemene zin vast dat de gang van zaken bij DSB Bank de zorg van DNB als toezichthouder heeft vergroot over de wijze waarop binnen DSB Bank de bedrijfsvoering wordt beheerst.
(...)
Het toezicht op DSB Bank is in het najaar van 2007 opgeschaald naar een regime van Verhoogd Toezicht. Deze opschaling in toezichtintensiteit zou door een R.v.C. van een bank als zeer zorgwekkend moeten worden ervaren. DNB herkent bij de R.v.C. van DSB Bank tot op heden echter nog niet de ‘sense of urgency’ om deze situatie zo spoedig mogelijk in positieve zin te adresseren. DNB verwacht in dit kader dan ook een meer actieve houding van de R.v.C.
DNB constateert dat DSB Bank er nog niet in geslaagd is om een evenwichtig bestuur te vormen. In de afgelopen twee maanden is opnieuw vastgesteld dat er sprake is van blokvorming tussen enerzijds de CEO en de COO en anderzijds de CFO. DNB acht het van groot belang dat een bestuur van een bank functioneert als een collegiaal bestuur, waarin alle bestuurders op gelijke en evenwichtige wijze hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. Tot op heden is hier bij DSB Bank in onvoldoende mate sprake van.
DNB is in beginsel geen voorstander van een combinatie van functies van directeur en groot aandeelhouder bij een bank. Een dergelijke situatie is dan ook uitsluitend acceptabel indien de corporate governance zorgvuldig en evenwichtig is ingericht en gedisciplineerd wordt nageleefd, en er bijzondere zorgvuldigheid wordt betracht in de zakelijke relatie tussen aandeelhouder en bank. Wij moeten constateren dat daar niet altijd sprake van is.
(...)
DNB stelt vast dat de besprekingen met betrekking tot het businessplan worden gedomineerd door het uitgangspunt van de aandeelhouder om jaarlijks minimaal EUR 20 miljoen aan dividend te ontvangen. Vastgesteld is dat dit door de aandeelhouder gestelde uitgangspunt heeft geleid tot ongewenste spanningen binnen DSB Bank. DNB acht het stellen van een dergelijk uitgangspunt bij het vaststellen van een businessplan, zeker de omstandigheden waarin DSB Bank verkeert in acht nemende, uiterst onwenselijk.
DNB is met de R.v.C. van mening dat de vordering van DSB Bank op DSB Beheer momenteel te hoog is. Deze financiële verhouding tussen DSB Bank en DSB Beheer vormt bovendien geregeld aanleiding tot heftige discussies binnen (het bestuur van) DSB Bank.
Momenteel werkt DSB Bank aan een nieuw businessplan mede naar aanleiding van het wegvallen van de opbrengsten uit hoofde van de verkoop van koopsompolissen ten gevolge van het transparant maken van de provisiestructuur. Op zijn minst is DNB van mening dat DSB Bank te laat is gestart met het op gestructureerde wijze adresseren van de gevolgen hiervan.
Op 14, 20 en 29 mei 2009 zijn bovengenoemde punten met u besproken. Hierbij is met u afgesproken dat DSB Bank op korte termijn het navolgende aan DNB zal opleveren:
• een uitgewerkt voorstel met betrekking tot de bestuurssamenstelling van DSB Bank met bijbehorende taakverdeling;
• een herzien bestuursstatuut waarin alle aspecten met betrekking tot de relatie tussen de aandeelhouder en het bestuur uitvoerig zijn uitgewerkt;
• een plan van aanpak om te komen tot beëindiging van het verhoogde toezicht door DNB;
• een herzien bedrijfsplan.
(...)
Op 18 augustus 2009 is door DNB besloten tot instelling van de projectgroep Homerus om te verkennen wat de mogelijke gevolgen zijn van de afbouw van het bancaire bedrijf van DSB.
In de ochtend van 1 oktober 2009 heeft [naam 10] (hierna: [naam 10]) in een radioprogramma klanten van DSB Bank opgeroepen om hun saldo bij DSB Bank op te nemen. Dit veroorzaakte een run op de bank.
Een later die dag door DNB uitgegeven persbericht luidt:
De Nederlandsche Bank (DNB) merkt naar aanleiding van de ontwikkelingen rond DSB het volgende op: In beginsel geeft DNB geen informatie over individuele instellingen die onder haar toezicht staan.
In verband met de recente ontwikkelingen rond DSB verwijst DNB dan ook naar de verklaringen en reacties die DSB zelf heeft gegeven. Wel merkt DNB op dat DSB voldoet aan de eisen die aan de solvabiliteit en liquiditeit worden gesteld.
De positie van DSB Bank in deze periode was op het terrein van liquiditeit (en solvabiliteit) buitengewoon zorgelijk. Daarom heeft intensief overleg plaatsgevonden tussen onder meer DNB en DSB over het voortbestaan van DSB Bank en de mogelijkheden voor een reddingsplan. Tijdens een gesprek tussen DNB en DSB op 4 oktober 2009 ten kantore van DNB heeft [naam 1] zich bereid verklaard als bestuurder van DSB Bank terug te treden en in zijn hoedanigheid van aandeelhouder mee te werken aan een oplossing van de problemen van DSB Bank.
Bij brief van 6 oktober 2009 heeft DNB, voor zover hier van belang, aan DSB Bank geschreven:
Ter bevestiging van eerder telefonisch contact delen wij u hierbij mede dat, met gebruikmaking van de bevoegdheden van het Eurosysteem als neergelegd in de General Documentation, besloten is om de beleenbaarheidswaarde van het onderpand van DSB Bank tot nader bericht vast te stellen op EUR 1 miljard.
In dit verband wordt gesproken van de haircut.
DNB heeft additioneel als lender of last resort aan DSB Bank, binnen de grenzen zoals genoemd onder 2.6.10, Emergency Liquidity Assistance (ELA) ter beschikking gesteld.
Op 12 oktober 2009 heeft de rechtbank Alkmaar (zitting houdend te Amsterdam) op verzoek van DNB de noodregeling ingevolge artikel 3:160 Wft van toepassing verklaard op DSB Bank, met benoeming van twee bewindvoerders.
Op 19 oktober 2009 heeft de rechtbank Alkmaar op verzoek van de bewindvoerders DSB Bank in staat van faillissement verklaard. Zij heeft daarbij verstaan dat daardoor van rechtswege een einde komt aan de uitgesproken noodregeling.
Op 21 oktober 2009 heeft de rechtbank te Alkmaar DSB Beheer op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard.
Commissie Scheltema
Bij besluit van 18 december 2009, Stcrt. 2009, 20474, heeft de minister van Financiën een commissie ingesteld die tot taak had onderzoek te doen naar de gang van zaken bij DSB Bank, de handelwijze van (voormalige) bestuurders en commissarissen van DSB Bank, de handelwijze van DNB en de Autoriteit Financiële Markten ten aanzien van DSB Bank en hun onderlinge samenwerking ter zake, de rol van het ministerie van Financiën en de toereikendheid van de relevante regels uit hoofde van de wet.
Het rapport, gedateerd 23 juni 2010, van de commissie luidt, voor zover hier van belang:
Inleiding en verantwoording
(...)
De Commissie had tot taak onderzoek te doen naar de gang van zaken bij DSB Bank (...), de handelwijze van (voormalige) bestuurders en commissarissen van deze bank, de handelwijze van DNB en de AFM ten aanzien van DSB Bank (...), de onderlinge samenwerking tussen DNB en AFM, de rol van het ministerie van Financiën en de toereikendheid van de relevante regels uit hoofde van de wet. (...)
(...)
Het beoordelingskader
De bovenstaande onderzoeksopdracht omvat vragen over het functioneren van private en publieke organisaties. Zij betreffen onder meer het optreden van het Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van DSB Bank, van de toezichthouders en van de minister. Dat stelt de vraag aan de orde op welke wijze dat functioneren beoordeeld moet worden.
De Commissie meent dat dit moet geschieden aan de hand van de vraag of deze organen op juiste wijze hebben gehandeld en of zij een goed beleid hebben gevoerd, beoordeeld naar de maatstaven van professionaliteit die men voor deze organen kan aanleggen. Welke beslissingen zou een goed bankbestuur in deze omstandigheden nemen en welk beleid zou een goede toezichthouder in dit geval kiezen?
Het is goed er op te wijzen dat deze maatstaven niet dezelfde zijn als die een rechter zou aanleggen indien hij tot beoordeling van hetzelfde handelen zou zijn geroepen. Zo pleegt een rechter die het beleid van een overheidsorgaan beoordeelt, de beleidsvrijheid van een bestuursorgaan te respecteren. De vraag die bij hem speelt is niet: heeft het bestuursorgaan een juist beleid gevoerd?, maar: kon het bestuursorgaan in redelijkheid tot dit beleid komen? Dat laat vaak een aanzienlijke ruimte voor het bestuursorgaan: verschillende beleidskeuzes zouden de toets van de rechter kunnen doorstaan indien zij binnen de marge van de redelijkheidstoets blijven. Ook de privaatrechtelijke aansprakelijkheidsnorm voor bestuurders en commissarissen is niet of men een goed beleid heeft gevoerd. Getoetst wordt aan normen van zorgvuldigheid en behoorlijkheid.
De Commissie is geen rechter en heeft zich dan ook niet door de beperkingen van de rechterlijke toets laten weerhouden. In de vraagstelling aan de Commissie klinkt immers door dat het gaat om de ‘juistheid‘ of ’adequaatheid‘ van gevoerd beleid. Zeker indien het doel van het onderzoek mede is te beoordelen of er lessen voor de toekomst te trekken zijn, gaat het om de vraag: had het beter gekund? Het is voor een overheidsorgaan dan niet voldoende dat zijn beslissing binnen de marges van de redelijkheid valt: het moet streven naar de juiste beslissing. Ook voor het Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen kan de maatstaf die de Commissie heeft gehanteerd verder gaan dan het civiele aansprakelijkheidsrecht.
Een en ander brengt met zich mee dat de oordelen van de Commissie niet zijn vervat in juridische termen en daarin ook niet zonder meer kunnen worden vertaald. Kwalificaties als ‘onrechtmatig‘ of ‘in strijd met de redelijkheid‘ komen in het rapport dan ook niet voor.
(...)
Slotbeschouwing
Oorzaak ondergang
Wanneer men de vraag stelt naar de oorzaak van de ondergang van DSB, is die vraag niet eenduidig te beantwoorden. Er zijn vele factoren geweest die daaraan hebben bijgedragen.
Vanuit de leiding van de bank gezien kan men wijzen op de externe omstandigheden die onvoorziene moeilijkheden hebben veroorzaakt. Zonder de kredietcrisis en zonder de oproep van [naam 10] was DSB Bank niet op dezelfde wijze ten onder gegaan, en was een voortbestaan in enigerlei vorm wellicht mogelijk geweest. Ook vanuit het toezicht gezien kan men erop wijzen dat de toezichthouder de abrupte ondergang mogelijk had kunnen verhinderen als niet de oproep tot een bankrun het reddingsproces plotseling had verstoord.
DSB
De Commissie is van mening dat de kern van de problematiek bij DSB was gelegen in de eenzijdige en weinig professionele wijze waarop de bank werd geleid en het beleid werd vormgegeven. De positie van [naam 1] als directeur-grootaandeelhouder was zodanig sterk dat van een stelsel van checks and balances geen sprake was. Zijn invalshoek was de commerciële; op bancair gebied miste hij deskundigheid. Het functioneren van de bank was daardoor gericht op het ontplooien van commerciële activiteiten en veel minder op het beheersen van risico‘s en financiële stabiliteit. Hierdoor heeft DSB haar verdienmodel, dat onvoldoende gericht was op het belang van de klant en onder toenemende kritiek kwam, niet tijdig aangepast. Structurele tekortkomingen bij de klantbehandeling hebben tot een wassende stroom van klachten geleid, waarop niet goed is gereageerd. DSB heeft bovendien de gevolgen van de kredietcrisis niet goed onderkend, en risico‘s genomen die niet passen bij een prudent bancair beleid. Die risico‘s werden onder meer gelopen in de ongezonde verhouding met DSB Beheer, waarin [naam 1] museale en sportactiviteiten had ondergebracht. De Raad van Commissarissen hield onvoldoende toezicht.
Door dit alles was de winstgevendheid en van de vermogenspositie van DSB tegen de zomer van 2009 zodanig uitgehold dat voor het voortbestaan van de bank moest worden gevreesd.
DNB
De Commissie meent dat DNB de gebreken in de opzet van DSB bij de vergunningverlening onvoldoende heeft onderkend. Hoewel de bank toen financieel gezond was, waren er zodanige tekortkomingen in de leiding en de organisatie van DSB Bank dat het verlenen van een vergunning een te groot risico inhield. Aan de eisen die de wet in dit opzicht stelt was dan ook onvoldoende voldaan: DNB had op deze punten meer moeten verlangen.
Bij het houden van toezicht naderhand is DNB te geduldig geweest en heeft te weinig haar tanden laten zien. Krachtdadiger optreden tegen de onbalans in de leiding en tegen belangenverstrengeling met DSB Beheer was mogelijk en gerechtvaardigd geweest. Het ingrijpen dat DNB uiteindelijk in de zomer van 2009 voorbereidde werd doorkruist door de oproep van [naam 10]. Indien deze niet had plaats gevonden, had een faillissement wellicht voorkomen kunnen worden. Maar inmiddels was DSB Bank wel zeer kwetsbaar geworden. In een situatie als deze had het op de weg van de toezichthouder gelegen een dergelijke risicovolle situatie zoveel mogelijk te voorkomen.
(...)
Behandeling van de crisis
De crisissituatie, ontstaan door het massaal opvragen van tegoeden na de oproep van [naam 10], leidt tot een veelheid van activiteiten. Het was beter geweest wanneer DNB voor een krachtiger aansturing daarvan had gezorgd. Nu werd het maken van een reddingsplan sterk op het bord van een consortium van banken gelegd. Tegelijk werd een ‘haircut‘ toegepast waardoor de toegang van DSB tot ECB-liquiditeiten met euro 875 miljoen verminderde. De Commissie heeft begrip voor deze maatregel, maar is kritisch over de gebrekkige communicatie daarover door DNB.
De Commissie acht het overigens niet aannemelijk dat een ander optreden van DNB de ondergang van DSB had voorkomen.
(...)
Toekomst
Uit de ervaringen met DSB Bank moet de les worden getrokken dat de wijze waarop een financiële onderneming wordt geleid van doorslaggevend betekenis is, ook voor de publieke belangen die daarbij zijn betrokken. Indien de leiding niet berekend is op het voeren van een prudent bancair beleid in wisselende omstandigheden, of indien zij het klantbelang ondergeschikt maakt aan het streven naar groei en winst, is het voor een toezichthouder haast onmogelijk voldoende corrigerend op te treden.
In de wetgeving moeten daarom meer mogelijkheden worden opgenomen om niet alleen de geschiktheid van individuele bestuurders te toetsen, maar ook de professionaliteit en evenwichtigheid van de organisatie als geheel. Ook in het toezicht zal de governance en de daarmee samenhangende cultuur van de bank een meer centrale positie moeten krijgen.