Rechtbank Amsterdam, 29-06-2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5691, C/13/573648 / HA ZA 14-962
Rechtbank Amsterdam, 29-06-2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5691, C/13/573648 / HA ZA 14-962
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 juni 2016
- Datum publicatie
- 20 september 2016
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2016:5691
- Zaaknummer
- C/13/573648 / HA ZA 14-962
Inhoudsindicatie
De rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de vordering ex artikel 431 lid 2 Rv (pseudo-exeqatur). Voldaan is aan de criteria Gazprombankarrest voor erkenning buitenlands vonnis. Bovendien is het Albanse vonnis op dit moment uitvoerbaar in Albanië. Vanwege het aanzienlijke resititutierisico wordt vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vorderingen ex artikelen 475g, 476a, 476b, 477 en 477a Rv worden afgewezen. Verder is er geen sprake van onrechtmatig handelen in groepsverband.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/573648 / HA ZA 14-962
Vonnis van 29 juni 2016
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
ALBANIABEG AMBIENT SH.P.K.,
gevestigd te Tirana, Albanië,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. T.R.B. de Greve te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
ENEL S.P.A.,
gevestigd te Rome, Italië,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
2. de vennootschap naar buitenlands recht
ENELPOWER S.P.A.,
gevestigd te Milaan, Italië,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ENEL INVESTMENT HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
4. de naamloze vennootschap
ENEL FINANCE INTERNATIONAL N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
5. de naamloze vennootschap
ENEL INSURANCE N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
6. de besloten vennootschap
INTERNATIONAL ENDESA B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
7. de besloten vennootschap
ENEL GREEN POWER INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
8. de besloten vennootschap
ENEL GREEN POWER SOUTH AFRICA B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
9. de besloten vennootschap
ENEL ESN MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
10. de besloten vennootschap
HYDROMAC ENERGY B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagden in conventie,
advocaten mrs. M.A. Leijten en J. de Bie Leuveling Tjeenk te Amsterdam.
Eiseres in conventie/verweerster in reconventie zal hierna ABA worden genoemd. Gedaagden in conventie zullen hierna gezamenlijk gedaagden worden genoemd, sub 1 en 2 gezamenlijk Enel c.s. (afzonderlijk Enel en Enelpower) en sub 3 tot en met 10 gezamenlijk de Enel-dochters.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 25 juli 2014,
- -
-
de akte houdende eisvermeerdering tevens akte overlegging producties tevens akte overlegging nadere producties van 8 oktober 2014, met producties,
- -
-
een herstelexploot van 22 oktober 2014,
- -
-
de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid tevens houdende eis in reconventie, met producties,
- -
-
de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- -
-
de conclusie van dupliek tevens houdende conclusie van repliek in het bevoegdheidsincident tevens houdende conclusie van repliek in reconventie, met producties, - de conclusie van dupliek in reconventie tevens conclusie van dupliek in het bevoegdheidsincident,
- -
-
het proces-verbaal van het op 23 januari 2016 gehouden pleidooi, met de daarin genoemde proceshandelingen en/of processtukken,
- -
-
de brief van mr. De Greve van 15 februari 2016, inhoudende een reactie op het proces-verbaal,
- -
-
de brief van mr. Leijten van 15 februari 2016, inhoudende een reactie op het proces-verbaal.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Enelpower, een dochtervennootschap van Enel, heeft op 2 februari 2000 een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de Italiaanse vennootschap Beccetti Energy Group S.p.A. (hierna: BEG). Het beoogde doel van de samenwerking was de realisatie en exploitatie van een waterkrachtcentrale nabij Kalivaç in Albanië (hierna: het project).
De samenwerkingsovereenkomst voorzag in de oprichting van een zogenaamd ‘special purpose vehicle’ (SPV) met BEG en Enelpower als aandeelhouders voor respectievelijk 51 en 49%. Deze SPV zou de waterkrachtcentrale feitelijk gaan exploiteren. De door de waterkrachtcentrale opgewekte elektriciteit en de bijbehorende groencertificaten zouden door de SPV op exclusieve basis worden verkocht aan Enel, die de elektriciteit in Italië zou verhandelen.
Enelpower heeft zich vóór de bouw van de krachtcentrale in het najaar van 2000 uit het project teruggetrokken. BEG heeft Enelpower aansprakelijk gesteld voor de door haar dientengevolge geleden schade. Nadat Enelpower iedere aansprakelijkheid had afgewezen, heeft BEG jegens Enelpower een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij het Hof van Arbitrage van de Kamer van Koophandel te Rome. Bij uitspraak van 25 november 2002 zijn de vorderingen van BEG afgewezen. Het Hof van Beroep te Rome heeft de vordering van BEG tot vernietiging van de arbitrale uitspraak bij beslissing van 9 maart 2009 afgewezen. Het hiertegen door BEG ingestelde cassatieberoep is bij beslissing van 20 oktober 2010 door het Hof van Cassatie te Rome verworpen.
ABA, een dochtervennootschap van BEG, heeft in mei 2004 bij de Albanese overheidsrechter een vordering tegen Enel c.s. ingesteld, stellende de SPV uit de samenwerkingsovereenkomst te zijn. De vordering strekt tot vergoeding van de door ABA geleden buitencontractuele schade wegens onrechtmatig handelen van Enel c.s. Bij vonnis van 24 maart 2009 (hierna: het Albanese vonnis) heeft de rechtbank te Tirana, Albanië, (vertaald) als volgt overwogen en beslist:
“(...)
Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het verzoek van de eisende partij is gebaseerd op de wetgeving en op bewijzen en derhalve moet worden toegewezen door de gedaagde partij te verplichten om aan de eiser de buitencontractuele schade voor het jaar 2004 te betalen, schade die door de deskundigen op 25.188.500 euro is berekend. Aangezien de waarde van de schade en de gederfde winst voor de periode 2005 – 2011 niet kan worden berekend, omdat de verkoopprijs van de elektrische energie mede door andere factoren wordt beïnvloed die op dit moment niet kunnen worden voorspeld, zal de waarde van de opbrengsten uit de elektrische energie voor de overige jaren voor elk jaar afzonderlijk worden berekend volgens de formule die in het deskundigenrapport is bepaald, op basis van de prijzen die zich op de markt hebben bewezen, Vn = (Q x Pn) + (Q x Pcn) (...)
(...)
BESLOTEN
De gedaagden partijen, de vennootschap “Enelpower” afdeling Albanië, de vennootschap “Enel” S.p.A. en de vennootschap “Enelpower” S.p.A., op te dragen aan de eisende partij, de vennootschap “Albania Beg Ambient” Sh.p.k., de waarde van de buitencontractuele schade ten bedrage van 25.188.500,00 (...) euro te betalen.
De gedaagde partijen (...) op te dragen aan de eisende partij (...) de buitencontractuele schade voor de hoeveelheid elektrische energie van 371.000.000 kWh per jaar voor de jaren 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 volgens de formule Vn= (Q x Pn) + (V x Pcn), als omschreven in het deskundigenrapport, dat integraal deel van dit vonnis uitmaakt, te betalen.(...)”
Voorts vermeldt het Albanese vonnis onder het kopje “OVERWEEGT dat” (volgens de door gedaagden overgelegde Nederlandse vertaling), voor zover hier van belang:
“Aangezien het de rechtbank op dit moment onbekend is hoeveel de waarde van de schade en van de gederfde winst (...) voor de jaren 2005 - 2011 zal zijn en dat de rechtbank enkel de formule voor de berekening van dergelijke schade voor zich heeft, oordeelt de rechtbank en geeft de eisende partij de opdracht om, op het moment dat ze de tenuitvoerlegging van deze uitspraak zal eisen, over de waarde van de schade voor de periode 2005 - 2011 (...), vooraf griffiekosten te betalen over het bedrag dat, aan de hand van de berekening die de deskundigen voor deze jaren zullen maken, zal worden vastgesteld.”
Het Hof van Appel te Tirana heeft bij uitspraak van 28 april 2010 het door Enel c.s. tegen het Albanese vonnis ingestelde hoger beroep afgewezen. Het hiertegen gerichte cassatieberoep is door het Hof van Cassatie te Tirana bij uitspraak van 7 maart 2011 verworpen. Enel c.s. heeft geen beroep ingesteld bij het Constitutioneel Hof van Albanië.
Bij verzoekschrift van 6 september 2011 heeft Enel c.s. bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geklaagd over - kort gezegd - de Albanese procedure. Het EHRM heeft Enel c.s. niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken althans de klachten van Enel c.s. kennelijk ongegrond verklaard.
Enel c.s. heeft tot op heden geweigerd om aan haar verplichtingen ingevolge het Albanese vonnis te voldoen. Inmiddels heeft ABA in Frankrijk, Ierland, Luxemburg en de Verenigde Staten procedures gestart, onder meer strekkende tot erkenning en tenuitvoerlegging van het Albanese vonnis. Daarin is nog geen uitspraak gedaan.
Krachtens verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft ABA op 6 juni 2014 ten laste van Enel c.s. conservatoire beslagen doen leggen op de aandelen van Enel in gedaagden sub 3 en 4 alsmede onder 41 derden, waaronder de Enel-dochters. Haar vordering is daarbij begroot op € 440 miljoen. In kortgeding heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij vonnis van 1 juli 2014 de vordering van ABA voorlopig nader begroot op € 25.188.500,00 en de beslagen opgeheven zodra door Enel c.s. aan ABA een bankgarantie is afgegeven voor dat bedrag.
Bij kortgedingvonnis van 18 september 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag onder meer ABA - kort gezegd - geboden een door Enel c.s. aangeboden bankgarantie, die aan in het vonnis nader omschreven voorwaarden dient te voldoen, binnen een termijn van één week na aanbieding daarvan te aanvaarden ter opheffing van de beslagen als bedoeld in het vonnis van 1 juli 2014.
Krachtens verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft ABA op 19 september 2014 wederom ten laste van Enel c.s. conservatoire beslagen doen leggen op de aandelen van Enel in gedaagden sub 3 en 4 alsmede onder (de) 41 derden, waaronder de Enel-dochters. Haar vordering is daarbij begroot op € 425 miljoen. In kortgeding heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij vonnis van 11 november 2014 de beslagen opgeheven onder de opschortende voorwaarde dat door Enel c.s. een bankgarantie aan ABA wordt afgegeven ten bedrage van € 425 miljoen, met bepaling dat die bankgarantie dient te voldoen aan de voorwaarden uit haar voornoemde kortgedingvonnis van 18 september 2014.
Blijkens overgelegde ‘derdenverklaringen’ van de Enel-dochters van 24 oktober 2014 hebben de beslagen van 6 juni 2014 doel getroffen voor € 166.656,00 en de beslagen van 19 september 2014 voor ruim € 763 miljoen.
Enel c.s. heeft hoger beroep ingesteld tegen de kortgedingvonnissen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 1 juli 2014, 18 september 2014 en 11 november 2014. Bij arrest van 9 februari 2016 heeft het hof Den Haag alle ten laste van Enel c.s. gelegde beslagen opgeheven tegen het stellen van een bankgarantie door Enel c.s. ten gunste van ABA voor € 440 miljoen, met daaraan gekoppeld een door ABA te stellen contra-garantie voor € 49.852.000,00 en voornoemde kortgedingvonnissen, voor zover hier van belang, vernietigd.
3 Het geschil
ABA vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zoals ter zitting nader is geconcretiseerd, kort weergegeven:
1. hoofdelijke veroordeling van Enel c.s. tot betaling van de buitencontractuele schade van
€ 25.188.500,00;
2. hoofdelijke veroordeling van Enel c.s. tot betaling van de buitencontractuele schade voor de hoeveelheid elektrische energie van 371.000.000 kWh per jaar, voor de jaren 2005 tot en met 2011 volgens de formule Vn= (Q x Pn) + (V x Pcn), zijnde € 407.903.370,00
(de vorderingen onder 1 en 2 belopen tezamen in totaal € 433.091.870,00);
3. veroordeling van gedaagden om aan de advocaat van ABA, althans aan de deurwaarder, iedere dertig dagen tot het moment dat geheel is voldaan aan de betalingsverplichtingen van Enel c.s. jegens ABA schriftelijk, nauwkeurig en gespecificeerd inlichtingen en opgave te verstrekken over diens binnen- en buitenlandse inkomens- en vermogenspositie en over voor verhaal vatbare binnen- en buitenlandse goederen, op straffe van een dwangsom;
4. veroordeling van de Enel-dochters te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 476a en 476b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), op straffe van een dwangsom;
5. hoofdelijke veroordeling van de Enel-dochters tot betaling aan ABA dan wel aan de deurwaarder van € 433.091.870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2014 tot de dag van algehele voldoening, althans, op straffe van een dwangsom, de Enel-dochters ieder te veroordelen tot afgifte van de verschuldigde goederen of af te geven zaken aan de deurwaarder;
6. hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot vergoeding van alle door ABA geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat;
7. althans zodanig te beslissen op iedere hiervoor onder 1 tot 6 weergegeven vordering als de rechtbank geraden voorkomt;
8. hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten, ten aanzien van Enel c.s. inclusief de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
ABA heeft haar vorderingen 1 en 2 zoals weergegeven onder 3.1 gebaseerd op artikel 431 lid 2 Rv. In dit kader vordert zij primair veroordeling tot hetgeen waartoe Enel c.s. in het Albanese vonnis is veroordeeld (de pseudo-exequatur) en subsidiair een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil.
Gedaagden voeren verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
Enel vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:
1. een verklaring voor recht dat ABA onrechtmatig heeft gehandeld;
2. veroordeling van ABA tot schadevergoeding, op te maken bij staat;
3. veroordeling van ABA in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Enel stelt daartoe samengevat dat zij schade heeft geleden als gevolg van de ten onrechte gelegde beslagen. Die schade bestaat uit de kosten van het stellen van een bankgarantie ter opheffing van de beslagen en de kosten voor het aantrekken van vreemd vermogen om haar bedrijfsactiviteiten te kunnen uitoefenen. De hoogte van de schade is thans nog niet bekend, zodat zij verwijzing naar de schadestaatprocedure vordert.
ABA voert verweer.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.