Home

Rechtbank Amsterdam, 14-12-2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:8311, KG ZA 16-1336

Rechtbank Amsterdam, 14-12-2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:8311, KG ZA 16-1336

Inhoudsindicatie

.

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/618544 / KG ZA 16-1336 MW/BM

Vonnis in kort geding van 14 december 2016

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

advocaten mr. J. Hagers en mr. M.D. van den Brink te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

BOEKEL N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie, vrijwillig verschenen,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. A.E. Goossens te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Boekel worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 30 november 2016 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Boekel heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening en in reconventie gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte voorwaardelijke eis in reconventie. [eiser] heeft de vordering in voorwaardelijke reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van [eiser] : [eiser] , mr. Hager en mr. Van den Brink;

aan de zijde van Boekel: mr. J. ter Meer (adviseur), M. Glerum (bestuurder), mr. W.F. Hendriksen (advocaat) en mr. Goossens.

2. De feiten

2.1.

Rubatex B.V. (hierna: Rubatex) was eigenaar van een perceel grond met opstallen, plaatselijk bekend als [adres] , kadastraal bekend [woonplaats] , sectie F , nummer 1001 (hierna het terrein). Rubatex exploiteerde op het terrein een latexfabriek. Rubatex is in 1994 in liquidatie getreden, waarna haar vermogen is vereffend.

2.2.

Op 14 december 1998 verkregen [eiser] en [naam 1] , voormalig zakenpartner van [eiser] (hierna: [naam 1] ), voor een bedrag van NLG 100.000,- het eerste en tweede hypotheekrecht op het terrein.

2.3.

In oktober/november 1999 hebben [eiser] en [naam 1] zich gewend tot mr. D.A.W. van Dijk, destijds werkzaam als advocaat bij Boekel (hierna mr. Van Dijk), voor advies bij het uitwinnen van hun hypotheekrechten op het terrein. Begin 2000 hebben [eiser] en [naam 1] de opdracht aan mr. Van Dijk uitgebreid. Mr. Van Dijk zou hen – in ieder geval – adviseren over de volgende drie punten: 1) het verkrijgen van de eigendom van het terrein, 2) het ontruimen van krakers en 3) het afkopen van de vordering van de Staat uit ongerechtvaardigde verrijking vanwege een uitgevoerde sanering van aangetroffen bodemverontreiniging.

2.4.

In de periode van 21 januari 2000 tot 23 maart 2000 hebben er in opdracht van de provincie Noord-Holland (hierna de Provincie) op het terrein en het naastgelegen buurperceel saneringswerkzaamheden plaatsgevonden. Op 7 december 2000 is er ter zake van deze saneringswerkzaamheden door ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud) een “Rapport Evaluatie sanering Rubatex-terrein ’s-Gravelandseweg 22 en 23 te Weesp ” opgesteld (hierna: het Oranjewoud-rapport). In het Oranjewoud-rapport staat vermeld – voor zover hier van belang – dat is gebleken dat het terrein en aangrenzende percelen “licht tot sterk verontreinigd waren met zware metalen en/of PAK”.

2.5.

Mr. Van Dijk heeft – namens [eiser] en [naam 1] – overleg gevoerd met de landsadvocaat van de Staat over rechtstreekse afkoop van de vordering van de Staat uit ongerechtvaardigde verrijking vanwege de uitgevoerde sanering van de aangetroffen bodemverontreiniging.

2.6.

In het kader van het overleg heeft [naam 1] in een e-mailbericht van 13 augustus 2001 het volgende aan mr. Van Dijk geschreven:

(...) Echter de staat zou exact moeten weten (en weet dat ook – zie enorm dik rapport) wat er nog wel en niet in aanmerking komt voor “schonen”. En ik stel dus voor dat wij een advies toevoegen of zo iets. Ik voel NIETS voor een tijdbom. (...)

2.7.

Op 30 november 2001 hebben [naam 1] en [eiser] het voorstel van de Staat aanvaard, inhoudende – kort samengevat – dat tegen betaling door [eiser] en [naam 1] de Staat afzag van zijn huidige en mogelijkerwijs toekomstige vordering(en) op grond van ongerechtvaardigde verrijking jegens hen terzake van de geconstateerde verontreiniging op het onderhavige perceel.

2.8.

Op 10 september 2002 hebben [naam 1] en [eiser] (middels hun persoonlijke houdstervennootschappen) Monumenten Vennootschap Veldzicht B.V. (hierna Veldzicht) opgericht teneinde het terrein fiscaal gunstig te kunnen verwerven.

2.9.

Op 25 oktober 2002 is het terrein door Rubatex aan Veldzicht geleverd tegen een koopprijs van NLG 5.293.601 (€ 2.402.131). In het kader van de financiering hebben [naam 1] en [eiser] vorderingen, die zij op Rubatex hadden, overgedragen aan Veldzicht voor een bedrag van NLG 5.193.601 (€ 2.356.753). Veldzicht heeft de koopsom voor het terrein betaald door middel van verrekening van de vorderingen op Rubatex. Daarnaast moest NLG 100.000 (€ 45.378,03) worden betaald.

2.10.

Op of omstreeks 8 februari 2005 heeft [eiser] Boekel gevraagd of de kosten van nadere sanering ten behoeve van de ontwikkeling van het terrein voor woningbouw voor rekening van de Staat kunnen worden gebracht.

2.11.

Omstreeks 29 april 2005 heeft Boekel de Provincie verzocht het Oranjewoud-rapport toe te zenden. Boekel heeft dit rapport, na ontvangst, op 9 juni 2005 aan [eiser] doorgestuurd.

2.12.

Bij e-mailbericht van 25 april 2007 heeft [eiser] aan Boekel het volgende geschreven:

“(..) Mijn angst was terecht. Op het terrein is nog steeds sprake van een zware verontreiniging (...)

Ik ben voornemens om met de ontwikkeling van het terrein te beginnen in mei a.s. (..)”.

2.13.

Op 12 oktober 2007 hebben [eiser] en [naam 2] een kredietovereenkomst gesloten, waarbij [naam 2] een krediet van € 4,5 miljoen in rekening-courant aan [eiser] ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van de her- en bouwfinanciering van het terrein. Tot zekerheid van terugbetaling van deze lening is een eerste recht van hypotheek verleend op het terrein ten behoeve van [naam 2] en zijn alle onderliggende overeenkomsten met betrekking tot het project verpand. Eveneens op 12 oktober 2007, schriftelijk vastgelegd op 14 augustus 2013, hebben [eiser] en Veldzicht een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij [eiser] een bedrag van € 4.500.000 heeft geleend aan Veldzicht.

2.14.

Bij brief van 14 mei 2008 heeft Boekel namens [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld voor alle schade in verband met de nadere sanering. Bij brief van 2 juni 2008 heeft mr. Braams namens de Staat de aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.15.

Bij dagvaarding van 1 november 2013 hebben [eiser] en Veldzicht bij deze rechtbank een procedure jegens Boekel aanhangig gemaakt. Zij hebben gevorderd om – kort samengevat – te verklaren voor recht dat Boekel jegens hen toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen en Boekel te veroordelen tot betaling van de schade nader op te maken bij staat. Bij vonnis van 29 oktober 2014 heeft deze rechtbank de vorderingen van [eiser] en Veldzicht afgewezen.

2.16.

Op 14 februari 2014 heeft Colliers International Consultants B.V. de marktwaarde van het terrein getaxeerd op € 1.650.000 (op basis van een bouwplan uit 2008/2009) en € 3.830.000 (op basis van woningbouwontwikkeling/verkaveling).

2.17.

[naam 2] heeft medio 2015 de kredietovereenkomst met [eiser] overgedragen aan Promontoria Holding 107 B.V. (hierna Promontoria).

2.18.

Bij arrest van 21 juni 2016 heeft het Gerechtshof Amsterdam (hierna het arrest):

-

het vonnis van 29 oktober 2014 vernietigd;

-

voor recht verklaard dat Boekel jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit hoofde van de met hem gesloten overeenkomst van opdracht en

-

Boekel veroordeeld tot betaling van de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat.

Het Gerechtshof heeft daartoe - onder andere - overwogen:

3.5.1.

In het licht van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat mr. Van Dijk in zijn advisering aan [eiser] is tekortgeschoten. Ook zonder expliciete daartoe strekkende opdracht mocht van mr. Van Dijk , als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat, worden verwacht dat hij ervoor zorg zou dragen dat hij zich op grond van de beschikbare stukken een beeld zou vormen van de afloop van de sanering die de Provincie had uitgevoerd, teneinde de omvang van de voor zijn cliënt als koper resterende restrisico’s in te kunnen schatten en daarover zo nodig nader te adviseren. Het Oranjewoud-rapport, dat op de sanering betrekking heeft, dateert van 7 december 2000; de onderhandelingen over de koop van het terrein vonden met name in 2001 plaats. Boekel heeft aangevoerd dat mr. Van Dijk ten tijde van de koop van het terrein niet over het Oranjewoud-rapport beschikte maar dat baat haar niet, nu zij niet tevens heeft aangevoerd dat hij ook niet over dat rapport kon of mocht beschikken. Juist als advocaat die cliënten bij de verkoop van het (net door de Provincie gesaneerde) terrein begeleidde had mr. Van Dijk het Oranjewoud-rapport, waarvan hij mocht aannemen dat het bestond, bij de Provincie moeten opvragen en vervolgens op zijn minst van de hoofdlijnen daarvan kennis moeten nemen. (...)

Uit deze gegevens had mr. Van Dijk kunnen afleiden dat er geen “eventuele” restverontreiniging was, maar dat er moest worden uitgegaan van ernstige verontreiniging van aanmerkelijke omvang. Van een dergelijke verontreiniging behoorde mr. Van Dijk [eiser] zonder meer op de hoogte te stellen, temeer nu [eiser] bij herhaling had laten weten niet bereid te zijn op dat vlak enig financieel risico te willen lopen. Deze verplichting had mr. Van Dijk ook als ten tijde van de koop nog niet vaststond wat [eiser] en [naam 1] met het terrein zouden gaan doen. (...)

3.10

Boekel heeft betwist dat [eiser] schade heeft geleden, omdat niet [eiser] maar Veldzicht op 25 oktober 2002 het terrein heeft verworven. Dat gegeven staat er evenwel niet aan in de weg dat de mogelijkheid van schade van [eiser] als gevolg van het tekortschieten van mr. Van Dijk wel aannemelijk is; meer is niet vereist voor toelating tot de schadestaatprocedure. Weliswaar heeft [eiser] in eerste aanleg bij gelegenheid van de comparitie na antwoord meegedeeld dat hij alle vorderingen ter zake de beroepsaansprakelijkheid van mr. Van Dijk aan Veldzicht heeft overgedragen, maar hij heeft dat niet met stukken onderbouwd en Boekel heeft deze cessie ter comparitie ook betwist. Het hof kan er daarom niet vanuit gaan dat deze vorderingen van [eiser] aan Veldzicht zijn overgedragen.

Boekel is in cassatie tegen het arrest gegaan.

2.19.

In januari 2016 heeft Promontoria de kredietfaciliteit aan [eiser] opgezegd en aangekondigd over te gaan tot uitwinning van de zekerheden wanneer het uitstaande bedrag niet wordt terugbetaald. Bij vonnis van 26 juli 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank – voor zover hier van belang – geoordeeld dat er zich in beginsel geen belemmeringen voordoen voor Promontoria om tot uitwinning van haar pand- en hypotheekrechten over te gaan. Veldzicht en [eiser] hebben spoedappel tegen dit vonnis ingesteld.

2.20. ’

[eiser] heeft Sman Business Value (hierna Sman) opdracht gegeven om de schade naar aanleiding van de veroordeling van Boekel in het arrest, te berekenen. In een schaderapport van 20 oktober 2016 (hierna het Sman-rapport) heeft Sman de geleden schade als volgt begroot:

Schadeposten

Schadepost

Invorderingsrente

Aankoop/overname

€ 2.402.131

€ 1.366.020,81

Afkoopsom Overheid inzake beslagen

€ 147.479

€ 83.677,95

Afkoopsom krakers en conciërge

€ 272.000

€ 126.240,44

Kosten grond en bodem sanering inclusief slopen opstallen

€ 1.288.075

€ 276.968,20

Rentelasten lening [eiser] inz. Bancaire garantie

€ 2.127.608

€ 470.197,72

Rentelasten lening [eiser] inz. Financiering aankoop

€ 1.451.145

€ 357.152,07

Facturen advocatuur en adviseurs inzake vervuilde grond/Boekel

€ 281.493

€ 82.162,33

Uren [eiser] inzake bodemsanering

€ 844.900

€ 243.225,26

Adviseurs inzake bodem(-sanering) en terrein

€ 108.987

€ 31.576,20

Architectenkosten project

€ 67.566

€ 31.141,77

Bouwvergunningen en leges

€ 117.728

€ 29.795,12

Bureau Hielkema (adviesbureau monumenten)

€ 41.589

€ 18.488,38

Kosten bouwteam

€ 392.879

€ 78.891,74

Taxatiekosten

€ 9.120

€ 3.939,87

Diversen

-

-

Kosten afwikkeling schadeuitkering

€ 164.484

-

€ 9.717.183

€ 3.199.478

In het Sman-rapport wordt de totale schade begroot op € 12.916.661. Voorts staat in het Sman-rapport dat na aftrek van de liquidatiekosten ad € 1.600.000 dit een saldo van € 11.316.661 oplevert.

2.21.

Bij dagvaarding van 9 november 2016 heeft [eiser] een schadestaatprocedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank waarin hij – kort samengevat – de schade ten bedrage van € 11.316.661 van Boekel vordert.

3 Het geschil in conventie

3.1. '

t Hoen vordert dat Boekel wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 4.600.000, althans een voorschot voor een nader te bepalen bedrag en de proceskosten.

3.2. ’

[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in het arrest geoordeeld dat Boekel aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. Het is niet aannemelijk dat het arrest in cassatie zal worden vernietigd. In het Sman-rapport wordt de totale schade begroot op € 11.316.661, zijnde het totaal van de schade en gemaakte kosten, vermeerderd met de wettelijke rente en verminderd met de liquidatiewaarde van het terrein. [eiser] voert aan dat alle schadeposten die in het SMAN-rapport zijn begroot kunnen worden toegerekend aan de wanprestatie van Boekel. Het is aannemelijk dat de vorderingen in de schadestaatprocedure zullen worden toegewezen voor tenminste het bedrag van het gevorderde voorschot. [eiser] stelt verder dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat Promontoria reeds de veiling van het terrein heeft aangezegd. [eiser] kan executieverkoop van het terrein alleen voorkomen als hij zijn verplichtingen jegens Promontoria nakomt, waarvoor hij het voorschot nodig heeft.

3.3.

Boekel voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1.

Boekel vordert dat indien de door [eiser] gevraagde voorziening wordt toegewezen, [eiser] zekerheid stelt door middel van een bankgarantie voor een bedrag gelijk aan de toegewezen voorziening totdat de rechter in de schadestaatprocedure over de schade heeft beslist.

4.2.

Boekel heeft aan haar voorwaardelijke eis in reconventie ten grondslag gelegd dat sprake is van een restitutierisico. Dat hiervan sprake is, volgt uit het feit dat [eiser] onvoldoende liquide middelen heeft om Promontoria te betalen om de executieveiling van het terrein te voorkomen, aldus Boekel. Ter terechtzitting heeft Boekel in dit kader verklaard dat zij geen genoegen neemt met de vestiging van een recht van hypotheek op het terrein in plaats van een bankgarantie.

4.3. '

[eiser] voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en voorwaardelijke reconventie

6 De beslissing