Home

Rechtbank Amsterdam, 25-01-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2979, C/13/634059 / HA RK 17-233

Rechtbank Amsterdam, 25-01-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2979, C/13/634059 / HA RK 17-233

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25 januari 2018
Datum publicatie
16 mei 2018
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2018:2979
Zaaknummer
C/13/634059 / HA RK 17-233

Inhoudsindicatie

Wet bescherming persoonsgegevens. Verzoek tot verwijdering zoekresultaten Google. Essentiële functie van zoekmachines in de huidige, wereldwijd door het internet verbonden, samenlevingen, zou onaanvaardbaar worden beperkt als het voor exploitanten van zoekmachines categorisch zou zijn verboden aan het publiek koppelingen ter beschikking te stellen naar publicaties waarin wordt bericht over strafrechtelijke verdenkingen tegen, of strafrechtelijke veroordelingen van medeburgers. Verwijzing naar HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316 (X/Google). Er is sprake van “bijzonder geval” dat rechtvaardigt een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat de grondrechten van een natuurlijk persoon als bedoeld in de artikelen 7 en 8 Handvest (het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens) in de regel zwaarder wegen dan, en dus voorrang hebben op, het economisch belang van de exploitant van de zoekmachine en het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die mogelijk toegang kunnen krijgen tot de desbetreffende zoekresultaten.

Uitspraak

beschikking

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/634059 / HA RK 17-233 FB/DP

Beschikking van 25 januari 2018

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker bij verzoekschrift van 15 augustus 2017,

advocaat mr. O.M.B.J. Volgenant te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

GOOGLE INC,

gevestigd te Mountain View, Californië (Verenigde Staten),

verweerster,

advocaat mr. D. Verhulst te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Google worden genoemd.

1 De procedure

Op 13 oktober 2017 is in deze zaak tussenbeschikking gegeven. Voor het procesverloop tot dan toe wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in die beschikking is opgenomen.

Het verdere procesverloop blijkt uit:

- het verweerschrift van Google, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 5 december 2017;

- de mondelinge behandeling, gehouden op 13 december 2017.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

Verzoeker] is een Nederlandse vastgoedinvesteerder met zakelijke activiteiten in Nederland, Duitsland en Frankrijk. [verzoeker] is een voormalige zakenpartner van wijlen [naam 1].

2.2.

Google is exploitant van de zoekmachine Google Search, die gebruikers aan de hand van een of meer door hen opgegeven zoekterm(en), helpt om informatie op internet te vinden. Naar aanleiding van de opgegeven zoekterm(en) geeft deze zoekmachine in een resultatenlijst hyperlinks (URL’s) weer, die verwijzen naar webpagina’s, afbeeldingen en locaties. De selectie en ordening van zoekresultaten, en de vertoning daarvan aan de gebruiker, geschiedt aan de hand van een algoritmisch proces.

2.3.

In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van [naam 1] heeft [naam vereffenaar], als vereffenaar van deze nalatenschap, in een procedure bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam verzocht om informatie over een strafrechtelijk- en/of fiscaalrechtelijk onderzoek ter zake van de verkoop door [verzoeker] van het evenementencomplex Go Planet te Enschede aan zijn voormalige echtgenote voor een (volgens [naam vereffenaar]) onzakelijk lage prijs. Daarop heeft het NRC Handelsblad op [datum] 2014 een artikel geplaatst met de titel ‘[titel 1]’. Op [datum] 2014 is het artikel van het NRC Handelsblad in iets andere bewoordingen opnieuw gepubliceerd op misdaadblog Crimesite.nl. Op [datum] 2016 heeft Het Parool een artikel gepubliceerd over het aanhoudende geschil over de afwikkeling van de nalatenschap van [naam 1] tussen [verzoeker] en de erven [naam 1]. In dit artikel zijn de standpunten van partijen verwerkt.

2.4.

In een e-mail van 4 oktober 2017 heeft de toenmalige gemachtigde van [verzoeker], [naam gemachtigde], Google verzocht om verwijdering van drie zoekresultaten die leiden naar de in 2.3. genoemde artikelen. In deze e-mail staat – voor zover van belang – onder meer het volgende:

“(...) Alle url’s bevatten strafrechtelijke persoonsgegevens die door u worden verwerkt. (...) Op basis van Artikel 16 Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) is het u verboden bijzondere persoonsgegevens te verwerken. De uitzonderingsgronden van Artikel 22 & 23 Wbp zijn hier niet van toepassing. Verschillende rechtbanken hebben hier inmiddels ook zo over besloten (...) Dientengevolge is deze verwerking niet toegestaan en verzoek ik u de betreffende pagina’s te blokkeren in uw zoekresultaten. (...)”

2.5.

In een e-mail van 11 april 2017 heeft Google dit verzoek geweigerd en aan de toenmalige gemachtigde van [verzoeker] onder meer het volgende meegedeeld:

“(...) We hebben uw klacht ontvangen en beoordeeld. Google heeft besloten op dit moment geen actie te ondernemen op basis van ons beleid inzake de verwijdering van inhoud. (...)”

2.6.

Op 19 mei 2017 heeft de toenmalige gemachtigde van [verzoeker] de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) verzocht te bemiddelen bij zijn verzoek aan Google tot verwijdering van drie zoekresultaten. Bij brief van 5 juli 2017 heeft de AP dit verzoek afgewezen en aan de toenmalige gemachtigde van [verzoeker] onder andere het volgende meegedeeld:

“(...) De AP heeft uw dossier onderzocht en op basis hiervan acht de AP het verzoek van uw cliënt niet opportuun. Hierbij spelen de volgende overwegingen een rol.

In deze zaak is niet op voorhand duidelijk dat Google evident in strijd handelt met de Wbp door het verzoek van uw cliënt af te wijzen. Zoals u aangeeft gaat het om strafrechtelijke gegevens, dit is meegewogen in de volgende afweging. De informatie in de zoekresultaten is (...) niet kennelijk onjuist. In tegenstelling tot uw argumentatie speelt uw cliënt als bekend zakenman wel een rol in het publieke leven. De zoekresultaten bevatten geen informatie over het privéleven van uw cliënt maar richten zich op zijn zakelijke transacties en zijn (vastgoed)bedrijven. Voorts blijkt uit het dossier niet dat het gaat om URL’s met sterk verouderde informatie. De berichten dateren uit 2014 en 2016. (...) Een beroep op artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is niet bedoeld om onwelgevallige maar niet onrechtmatige artikelen via een verwijderingsverzoek aan een zoekmachine-exploitant aan het zicht van het publiek te onttrekken. (...)”

3 Het geschil

3.1. [

Verzoeker] heeft verzocht om Google bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen binnen zeven dagen na betekening te verwijderen en verwijderd te houden de verwijzing naar de volgende zoekresultaten die voortkomen uit de zoekopdracht naar de naam van verzoeker (“[zoekopdracht 1]” en “[zoekopdracht 2]”)

I. [URL artikel 1]

II. [URL artikel 2]

III. [URL artikel 3]

uit de zoekresultaten die worden getoond door Google, inclusief maar niet beperkt tot Google.com, Google.nl en alle lokale EU versies van Google Search,

zodanig dat deze zoekresultaten niet meer worden getoond aan gebruikers die vanuit de EU, althans Nederland deze zoekopdracht geven,

op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Google in de proceskosten.

3.2. [

Verzoeker] heeft daartoe aangevoerd dat de activiteiten van Google als exploitant van de zoekmachine Google Search om zoekresultaten met betrekking tot personen automatisch te indexeren en in een bepaalde volgorde ter beschikking te stellen aan internetgebruikers, een verboden verwerking van persoonsgegevens opleveren. Op grond van het Costeja-arrest (HvJ EU 13 mei 2014, zaak C-131/12 Google Spain/Costeja), de Privacyrichtlijn en de Wet Bescherming Persoonsgegevens (artikel 36 lid 1 en 40 lid 1) (hierna: Wbp) is Google gehouden om desgevraagd de koppelingen naar webpagina’s waarop informatie over [verzoeker] te vinden is, te verwijderen uit de resultatenlijst die na een zoekopdracht op de naam [verzoeker] wordt weergeven. Deze verplichting geldt ook als de publicatie op de webpagina op zichzelf rechtmatig is. De publicaties zijn echter onnauwkeurig, ontoereikend en niet (meer) ter zake dienend (verouderd) ten aanzien van het doel van de verwerking. De procedure bij de Ondernemingskamer is namelijk inmiddels ingetrokken. Verder dateren de gewraakte transacties van 10 jaar geleden. Het opsporingsonderzoek van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) is reeds in 2014 afgerond. Nog steeds is echter geen strafzaak tegen [verzoeker] aanhangig gemaakt ter zake van oplichting, verduistering of fraude en dat valt inmiddels ook niet meer te verwachten. De beschuldiging is bovendien destijds geuit door de bewindvoerder en niet door de opsporingsautoriteiten.

Tegen deze achtergrond tegen het recht op privacy van [verzoeker] inmiddels zwaarder dan het economisch belang van Google en het belang van de internetgebruikers op het inzien van die publicaties. Google heeft zonder een belangenafweging te maken geweigerd om de zoekresultaten op naam van [verzoeker] te verwijderen en verwijderd te houden.

Daarnaast is het Google verboden strafrechtelijke persoonsgegevens te verwerken, behoudens de limitatief opgesomde uitzonderingen in artikelen 22 en 23 Wbp. Deze uitzonderingen doen zich in het onderhavige geval niet voor. Google stelt zelf geen teksten samen en presenteert geen resultaten van eigen meningsvorming. Daarom komt haar bij de verwerking van de strafrechtelijke gegevens (in dit geval: verdenkingen) betreffende [verzoeker] geen beroep op de journalistieke exceptie toe.

Daarbij komt verder dat de naam [verzoeker] uniek is en direct tot hem herleidbaar. Het publieke belang bij kennisneming van niet-gesubstantieerde beschuldigingen waartegen [verzoeker] zich niet heeft kunnen verdedigen is thans nog zeer gering en weegt niet op tegen zijn recht op bescherming van zijn privacy en de negatieve consequenties voor [verzoeker], zowel zakelijk als privé. Het enkele feit dat [verzoeker] verdacht werd van het plegen van strafbare feiten levert inmiddels onvoldoende belang op om deze informatie bij het zoeken op zijn naam naar voren te laten komen. Dit geldt temeer nu [verzoeker] geen publieke figuur is. Hij ondervindt zowel zakelijk als privé substantiële hinder als gevolg van de zoekresultaten.

Ook na verwijdering van de door Google aangebrachte koppelingen blijven de publicaties aanwezig op de webpagina’s zelf. Zij zijn vindbaar voor zoekmachines met het gebruik van andere zoektermen.

De vraag of [verzoeker] een Verklaring omtrent het Gedrag (hierna: VOG) kan verkrijgen speelt in dit verband geen rol.

Ten slotte heeft [verzoeker] aangevoerd dat Google in strijd heeft gehandeld met de eisen van een goede procesorde doordat haar verweerschrift niet voldoet aan de eis van concentratie van verweer.

3.3.

Google stelt zich op het standpunt dat zij (in beginsel) een gerechtvaardigd belang heeft om persoonsgegevens te verstrekken. Er bestaat geen algemeen recht om niet vindbaar te zijn of om zelf te bepalen welke informatie via zoekmachines op het internet wordt ontsloten. De aanspraak van de betrokkene om vergeten te worden is niet absoluut, maar geclausuleerd. Er bestaat slechts een recht op verwijdering van persoonsgegevens indien deze ontoereikend, niet (meer) ter zake dienend of bovenmatig zijn voor de doeleinden van de verwerking. Het verwijderingsrecht is niet bedoeld om personen te beschermen tegen negatieve of smadelijke berichtgeving op internet. Er wordt bovendien pas toegekomen aan een belangenafweging als aan de vereisten van artikel 36 en 40 Wbp is voldaan.

De in 3.1 bedoelde zoekresultaten verwijzen naar recente publicaties over (het zakelijke handelen van) [verzoeker]. De publicaties zijn juist, actueel en relevant voor het beoordelen van de professionele integriteit van [verzoeker]. De zoekresultaten zijn de enige verwijzingen op het internet naar straf- en fiscaalrechtelijke verdenkingen tegen [verzoeker]. Verwijdering daarvan kan leiden tot een verdraaid beeld, doordat mogelijke professionele misstanden waarbij [verzoeker] betrokken is (geweest) daardoor minder gemakkelijk vindbaar zullen zijn en uitsluitend de successen van [verzoeker] vindbaar zullen blijven. Daardoor zou het publiek onvolledig worden geïnformeerd. Daarbij komt dat de publicaties geen informatie bevatten over het privéleven van [verzoeker]. Ook zijn de publicaties niet onnodig grievend, waarheidsgetrouw en het gevolg van het eigen handelen van [verzoeker].

Indien al aan de belangenafweging zou worden toegekomen, is het aan [verzoeker] om aannemelijk te maken dat zijn belangen zwaarder wegen dan die van Google en de internetgebruikers. Er dient sprake te zijn van bijzondere persoonlijke omstandigheden die verwijdering rechtvaardigen. Hoewel het privacybelang in dat geval in beginsel prevaleert, is in het Costeja-arrest mede overwogen dat steeds een juist evenwicht moet worden gezocht tussen alle betrokken grondrechten. In het onderhavige geval bestaat er een overwegend belang voor het publiek om toegang tot de informatie te blijven behouden.

[Verzoeker] komt ook geen beroep toe op artikel 16 Wbp, nu het aanbieden door Google van een algemene zoekmachine en bekendmaking aan het publiek van informatie, meningen of ideeën van derden, valt onder de journalistieke exceptie. Bij een beroep op artikel 16 Wbp geldt niet het uitgangspunt dat het privacybelang groot gewicht toekomt.

De omstandigheid dat het gaat om bijzondere persoonsgegevens is volgens de AP en de Artikel 29 Werkgroep van de Europese privacytoezichthouder slechts één omstandigheid die een rol speelt in de afweging van het belang van verzoekers tegen het belang van de internetgebruikers. Verder is volgens de AP geen sprake van evident onjuist handelen van Google. Zij heeft dan ook geen aanleiding gezien te bemiddelen in de onderhavige kwestie.

Subsidiair dient het verwijderingsrecht beperkt te blijven tot de zoekresultaten die worden gevonden op de volledige naam van [verzoeker]. Voor een verderstrekkend, wereldwijd, bevel is geen plaats. Een dwangsom is niet nodig, nu Google een veroordeling vrijwillig zal naleven. Indien al een dwangsom wordt opgelegd, zal daaraan de voorwaarde moeten worden verbonden van betekening overeenkomstig het Haags Betekeningsverdrag.

Ten slotte heeft Google aangevoerd dat zij alle recht heeft pas ter zitting haar verweer tegen de vordering kenbaar te maken.

4 De beoordeling

5 De beslissing