Home

Rechtbank Amsterdam, 22-03-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3354, 634129 HA RK 17-238

Rechtbank Amsterdam, 22-03-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3354, 634129 HA RK 17-238

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22 maart 2018
Datum publicatie
16 mei 2018
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2018:3354
Zaaknummer
634129 HA RK 17-238

Inhoudsindicatie

Bescherming persoonsgegevens. Verzoek tot Verwijdering uit zoekmachine Google Search: het recht om vergeten te worden, belangenafweging.

Uitspraak

beschikking

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/634129 / HA RK 17-238

Beschikking van 22 maart 2018

in de zaak van

[VERZOEKER],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde W.C.E. Baron van Lynden te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

GOOGLE LLC.,

gevestigd te Mountain View, California, Verenigde Staten van Amerika

verweerster,

advocaten mr. A. Strijbos en mr. R.D. Chavannes te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Google worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 16 augustus 2017,

-

de vertaling van het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 23 oktober 2017,

-

de tussenbeschikking van 23 november 2017, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

-

het verweerschrift met bijlagen,

-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 31 januari 2018, met het daarin genoemde stukken,

-

de brief van 16 maart 2018 van Van Lynden naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden. Partijen zijn de van de (uitgestelde) beschikkingsdatum op de hoogte gesteld.

2 De feiten

2.1. [

verzoeker] is een producent van muziek.

2.2.

Google is exploitant van de internetzoekmachine Google Search (hierna: de zoekmachine). Deze zoekmachine helpt gebruikers om informatie elders op het internet te vinden. Gebruikers kunnen één of meer zoektermen opgeven, waarna de zoekmachine resultaten weergeeft. Deze zoekresultaten bevatten verwijzingen (hyperlinks) naar internetadressen van webpagina’s (URL’s) met een kort tekstfragment, de snippet. De selectie en ordening van de zoekresultaten, en de vertoning daarvan aan de gebruiker, vindt plaats aan de hand van een geautomatiseerd algoritmisch proces.

Ten aanzien van URL I

2.3.

Op 10 oktober 2012 heeft Quotenet een artikel gepubliceerd op haar website met als kop: “[publicatie I]” (hierna: publicatie I). Publicatie I beschrijft de verdenkingen van de Belastingdienst tegen [verzoeker]. In het artikel wordt [verzoeker] met zijn volledige voor- en achternaam genoemd.

2.4.

Als in de zoekmachine de zoekopdracht “[verzoeker]” wordt ingegeven wordt een zoekresultaat weergegeven. Op de tweede pagina van het zoekresultaat verschijnt een hyperlink (URL) naar publicatie I in het volgende tekstfragment:

[snippet publicatie I]

Ten aanzien van URL II

2.5.

Op 11 oktober 2012 heeft de Telegraaf een artikel gepubliceerd op haar website met als kop: “[publicatie II]” (hierna: publicatie II). Publicatie II beschrijft dat de Belastingdienst heeft ontdekt dat [verzoeker] gelden heeft doorgesluisd naar een stichting op het Britse Kanaaleiland Jersey. Publicatie III verwijst naar een andere pagina waar de lezer meer informatie kan vinden. In het artikel wordt [verzoeker] met zijn volledige voor- en achternaam genoemd.

2.6.

Als in de zoekmachine de zoekopdracht “[verzoeker]” wordt ingegeven verschijnt een zoekresultaat met op de achtste pagina een hyperlink naar publicatie II in het volgende tekstfragment:

[snippet publicatie II]

2.7. [

verzoeker] heeft via een digitaal formulier op 12 april 2017 Google verzocht tot het verwijderen van de URL I . Als reden voor de verwijdering is –voor zover van belang – onder meer het volgende opgenomen:

“Hierbij verzoek ik u de onderstaande zoekresultaten te verwijderen uit de lijst met zoekresultaten voor zoekopdrachten die gerelateerd zijn aan de zoekterm “[verzoeker]”. Hieronder zal ik toelichten dat deze zoekresultaten primair zijn aan te merken als verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens en zodoende in strijd zijn met artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens (“Wbp”). Subsidiair is de verwerking van persoonsgegevens in dit zoekresultaat in strijd met het Costeja-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 mei 2014 (c-131/12).”

2.8.

Bij digitaal formulier van eveneens 12 april 2017 heeft [verzoeker] Google verzocht tot verwijdering van de URL II. Als reden voor de verwijdering is –voor zover van belang- onder meer het volgende opgenomen:

“Hierbij verzoek ik u de onderstaande zoekresultaten te verwijderen uit de lijst met zoekresultaten voor zoekopdrachten die gerelateerd zijn aan de zoekterm “[verzoeker]”. De verwerking van persoonsgegevens in dit zoekresultaat in strijd met het Costeja-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 mei 2014 (c-131/12).”

2.9.

Google heeft per email van 19 april 2017 aangegeven niet tot verwijdering van de URL’s I en II (hierna gezamenlijk: URL’s) over te gaan. Google heeft hierover onder meer het volgende medegedeeld:

“In dit geval lijkt het erop dat de URL’s in kwestie betrekking hebben tot aangelegenheden van wezenlijk belang voor het publiek met betrekking tot uw professionele leven. Deze URL’s kunnen bijvoorbeeld van belang zijn voor potentiële of huidige consumenten, gebruikers of deelnemers van uw diensten. Informatie over de recente beroepen of bedrijven waarbij u betrokken was kan ook van belang zijn voor potentiële of huidige consumenten, gebruikers of deelnemers van uw diensten. Dienovereenkomstig wordt de verwijzing naar dit document in onze zoekresultaten voor uw naam gerechtvaardigd door het belang van het grote publiek hier toegang toe te hebben.”

2.10.

Bij brief van 2 mei 2017 heeft [verzoeker] de Autoriteit Persoonsgegevens verzocht om bemiddeling ten einde te bewerkstelligen dat URL’s wordt verwijderd.

2.11.

Bij brief van 7 juli 2017 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens aangegeven geen bemiddelingspoging te doen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1. [

verzoeker] verzoekt Google, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:

1. om binnen een week na betekening van de beschikking op dit verzoekschrift, althans een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn, de URL’s die voortkomen uit de zoekopdracht naar de naam van “[verzoeker]”:

- [ publicatie I];

- [ publicatie II];

- [ URL III];

uit de zoekresultaten te verwijderen en daaruit verwijderd te houden, zodanig dat deze niet meer worden getoond aan gebruikers die vanuit Nederland deze zoekopdrachten geven, en worden verwijderd uit alle lokale EU versies van Google Search;

2. tot betaling van een dwangsom van € 5.000, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Google in gebreke blijft om het sub 1. verzochte bevel na te komen;

3. in de kosten van deze procedure.

3.2. [

verzoeker] heeft naast de verwijdering van de URL’s I en II eveneens verzocht om de verwijdering van de URL (hierna: URL III): [URL III]. Deze URL verwijst naar de publicatie (hierna: publicatie III) van het artikel “[publicatie III]” wat is gepubliceerd op de website van [naam website] op 23 augustus 2013. Dit artikel beschrijft de mogelijkheden voor belastingontduiking. In het artikel wordt [verzoeker] met zijn volledige voor- en achternaam genoemd. [verzoeker] stelt dat als in de zoekmachine de zoekopdracht “[verzoeker]” wordt ingegeven een zoekresultaat verschijnt met een hyperlink naar dit artikel met het volgende tekstfragment:

[snippet URL III]

3.3. [

verzoeker] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. De activiteit van een zoekmachine om zoekresultaten automatisch te indexeren en in een bepaalde volgorde ter beschikking te stellen aan internetgebruikers moet worden gekwalificeerd als verwerking van persoonsgegevens wanneer deze informatie persoonsgegevens bevat. De exploitant van de zoekmachine is verantwoordelijk voor de juiste wijze van verwerking hiervan.

Op grond van artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is het verboden bijzondere persoonsgegevens te verwerken, behoudens de limitatief opgesomde uitzonderingen van artikel 22 en 23 Wbp. De URL’s hebben betrekking op de vermeende belastingontduiking door [verzoeker]. In de publicaties I en III spreken de journalisten expliciet over belastingontduiking en de daarmee gepaard gaande mogelijke strafrechtelijke maatregelen zoals vervolging of boete. Deze geuite verdenkingen zijn aan te merken als een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld en dientengevolge betreft het hier “bijzondere persoonsgegevens”. De in de publicaties genoemde verwijzing naar belastingontduiking zijn incorrect en irrelevant. Uit de vaststellingsovereenkomst van verzoeker met de Belastingdienst blijkt dat er geen sprake is van ‘fraus legis’ en er dus geen belastingontduiking heeft plaatsgevonden. De publicatie III toont daarnaast een afbeelding van [verzoeker] waarvoor hij geen toestemming heeft gegeven en waaruit eenvoudig zijn ‘ras’ kan worden afgeleid wat een bijzonder persoonsgegeven is. Publicatie II spreekt over een geheim ‘spaarpotje’ wat [verzoeker] dreigt te verliezen. Dit is incorrect. [verzoeker] heeft geen geld verstopt voor de Belastingdienst, noch is hij het genoemde bedrag kwijt geraakt. Hiermee is de informatie niet correct en niet langer relevant. Het beroep van Google op de journalistieke exceptie als bedoeld in artikel 3 van de Wbp gaat niet op omdat hetgeen Google presenteert niet door haarzelf geschreven is, maar is verkregen door de geautomatiseerde verwerking van de zoekmachine. De privacybelangen van [verzoeker] wegen zwaarder dan de belangen die Google heeft bij weergave van een volledig zoekresultaat. [verzoeker] lijdt zowel persoonlijk als zakelijk reputatieschade als gevolg van de inhoud van de getoonde URL’s. [verzoeker] is geen publieke figuur en zijn rol in het openbare leven is beperkt. Dit betekent dat zowel het beroep op artikel 36 als het beroep op artikel 40 van de Wbp voor Google aanleiding moet zijn de gevraagde koppelingen te verwijderen.

3.4.

Google verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Google is van mening dat zij het verwijderingsverzoek van [verzoeker] terecht heeft afgewezen. Ten aanzien van URL III voert Google aan dat wanneer de zoekopdracht “[verzoeker]” wordt gegeven de URL niet (meer) in de zoekresultaten verschijnt. Voor zover [verzoeker] een beroep heeft gedaan op de omstandigheden als bedoeld in artikel 36 en 40 Wbp voert Google aan dat er geen sprake is van zwaarwegende en gerechtvaardigde omstandigheden die verband houden met een bijzondere situatie van [verzoeker] en die onderdrukking van het gewraakte zoekresultaat rechtvaardigen. De zoekresultaten zijn niet onjuist, irrelevant of bovenmatig. De links verwijzen naar bronartikelen die betrekking hebben op het zakelijk leven van [verzoeker]. Het publiek heeft belang bij de toegang tot die informatie en de artikelen zijn van een recente datum. De toelichting van [verzoeker] op de door hem geëiste verwijderingen zijn summier voor wat betreft de feiten. [verzoeker] stelt niets over de gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot de discussie met de Belastingdienst en legt geen informatie over waaruit blijkt dat de feiten omschreven in de gewraakte artikelen, niet juist zijn. [verzoeker] voert enkel aan dat hij reputatieschade lijdt, maar licht dit niet verder toe. Ten aanzien van URL I stelt [verzoeker] slechts dat de informatie “incorrect en verouderd” is omdat de kwestie inmiddels met de Belastingdienst is afgerond, maar een verdere toelichting ontbreekt. Uit de twee bewijsstukken die [verzoeker] overlegt blijkt niet dat hetgeen de journalisten in de gewraakte publicaties aanhalen geen steun vindt in de feiten, althans onjuist is. Ten aanzien van URL II voert Google aan dat uit het artikel blijkt dat sprake is van een gedegen onderzoek, waarbij [verzoeker] de kans heeft gehad om te reageren maar dit niet heeft gedaan. Daarbij komt dat de bewoordingen in het artikel niet tendentieus, suggestief of op sensatiegericht zijn. Bij dit alles moet worden bedacht dat de naam “[verzoeker]” veel voorkomt in Nederland en dus ook veel zoekresultaten oplevert over tal van verschillende mensen met die naam. Ook kan [verzoeker] geen geslaagd beroep doen op artikel 16 van de Wbp omdat in de gewraakte URL’s geen strafrechtelijke gegevens als bedoeld in dit artikel worden verwerkt. Er is immers noch in de zoekresultaten, noch in de bronpagina’s waarnaar wordt verwezen, sprake van in voldoende mate vaststaande, zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij als een strafbaar feit te kwalificeren zijn. “belastingontduiking” is als zodanig niet strafbaar gesteld. Het is een term die gebezigd wordt door journalisten, zonder dat zij een oordeel vellen over de strafrechtelijke verwijtbaarheid. Bovendien zou een categorisch verbod op het verwerken van (bijzondere) persoonsgegevens door Google leiden tot ongewenste gevolgen. Google doet in dit verband een beroep op de journalistieke exceptie als bedoeld in artikel 3 van de Wbp, in samenhang met artikel 11 Handvest, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Een beroep op de journalistieke exceptie dient ruim te worden uitgelegd en dient te worden toegepast voor zover nodig om het recht op persoonlijke levenssfeer te verzoenen met de regels betreffende vrijheid van meningsuiting. Dit betekent dat het grondrecht van vrije meningsuiting niet bij voorbaat is afgesloten wanneer Google strafrechtelijke gegevens verwerkt. Er dient hier een belangenafweging plaats te vinden. Nu in het geval van [verzoeker] uitsluitend gegevens zijn gedeeld over zijn zakelijke leven en niet over zijn privéleven dient weging in het voordeel van Google te zijn. Bovendien zal een al te rigide toepassing van artikel 16 Wbp er toe leiden dat zoekmachines in het geheel niet mogen verwijzen naar webpagina’s waarop gegevens staan die in relatie staan tot één of meer individuen en gelden als bijzondere persoonsgegevens.

3.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna – voor zover nodig- nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing