Rechtbank Amsterdam, 22-03-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3355, 632160 HA RK 17-193
Rechtbank Amsterdam, 22-03-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3355, 632160 HA RK 17-193
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 maart 2018
- Datum publicatie
- 16 mei 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2018:3355
- Zaaknummer
- 632160 HA RK 17-193
Inhoudsindicatie
Bescherming persoonsgegevens. Verzoek tot Verwijdering uit zoekmachine Google Search: het recht om vergeten te worden, belangenafweging.
Uitspraak
beschikking
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/632160 / HA RK 17-193
Beschikking van 22 maart 2018
in de zaak van
[VERZOEKER],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde W.C.E. baron van Lynden te Amsterdam,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
GOOGLE LLC.,
gevestigd te Mountain View, California, Verenigde Staten van Amerika
verweerster,
advocaten mr. A. Strijbos en mr. R.D. Chavannes te Amsterdam.
Partijen zullen hierna en [verzoeker] en Google worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 11 juli 2017,
- -
-
de vertaling van het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 11 oktober 2017,
- -
-
de tussenbeschikking van 2 november 2017, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- -
-
het verweerschrift met bijlagen,
- -
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 24 januari 2018, met de daarin genoemde stukken,
- -
-
de brief van 19 maart 2018 van Van Lynden naar aanleiding van het proces-verbaal.
De beschikking is bepaald op heden. Partijen zijn de van de (uitgestelde) beschikkingsdatum op de hoogte gesteld.
2 Feiten
verzoeker] is gedurende enige tijd werkzaam geweest als accountant voor Ernst & Young.
Google is exploitant van de internetzoekmachine Google Search (hierna: de zoekmachine). Deze zoekmachine helpt gebruikers om informatie elders op het internet te vinden. Gebruikers kunnen één of meer zoektermen opgeven, waarna de zoekmachine resultaten weergeeft. Deze zoekresultaten bevatten verwijzingen (hyperlinks) naar internetadressen van webpagina’s (URL’s) met een kort tekstfragment, de snippet. De selectie en ordening van de zoekresultaten, en de vertoning daarvan aan de gebruiker, vindt plaats aan de hand van een geautomatiseerd algoritmisch proces.
Ten aanzien van URL I
Op 17 december 2012 heeft de beleggersvereniging VEB (hierna VEB) een artikel gepubliceerd op haar website met als kop: “[publicatie I].” (hierna: publicatie I). Publicatie I beschrijft de verdenkingen van de AFM gericht tegen [verzoeker]. In het artikel wordt [verzoeker] met zijn volledige voor- en achternaam genoemd.
Als in de zoekmachine de zoekopdracht “[verzoeker]” wordt ingegeven verschijnt op de tweede pagina van het zoekresultaat een hyperlink (URL) naar publicatie I op de website van de VEB in het volgende tekstfragment (de snippet):
[snippet publicatie I]
Ten aanzien van URL II
Op 27 juli 2013 heeft de VEB een artikel gepubliceerd op haar website met als titel: “[publicatie II]” (hierna publicatie II). Publicatie II beschrijft de uitspraak van de tuchtrechter van de Accountantskamer in de procedure tegen [verzoeker]. [verzoeker] wordt in het artikel met zijn volledige achternaam en voornaam genoemd.
Als in de zoekmachine de zoekopdracht “[verzoeker]” wordt ingegeven verschijnt een zoekresultaat met op de tweede pagina een link naar publicatie II op de website van de VEB in het volgende tekstfragment:
[snippet publicatie II]
Ten aanzien van URL III
Op 17 december 2012 heeft Quotenet op haar website een artikel gepubliceerd met de titel: “[publicatie III]” (hierna publicatie III). Publicatie III beschrijft de uitkomsten van een onderzoek van Ernest & Young en de start van de tuchtzaak tegen [verzoeker]. [verzoeker] wordt in het artikel met zijn volledige voor- en achternaam genoemd.
Als in de zoekmachine de zoekopdracht “[verzoeker]” wordt ingegeven verschijnt een zoekresultaat met op de derde pagina een link naar publicatie III op de website van de VEB in het volgende tekstfragment:
[snippet publicatie III]
verzoeker] heeft bij digitaal formulier van 7 april 2017 Google verzocht tot het verwijderen van de URL’s I, II en III (hierna gezamenlijk de URL’s). Als reden voor de verwijdering is – voor zover van belang – onder meer het volgende opgenomen:
“Betreffende url’s bevatten strafrechtelijke persoonsgegevens van [verzoeker]. Deze gegevens worden zowel op de pagina’s zelf, als rechtstreeks in de zoekresultaten getoond. Het tonen van deze gegevens is schadelijk voor de reputatie van [verzoeker]. Op basis van artikel 16 Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) is het u verboden bijzondere persoonsgegevens te verwerken. De uitzonderingen opgesomd in artikel 22 Wbp zijn hier niet van toepassing. Dientengevolge is deze verwerking niet toegestaan en verzoek ik u betreffende pagina’s te blokkeren in uw zoekresultaten. (...)”
Per email van eveneens 7 april 2017 heeft [verzoeker] zijn verzoek nader toegelicht.
Per e-mail van 12 april 2017 heeft Google verzocht om relevante documentatie of een gedetailleerde uitleg waarin wordt beschreven hoe de aanklachten waarnaar wordt verwezen op deze pagina’s zijn ingetrokken of anderszins in het voordeel van [verzoeker] zijn opgelost.
Bij e-mail van 20 april 2017 heeft [verzoeker] ter onderbouwing van zijn verzoek aan Google de uitspraak van de accountantskamer doen toekomen.
Google heeft per email van 6 mei 2017 aangegeven niet tot verwijdering over te gaan. Google heeft hierover onder meer het volgende medegedeeld:
“In dit geval lijkt het erop dat de URL’s in kwestie betrekking hebben tot aangelegenheden van wezenlijk belang voor het publiek met betrekking tot uw professionele leven. Deze URL’s kunnen bijvoorbeeld van belang zijn voor potentiële of huidige consumenten, gebruikers of deelnemers van uw diensten. Informatie over de recente beroepen of bedrijven waarbij u betrokken was kan ook van belang zijn voor potentiële of huidige consumenten, gebruikers of deelnemers van uw diensten. Dienovereenkomstig wordt de verwijzing naar dit document in onze zoekresultaten voor uw naam gerechtvaardigd door het belang van het grote publiek hier toegang toe te hebben.”
Bij brief van 19 mei 2017 heeft [verzoeker] de Autoriteit Persoonsgegevens verzocht om bemiddeling ten einde te bewerkstelligen dat URL’s wordt verwijderd.
Bij brief van 8 juni 2017 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens aangegeven geen bemiddelingspoging te doen.
3 Het verzoek en het verweer
verzoeker] verzoekt Google, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:
1. om binnen een week na betekening van de beschikking op dit verzoekschrift, althans een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn, de verwijzing naar de URL’s die voortkomen uit de zoekopdracht, naar de naam van “[verzoeker]” en “[verzoeker]”:
- -
-
[publicatie I]
- -
-
[publicatie II]
- -
-
[publicatie III]
uit de zoekresultaten te verwijderen en daaruit verwijderd te houden;
2. tot betaling van een dwangsom van € 5.000, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Google in gebreke blijft om het verzochte onder sub 1. na te komen;
3. in de kosten van deze procedure.
verzoeker] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. De activiteit van een zoekmachine om zoekresultaten automatisch te indexeren en in een bepaalde volgorde ter beschikking te stellen aan internetgebruikers moet worden gekwalificeerd als verwerking van persoonsgegevens wanneer deze informatie persoonsgegevens bevat. De exploitant van de zoekmachine is verantwoordelijk voor de juiste wijze van verwerking hiervan.
Op grond van artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is het verboden bijzondere persoonsgegevens te verwerken, behoudens de limitatief opgesomde uitzonderingen van artikel 22 en 23 Wbp. Uit de toelichting bij de wet blijkt dat ook tuchtrechtelijke gegevens bijzondere persoonsgegevens zijn. [verzoeker] ondervindt substantiële hinder van de blijvende opname van de URL’s in de zoekresultaten. Vooral doordat gesproken wordt over “feiten” die later door de rechters niet bewezen zijn verklaard en over klachten die niet zijn toegekend omdat ze ongegrond waren. Hierdoor ontstaat een beeld van [verzoeker] dat niet aansluit bij de werkelijkheid, maar waar hij wel op wordt afgerekend. In URL I wordt gesproken over de eis en de klachten van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) ten aanzien van [verzoeker]. Door het publiceren van deze verdenkingen is de reputatie van [verzoeker] sterk beschadigd. Te meer daar in het artikel herhaaldelijk de nadruk wordt gelegd op een vermeende valse factuur waarvan in de uitspraak van de Accountantskamer is vastgesteld dat de daarmee samenhangende klacht ongegrond is. In URL II wordt de uitspraak van de Accountantskamer besproken, hierbij wordt gesproken over de opgelegde berisping en de niet toegekende maatregelen. Dit zijn tuchtrechtelijke gegevens. Bovendien zijn klachten niet toegewezen waardoor de informatie onvolledig is en kennisname hiervan niet van publiek belang is. In URL III worden de verwijten van de AFM aan het adres van [verzoeker] besproken. Deze verwijten zijn inmiddels achterhaald door de uitspraak van de accountantskamer en daarmee verouderd. Het beroep van Google op de journalistieke exceptie als bedoeld in artikel 3 Wbp gaat niet op omdat hetgeen Google presenteert niet door haarzelf geschreven is. Gepresenteerd worden gegevens van de bronpagina verkregen door de geautomatiseerde verwerking van de zoekmachine. Eveneens is de verwijderingsgrond van artikel 36 of 40 Wbp van toepassing. De privacybelangen van [verzoeker] wegen zwaarder dan de belangen van Google bij weergave van de URL’s. [verzoeker] is geen publieke figuur en zijn rol in het openbare leven is beperkt. De in het artikelen genoemde verwijten zien op een andere fase in de carrière van [verzoeker] en hebben geen enkele betrekking op zijn huidige carrière. [verzoeker] staat niet langer geregistreerd als accountant.
Google verzet zich tegen het verzoek. Google is van mening dat zij het verwijderingsverzoek van [verzoeker] terecht heeft afgewezen. URL I doet op feitelijke wijze verslag van de openbare zitting bij de accountantskamer van 17 december 2012 in de zaak tussen de AFM en [verzoeker]. Het artikel beschrijft de belangrijkste twee verwijten tegen [verzoeker] maar maakt steeds duidelijk dat het gaat om de mening van de AFM en een verdenking. URL II is een vervolg op URL I en beschrijft de uitspraak van de Accountantskamer. Het artikel sluit nauw aan bij de uitspraak. Het artikel vermeldt expliciet dat de eis tot doorhaling niet is toegewezen maar dat gekozen is voor een berisping. Ook vermeldt het artikel uitdrukkelijk dat vier verwijten door de tuchtrechter ongegrond zijn verklaard. Nu dit artikel ziet op de uitspraak van de Accountantskamer maakt dit te meer dat dit artikel niet achterhaald is. URL III beschrijft een persbericht van Ernst & Young over een eigen onderzoek naar de klachten tegen [verzoeker]. Vervolgens vermeldt het artikel dat tegen [verzoeker] een procedure is ingezet door de AFM maar dat nog niet bekend is hoe deze zaak gaat aflopen. Voor zover [verzoeker] een beroep wil doen op de bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 36 en 40 Wbp voert Google aan dat er geen sprake is van zwaarwegende en gerechtvaardigde omstandigheden die verband houden met een bijzondere situatie van [verzoeker] die onderdrukking van het gewraakte zoekresultaat rechtvaardigen. Het zoekresultaat is niet onjuist, irrelevant of bovenmatig. De koppelingen verwijzen naar bronpublicaties die betrekking hebben op het zakelijk leven van [verzoeker] en de wijze waarop hij zijn vak heeft uitgeoefend. Het publiek heeft belang bij de toegang tot die informatie. Bovendien zijn de artikelen van recente datum. Daarnaast zijn er naast de drie gewraakte URL’s nog meer artikelen te vinden op internet die gaan over de tuchtzaak van de AFM tegen [verzoeker]. Bovendien heeft [verzoeker] zijn verzoek op grond van artikel 40 Wbp in het geheel niet onderbouwd. De toelichting van [verzoeker] op de door hem geëiste verwijderingen zijn summier voor wat betreft de feiten. [verzoeker] stelt niets over de gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot de tuchtklacht en de uitspraak van de Accountantskamer. [verzoeker] stelt slechts dat de publicaties gaan over klachten die later ongegrond zijn verklaard en dat hij substantiële hinder ondervindt van de URL’s in de zoekresultaten. De uitspraak van de Accountantskamer legt hij niet over en de genoemde substantiële hinder onderbouwt hij in het geheel niet met stukken. Bovendien zijn niet alle klachten tegen [verzoeker] ongegrond verklaard. Ook kan [verzoeker] geen geslaagd beroep doen op artikel 16 Wbp omdat dit zou leiden tot een categorisch verbod op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens door Google, wat zou leiden tot ongewenste gevolgen. Google doet in dit verband een beroep op de journalistieke exceptie als bedoeld in artikel 3 Wbp, in samenhang met artikel 11 Handvest, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Een beroep op de journalistieke exceptie dient ruim te worden uitgelegd en dient te worden toegepast voor zover nodig om het recht op persoonlijke levenssfeer te verzoenen met de regels betreffende vrijheid van meningsuiting. Dit betekent dat het grondrecht van vrije meningsuiting niet bij voorbaat is afgesloten wanneer Google strafrechtelijke gegevens verwerkt. Er dient hier een belangenafweging plaats te vinden. Nu in het geval van [verzoeker] uitsluitend gegevens zijn gedeeld over zijn professionele leven en niet over zijn privéleven dient weging in het voordeel van Google te zijn. Verder zal een rigide toepassing van artikel 16 Wbp er toe leiden dat zoekmachines in het geheel niet mogen verwijzen naar webpagina’s waarop gegevens staan die in relatie staan tot één of meer individuen en gelden als bijzondere persoonsgegevens. Voor zover [verzoeker] beoogt dat met zijn verzoek de URL’s ook worden verwijderd als gezocht wordt op “[verzoeker]” in plaats van “[verzoeker]” voert Google aan dat geen van de drie URL’s verschijnen als op deze schrijfwijze van de naam wordt gezocht. Bovendien gaat de toepassing van artikel 36 en 40 Wbp en het Costeja-arrest (Hof van Justitie, 13 mei 2014, C-131/12) niet zover dat dit ook ziet op andere zoektermen dan de eigen naam van [verzoeker].
Op de stellingen van partijen zal hierna – voor zover nodig – nader worden ingegaan.