Rechtbank Amsterdam, 17-05-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3379, 13/994072-16 (Promis)
Rechtbank Amsterdam, 17-05-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3379, 13/994072-16 (Promis)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 mei 2018
- Datum publicatie
- 17 mei 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2018:3379
- Zaaknummer
- 13/994072-16 (Promis)
Inhoudsindicatie
Wegens overtreding van enkele bepalingen van de Flora- en faunawet, inmiddels vervangen door de Wet Natuurbescherming, wordt verdachte veroordeeld tot een taakstraf en een geldboete. Geen criminele organisatie. Toepassing van de voor verdachte gunstiger bepalingen van de Wet Natuurbescherming. Medeplichtigheid aan stropen, het niet rapporteren van de resultaten van de jachtpartijen en het illegaal laten verwijderen van asbest uit zijn woning.
Uitspraak
VONNIS
Parketnummer: 13/994072-16 (Promis)
Datum uitspraak: 17 mei 2018
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .
1 Het onderzoek op de terechtzittingen
De rechtbank wijst dit vonnis naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 17 en 18 april 2018 (inhoudelijke behandeling) en 3 mei 2018 (sluiting). Verdachte is aanwezig geweest op de zittingen van 17 en 18 april 2018.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. M.C.A. Plantenga en S. Kubicz (hierna: de officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman mr. P.C.H. van Schooten naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Verdachte wordt er – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging op 18 april 2018 – van beschuldigd dat hij zich (tezamen en in vereniging met anderen) in 2014 en 2015 heeft schuldig gemaakt aan
1.het medeplichtig zijn aan het (opzettelijk) doden, verwonden, vangen, bemachtigen en/of met het oog daarop opsporen van zwanen en/of een roofvogel;
2.het (opzettelijk) onder zich hebben van een (product van een) wild zwijn om te slachten en /of het verkopen, in voorraad hebben, gebruiken voor commercieel gewin en/of onder zich hebben van (producten van) ganzen;
3.het (opzettelijk) handelen in strijd met de voedselvoorschriften, immers waren 100 ganzenborsten niet traceerbaar en niet adequaat geëtiketteerd;
4.het (opzettelijk) handelen in strijd met een ontheffingsvoorschrift, immers heeft hij niet de resultaten van het gebruik van de ontheffing gerapporteerd;
5.het deelnemen aan een criminele organisatie;
6.het (opzettelijk) verwijderen en/of doen verwijderen van asbest of een asbesthoudend product uit een pand, zonder dat hij over een asbestinventarisatierapport beschikte;
7.het zonder sloopmelding slopen en/of doen slopen, terwijl daarbij asbest werd verwijderd en/of de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m3 bedroeg.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Verhouding Ffw en Wet natuurbescherming
De Ffw is sinds 1 januari 2017 opgevolgd door de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Voor deze zaak zijn er twee relevante wijzigingen. De eerste is de introductie van het opzetvereiste in de Wnb. Door het opnemen van opzet in het equivalent van de artikelen 9 Ffw (nu artikel 3.1 Wnb) en 13 Ffw (nu artikel 3.1, 3.2 en 3.38 Wnb) is opzet bestanddeel geworden van de delictsomschrijving. Dit betekent dat niet-opzettelijke handelingen (overtredingen), zoals bedoeld in die artikelen, niet langer strafbaar zijn. Anders dan de officier van justitie in haar requisitoir lijkt aan te nemen, geldt voor deze economische delicten in de opzet-variant bovendien dat de strafbepaling nu opzettelijk moet zijn overtreden (zogenoemd ‘boos opzet’) en niet, zoals gebruikelijk in het ordeningsrecht en vóór 1 januari 2017 gold, dat het opzet alleen gericht hoefde te zijn op de bestanddelen van de strafbepaling en niet op het wederrechtelijke karakter van de gedragingen (zogenoemd ‘kleurloos opzet’).
Daarnaast is het enkele onder zich hebben van vogels onder de Wnb niet langer strafbaar. Alleen het ‘onder zich hebben voor verkoop’ is in artikel 3.2 lid 1 van de Wnb strafbaar gesteld.
Omdat de wet in de periode, gelegen tussen het begaan van de verweten gedragingen en de dag van dit vonnis, gewijzigd is, en die wijzigingen zonder twijfel voortvloeien uit een gewijzigd inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van deze feiten, worden op grond van artikel 1, tweede lid Sr de voor verdachte gunstigere verbodsbepalingen van de Wnb toegepast.