Home

Rechtbank Amsterdam, 17-05-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3383, 13/994042-16 (Promis)

Rechtbank Amsterdam, 17-05-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3383, 13/994042-16 (Promis)

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17 mei 2018
Datum publicatie
17 mei 2018
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2018:3383
Zaaknummer
13/994042-16 (Promis)

Inhoudsindicatie

Wegens vele overtredingen van de Flora- en faunawet, inmiddels vervangen door de Wet Natuurbescherming, wordt verdachte veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, een werkstraf en een boete. Geen extraterritoriale werking Flora- en faunawet. Geen criminele organisatie.

Toepassing van de voor verdachte gunstiger bepalingen van de Wet Natuurbescherming.

Uitspraak

VONNIS

Parketnummer: 13/994042-16 (Promis)

Datum uitspraak: 17 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzittingen

De rechtbank wijst dit vonnis naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 17 en 18 april 2018 (inhoudelijke behandeling) en 3 mei 2018 (sluiting). Verdachte is aanwezig geweest op de zittingen van 17 en 18 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. M.C.A. Plantenga en S. Kubicz (hierna: de officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.L.J.M. van de Mortel naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich (tezamen en in vereniging met anderen) in 2014 en 2015 heeft schuldig gemaakt aan

1.het (opzettelijk) doden, verwonden, vangen, bemachtigen en/of met het oog daarop opsporen van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, terwijl hij van het plegen van het misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;

2.het dragen van een geweer in het veld terwijl hij geen jachtakte had;

3.het (opzettelijk) verkopen, te koop aanbieden, vervoeren, afleveren, ruilen, uitwisselen en/of onder zich hebben van dieren, eieren en/of producten van dieren behorende tot een beschermde (inheemse) diersoort;

4.het vangen en/of doden van dieren met niet toegestane middelen, te weten een elektrisch lokapparaat en/of een geluiddemper;

5.het voorhanden hebben van verschillende wapens (o.a. kogelgeweren en hagelgeweren) en/of munitie van categorie II en III van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm);

6.het dragen van twee dubbelloops jachtgeweren en/of twee kogelgeweren van categorie II, III en/of IV van de Wwm;

7.het overdragen van verschillende wapens (o.a. kogelgeweren en hagelgeweren) en/of munitie van categorie III van de Wwm;

8.het overdragen van geluiddempers en/of voorhanden hebben van een Airsoft pistool van categorie I van de Wwm;

9.het deelnemen aan een criminele organisatie;

10.het veroorzaken van pijn en/of letsel bij dieren dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier benadelen, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was;

11.het (opzettelijk) in strijd met de voorwaarden gebruiken van de bestrijdingsmiddelen Tomcat (Home Blox) en/of Permas-D;

12.het (opzettelijk) verwijderen en/of doen verwijderen van asbest uit een pand, zonder dat hij over een asbestinventarisatierapport beschikte.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

Ten aanzien van feit 5 en 7

Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) vereist dat de dagvaarding een opgave behelst van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd, waar ter plaatse en onder welke omstandigheden het feit zou zijn begaan. Dit betekent dat de beschuldiging voldoende bepaald dient te zijn zodat het voor de verdachte duidelijk is waar de beschuldiging zich op richt en hij zich daartegen kan verdedigen.

In de tenlastelegging van feit 5 en feit 7 zijn aan het slot de bewoordingen “en van het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren, uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens of munitie een beroep of een gewoonte heeft gemaakt” opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit gedeelte van de dagvaarding onvoldoende specifiek is. Gelet op de tekst van de tenlastelegging heeft dit gedeelte immers betrekking op andere gedragingen dan daarboven staan vermeld, maar ontbreekt elke vermelding van tijd, plaats en omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Zonder deze opgave voldoet de dagvaarding niet aan de in artikel 261 Sv gestelde eisen. De rechtbank verklaart de dagvaarding – voor deze feiten en voor het hiervoor geciteerde gedeelte – daarom nietig.

3.2

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Verjaring 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht tot strafvordering voor de gedragingen in feit 1, 2, 3 en 4 die zijn gepleegd vóór 22 maart 2015 is vervallen wegens verjaring. De officier van justitie dient voor die feiten niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsman heeft zich bij het standpunt van de officier van justitie aangesloten.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wegens verjaring het recht tot strafvordering is vervallen ten aanzien van de gedragingen van feit 2 en 4 die zijn gepleegd vóór 22 maart 2015 en de overtredingsvariant van de feiten 1 en 3 die zijn gepleegd vóór 22 maart 2015. Voor de volgende feiten wordt de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaard:

-

feit 1.1 t/m 1.4 voor zover het de overtredingsvariant betreft,

-

feit 2.1 t/m 2.4,

-

feit 3.1, 3.2, 3.3, 3.8 en 3.9 voor zover het de overtredingsvariant betreft,

-

feit 4 eerste en tweede gedachtestreepje en

-

feit 11 voor zover het de overtredingsvariant betreft in de periode van 21 januari 2015 tot en met 21 maart 2015.

Deze feiten en de standpunten die het Openbaar Ministerie en de verdediging over die feiten in hebben genomen worden verder niet meer besproken.

Geldt de Flora- en faunawet ook buiten Nederland?

Onder feit 1.9 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij in Duitsland een reebok heeft gedood en onder feit 2.8 dat hij in Duitsland zonder jachtakte met een geweer op een reebok heeft geschoten. De vraag is of het Openbaar Ministerie verdachte mag vervolgen voor feiten die niet in Nederland zijn gepleegd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is, omdat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) extraterritoriale werking heeft en het jagen zonder jachtakte ook in Duitsland strafbaar is gesteld.

De raadsman heeft aangevoerd dat de Ffw afwijkt van de Duitse jachtwetgeving, maar dat hij ook niet uitsluit dat de redenering van de officier van justitie klopt.

Op grond van artikel 7 Sr is de Nederlandse strafwet van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het is begaan straf is gesteld. Bij sommige strafbare feiten komt de vraag naar de dubbele strafbaarheid niet aan de orde, omdat de Nederlandse strafbepaling geen extraterritoriale werking heeft of omdat deze bepaling typisch nationale bestanddelen bevat.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet leidt de rechtbank af dat de primaire focus van de Ffw ligt op het beschermen van de wildstand op Nederlands grondgebied. Verder blijkt dat de Nederlandse wetgever een grote mate van vrijheid geniet bij de inrichting van het regime van de Ffw. Dit is onder andere terug te zien bij het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen. Dat voert tot de conclusie dat aan de Ffw geen extraterritoriale werking toekomt. Bovendien moeten de termen ‘beschermde inheemse diersoort’ in artikel 9 Ffw en ‘jachtakte’ in artikel 16 Ffw gezien worden als typisch nationale bestanddelen. Het Openbaar Ministerie kan verdachte dus niet in Nederland vervolgen op grond van de verdenking dat verdachte in Duitsland de Ffw heeft overtreden. Aan dit oordeel doet niet af dat in Duitsland ook een jachtakte benodigd is voor de legale jacht. Voor de feiten die zien op de jacht in Duitsland – feit 1.9 en feit 2.8 – wordt de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank stelt voor het overige vast dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie ontvankelijk is. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Verhouding Ffw en Wet natuurbescherming

5 Waardering van het bewijs

6 Bewezenverklaring

7 De strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten

8 De strafbaarheid van verdachte

9 Motivering van de straffen

10 Beslag

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

12 Beslissing