Home

Rechtbank Amsterdam, 27-06-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4494, C/13/647810 / KG ZA 18-455

Rechtbank Amsterdam, 27-06-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4494, C/13/647810 / KG ZA 18-455

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27 juni 2018
Datum publicatie
1 augustus 2018
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2018:4494
Zaaknummer
C/13/647810 / KG ZA 18-455

Inhoudsindicatie

KG aanbestedingsgeschil over de levering van nieuwe metrotoestellen en 843a Rv.

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/647810 / KG ZA 18-455 MvdV/JvS

Vonnis in kort geding van 27 juni 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALSTOM TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

2. de vennootschap naar Frans recht

ALSTOM TRANSPORT S.A.,

gevestigd te Bobigny (Frankrijk),

3. de vennootschap naar Spaans recht

ALSTOM TRANSPORTE S.A.,

gevestigd te Madrid (Spanje),

eiseressen bij dagvaarding van 14 mei 2018,

advocaten mrs. B. van der Zijpp en D.R. Versteeg te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GVB ACTIVA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. D. Santurio González en E.L.H. Snijders - van Erp te ’s-Gravenhage,

in welke zaak is tussengekomen

de vennootschap naar Spaans recht

CONSTRUCCIONES Y AUXILIAR DE FERROCARRILES S.A.

gevestigd te Madrid (Spanje),

advocaten mrs. T. Hovius en I. van Riel te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Alstom, GVB en CAF worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 13 juni 2018 heeft Alstom gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Alstom heeft bij akte houdende wijziging van eis van 7 juni 2018 en bij akte houdende aanvullende wijziging van eis tevens akte houdende overlegging nadere producties van 11 juni 2018 haar eis gewijzigd, zoals hierna onder 3.1. vermeld. GVB heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Voorafgaand aan de zitting heeft CAF een incidentele conclusie tot primair tussenkomst en subsidiair voeging ingediend. Alstom en GVB hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt. CAF heeft een zelfstandig belang bij de uitkomst van dit kort geding, zodat tussenkomst is toegestaan. Partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van Alstom: mr. Versteeg en [naam customer director] (customer director);

aan de zijde van GVB: mr. Snijders, mr. Santurio González en [naam projectmanager] (projectmanager)

aan de zijde van CAF: mr. Hovius, mr. Van Riel en [naam sales manager] (sales manager)

2 De feiten

2.1.

GVB is operationeel beheerder van het metronetwerk in de Stadsregio Amsterdam. Zij heeft op 9 januari 2017 een aankondiging gepubliceerd voor de opdracht tot levering van nieuwe metrovoertuigen. Het GVB heeft gebruik gemaakt van de onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging conform artikel 3.35 van de Aanbestedingswet 2012 (Aw). Het betreft een Europees aanbestede speciale sectoropdracht, waarop deel 3 van de Aw en het aanbestedingsreglement nutssectoren 2016 (ARN 2016) van toepassing is.

De opdracht ziet op de levering van 30 nieuwe metrovoertuigen met ieder 3 rijtuigbakken voor het Amsterdamse metronetwerk, met verschillende opties voor het bestellen van extra metrovoertuigen en/of verlenging van de metrovoertuigen naar 6 rijtuigbakken. Deze nieuwe metro-voertuigen, waaraan het generatienummer ‘M7’ is toegekend, worden toegevoegd aan de Amsterdamse metrovloot. Momenteel maken voertuigen van zowel CAF (de ‘S3’ en ‘M4’) als Alstom (de ‘M5’ en ‘M6’) deel uit van deze metrovloot. Het is de bedoeling dat de nieuwe M7-metrovoertuigen instromen vanaf medio 2021, om oudere metrovoertuigen te vervangen alsmede om in te spelen op uitbreiding van het netwerk en verwachte reizigersgroei.

2.2.

De aanbesteding is beschreven in de aanbestedingsstukken, waaronder de Aanbestedingsleidraad Consultatiefase en eerste Inschrijvingsfase M7 V1.1 en de Aanbestedingsleidraad Dialoogfase M7 V1.0. In deze stukken is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

2.3.

In de selectiefase hebben zeven partijen ingeschreven. Uiteindelijk hebben twee marktpartijen, Alstom en CAF, een finale aanbieding ingediend.

2.4.

Bij gunningsbeslissing - meegedeeld per brief van 24 april 2018 - bericht GVB dat Alstom na beoordeling van de inschrijvingen als tweede inschrijver is geëindigd. Ook staat in deze brief dat GVB voornemens is om de opdracht aan CAF te gunnen. In de brief is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

2.5.

Alstom heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft onderhavige procedure ingesteld.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

Alstom vordert na wijziging van eis – samengevat – het volgende:

Primair

1. GVB te gebieden de gunningsbeslissing ten voordele van CAF in te trekken, althans daaraan geen uitvoering te geven;

2. GVB te gebieden de definitieve inschrijvingen van CAF alsnog ter zijde te leggen en een nieuwe gunningsbeslissing te nemen, waarbij zij de opdracht verstrekt aan Alstom, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen;

3. te bepalen dat GVB een dwangsom verbeurt van € 1.000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor elke gehele of gedeeltelijke overtreding van de onder 1. en/of 2. gevorderde verboden.

Subsidiair

4. GVB te gebieden, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, om aan te tonen hoe zij de minimumprijs ex paragraaf 3.7.2 van de aanbestedingsleidraad heeft bepaald;

5. GVB te gebieden, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, om aan te tonen hoe zij – vanwege de door CAF bij haar inschrijving ingediende motivering – tot de conclusie is gekomen dat CAF haar inschrijving niet abnormaal laag was;

6. te bepalen dat GVB een dwangsom verbeurt van € 1.000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor elke gehele of gedeeltelijke overtreding van de onder 4. en/of 5. gevorderde geboden.

Meer subsidiair

7. GVB te gebieden de aanbestedingsprocedure te beëindigen en niet tot gunning aan een of meer partijen over te gaan en GVB te gebieden – voor zover GVB (een of meer onderdelen van) de opdracht nog wenst te gunnen over te gaan tot heraanbesteding met uitnodiging van Alstom;

8. te bepalen dat GVB een dwangsom verbeurt van € 1.000.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor elke gehele of gedeeltelijke overtreding van het onder 7. genoemde gebod.

In alle gevallen

9. GVB te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Alstom legt hieraan ten grondslag dat GVB ervoor heeft gekozen om de prijzen van de inschrijvers in te kaderen. Er was sprake van een plafondprijs die niet mocht worden overschreden. Voorts was sprake van een ondergrens waaronder een inschrijving als abnormaal laag zou gelden. Met het hanteren van een getalsmatige ondergrens van 134 miljoen euro, toont GVB aan dat zij goed onderzoek heeft gedaan naar het minimale bedrag waarvoor onderhavige opdracht nog ‘normaal’ kan worden uitgevoerd. De aanbieding van CAF is bepaald lager dan de minimale ‘normale’ waarde te weten € 125.561.270,15. Onder die omstandigheden mag van GVB verwacht worden dat zij de inschrijving zorgvuldig onderzoekt. De betreffende inschrijver zal overtuigend moeten aantonen dat van een abnormaal lage prijs toch geen sprake is. Alstom stelt verder dat zij als mede-inschrijver ook gebonden is aan voornoemde ondergrens en dat zij daar bij het bepalen van haar eigen inschrijvingsprijs rekening mee heeft gehouden. Onder die omstandigheden vereist het alsnog gunnen aan een partij die een aanbieding onder die grens deed een gedegen motivering. GVB beperkt zich te dien aanzien tot hetgeen onder 2.4. is opgenomen, hetgeen onvoldoende is. Verder stelt Alstom dat GVB niet heeft aangetoond op basis van welke gegevens zij tot de in de aanbestedingsleidraad opgenomen ondergrens is gekomen en op basis van welk onderzoek zij tot de conclusie is gekomen dat de inschrijfsom van CAF niet als abnormaal laag kan worden aangemerkt.

3.3.

GVB en CAF hebben daartegen aangevoerd dat in de aanbestedingsleidraad slechts is opgenomen dat definitieve inschrijvingen met een inschrijfsom onder de 134 miljoen euro onderbouwd moesten worden. Hierbij heeft GVB uitdrukkelijk aansluiting gezocht bij de regeling van ‘abnormaal laag’ uit de Aanbestedingswet 2012 (art. 2.116 jo. 3.74 Aw). Deze wettelijke regeling bevat de stappen die een aanbestedende dienst moet nemen alvorens zij een inschrijving die abnormaal laag lijkt kan - en dus niet moet - uitsluiten. GVB heeft in de onderhavige aanbestedingsleidraad niets meer gedaan dan op voorhand opnemen onder welke grens zij het nodig vindt dat inschrijvingen nader worden toegelicht. Van een getalsmatige ondergrens of minimumprijs is dan ook geen sprake. Voorts is van belang dat de regeling met betrekking tot ‘abnormaal laag’ alleen strekt tot bescherming van de aanbestedende dienst en de inschrijver wiens inschrijving abnormaal laag lijkt. De beoordeling of een inschrijving abnormaal laag is, is voorbehouden aan de aanbesteder. De beslissing om een inschrijving met een abnormaal lage prijs te passeren betreft voorts een discretionaire bevoegdheid van de aanbestedende dienst. Om die reden kunnen andere inschrijvers geen beroep doen op de bepalingen met betrekking tot abnormaal lage inschrijvingen. Het feit dat de beoordeling van de toelichting van CAF een discretionaire bevoegdheid betreft, betekent ook dat GVB niet gehouden was om deze toelichting met Alstom te delen. Het is immers niet aan Alstom om deze beslissing te toetsen. Overigens stond het GVB ook niet vrij deze toelichting te delen, nu deze bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatte en door CAF als vertrouwelijk aan GVB is verstrekt.

In de tussenkomst

3.4.

CAF vordert als tussenkomende partij – samengevat – het volgende:

Primair

I. Alstom niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen;

II. GVB te gebieden – overeenkomstig de gunningsbeslissing van 24 april 2018 – de opdracht definitief aan haar te gunnen en over te gaan tot het sluiten van de Koopovereenkomst Metromateriaal M7, dan wel GVB te verbieden, voor zover zij de opdracht nog definitief wenst te gunnen, de opdracht aan een ander dan aan CAF te gunnen;

III. Alstom te gebieden te gehengen en te gedogen dat GVB de Opdracht definitief aan CAF zal gunnen en overgaat tot het sluiten van de Koopovereenkomst Metromateriaal M7.

IV. Indien en voor zover de primaire vordering(en) worden afgewezen, CAF toe te staan zich te voegen aan de zijde van GVB in de procedure tussen Alstom en GVB en Alstom niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen.

In alle gevallen

VI. Alstom te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.5.

Voor de stellingen van partijen wordt verwezen naar hetgeen onder 3.2. en 3.3. is opgenomen.

4 De beoordeling in de hoofdzaak en in de tussenkomst

5 De beslissing