Home

Rechtbank Amsterdam, 12-07-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4896, C/13/640898 / HA RK 17-386

Rechtbank Amsterdam, 12-07-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4896, C/13/640898 / HA RK 17-386

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12 juli 2018
Datum publicatie
9 augustus 2018
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2018:4896
Zaaknummer
C/13/640898 / HA RK 17-386

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek verwijdering persoonsgegevens in intern en extern register, vermoeden van fraude bij hypotheek met bouwdepot.

Uitspraak

beschikking

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/640898 / HA RK 17-386

Beschikking van 12 juli 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. K. Both te Vleuten,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. M.J.M.T. Keulaerds te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en de bank worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 22 december 2017,

-

de tussenbeschikking van deze rechtbank van 1 februari 2018, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

-

het verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 9 mei 2018,

-

aanvullende producties 7 en 8 van mr. Both, ingekomen ter griffie op 11 mei 2018,

-

aanvullende productie 9 van mr. Both, ingekomen ter griffie op 14 mei 2018,

-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 16 mei 2018 en de daarin vermelde stukken,

-

de reactie op het proces-verbaal van mr. Both van 30 mei 2018,

-

de reactie op het proces-verbaal van mr. Keulaerds van 30 mei 2018,

-

het faxbericht van mr. Both van 6 juni 2018 met het bericht dat partijen geen regeling hebben getroffen en het verzoek om beschikking te wijzen,

-

de brief van mr. Keulaerds van 6 juni 2018 met daarin de reactie op de brief van mr. Both van 30 mei 2018.

2 De feiten

2.1.

Op 8 maart 2006 heeft [verzoeker] met haar toenmalige partner, de heer [naam 1] , een hypothecaire geldlening van € 795.000,00 afgesloten bij (de rechtsvoorganger van) Direktbank N.V., onderdeel van ABN AMRO Hypothekengroep (hierna: AAHG), voor de aankoop van bouwgrond en de bouw van een nieuwbouwwoning. Het voor het bouwproject bestemde gedeelte van die geldlening ten bedrage van € 154.810,73 is in bouwdepot gegeven.

2.2.

Op 14 augustus 2009 heeft [verzoeker] middels een door haar ondertekend declaratieformulier verzocht een bedrag ter hoogte van € 32.368,00 aan haar over te maken ter voldoening van een factuur van Trishul Bouw Service (hierna: Trishul). Volgens deze factuur zouden een aantal concreet benoemde werkzaamheden plaatsvinden. In de begeleidende brief worden [verzoeker] en [naam 1] bedankt voor de opdracht en is aangegeven dat de betaling per bankoverschrijving moet voldaan aan de heer [naam 2] . Uit onderzoek van de bank is gebleken dat dit bedrag nooit per bankoverschrijving is overgemaakt naar Trishul of [naam 2] .

2.3.

Het bedrag van € 32.368,00 is op 24 augustus 2009 door [verzoeker] ontvangen en op dezelfde datum is door [verzoeker] een bedrag van € 34.000,00 naar haar spaarrekening overgeboekt.

2.4.

Op 11 september 2009 is een bedrag van € 16.500,00 van de spaarrekening teruggeboekt naar de betaalrekening en is vervolgens een bedrag van € 6.000,00 contant opgenomen en een bedrag van € 10.000,00 overgemaakt naar [naam bedrijf 1] onder vermelding van “auto mercedes benz CLK”.

2.5.

Op 20 november 2009 is een bedrag van € 16.000,00 teruggeboekt naar de betaalrekening en is een bedrag van € 2.677,50 overgemaakt naar Aadler B.V. onder vermelding van “overkapping [adres 1] [plaats] ” en een bedrag van € 12.533,00 aan [naam bedrijf 2] onder vermelding van “Factuurnr 29600200”.

2.6.

[verzoeker] is sinds 2015 werknemer van de bank.

2.7.

In het kader van het onderzoek dat de bank heeft ingesteld naar een mogelijke hypotheekfraude is [verzoeker] op 1 juni 2017 gehoord door medewerkers van de afdeling Security & Intelligence Management van de ABAN AMRO (hierna: SIM). Op 17 juli 2017 is [verzoeker] opnieuw gehoord door SIM.

2.8.

Uit de Kamer van Koophandel volgt dat de inschrijving van Trishul op 28 december 2010 is opgeheven.

2.9.

[verzoeker] is vanaf 17 juli 2017 vrijgesteld van haar werkzaamheden.

2.10.

Op 1 augustus 2017 is [verzoeker] door de bank voor de duur van drie jaar in het Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) en het Incidentenregister (hierna: gezamenlijk de Registers) ingeschreven.

2.11.

De bank heeft [verzoeker] op 13 november 2017 bericht dat zij [verzoeker] in het EVR zou hebben geregistreerd.

2.12.

Bij brief van 1 december 2017 heeft de bank de EVR-registratie schriftelijk aan [verzoeker] bevestigd. Daarbij is ook de registratie in het Incidentenregister voor het eerst kenbaar gemaakt.

Als reden voor de registratie in de Registers staat in de brief het volgende:

In de brieven die medio 2012 naar u gezonden zijn, is aangekondigd dat indien uw reactie uitbleef, uw gegevens zouden worden opgenomen in het incidentenregister als opgenomen in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen. Omdat u niet op de betreffende brieven gereageerd heeft, had destijds registratie plaats dienen te vinden. Zoals bij u bekend is, heeft registratie abusievelijk toen niet plaatsgevonden. In augustus 2017 zijn uw gegevens, zoals ook genoemd in de brief van 29 juni 2017, alsnog geregistreerd.

(...)

Waarom zijn uw gegevens opgenomen in deze registers?

Wij hebben vastgesteld dat u betrokken bent (geweest) bij een gebeurtenis die een risico vormt of kan vormen voor de belangen, integriteit of veiligheid van ABN AMRO of haar cliënten of medewerkers of voor de financiële sector als geheel.

2.13.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij e-mails geprotesteerd tegen de diverse vormen van registratie maar de bank heeft op 13 november 2017 schriftelijk kenbaar gemaakt dat de registratie niet ongedaan zal worden gemaakt.

2.14.

[verzoeker] heeft op 11 december 2017 een hernieuwde sommatie tot verwijdering van de registraties in de Registers evenals elke andere vorm van registratie aan de bank gezonden. De bank heeft hier niet aan voldaan.

2.15.

De bank heeft een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter vanwege beschuldigingen van fraude met een bouwdepot. De kantonrechter heeft het verzoek bij beschikking van 8 december 2017 afgewezen.

2.16.

Op 29 januari 2018 heeft SIM [naam 1] gehoord. Hij heeft verklaard dat de werkzaamheden die op de factuur van Trishul stonden niet hebben plaatsgevonden en er helemaal geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden op de bouwkavels. Verder heeft hij verklaard geen geld uit het bouwdepot te hebben ontvangen.

2.17.

Het “Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen” (hierna; het Protocol), luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(...)

5 Extern Verwijzingsregister

(...)

5.2

Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister

5.2.1

De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

a. a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de ) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.

(...)

9 Rechten van de Betrokkene

9.1.

Mededeling van opname

9.1.1.

De Betrokkene wiens persoonsgegevens in het Incidentenregister respectievelijk het Extern Verwijzingsregister zijn opgenomen, heeft recht op mededeling van opname uiterlijk op het moment van de eerste verstrekking.

9.1.2.

Indien de Betrokkene niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.1.1 Protocol is geïnformeerd wordt hij op de hoogte gesteld van opname zodra een toets heeft geresulteerd in een “hit”.

(...)

3 Het verzoek en de verweren

4 De beoordeling

5 De beslissing