Rechtbank Amsterdam, 18-07-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4933, C/13/631678 / HA ZA 17-673
Rechtbank Amsterdam, 18-07-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4933, C/13/631678 / HA ZA 17-673
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 juli 2018
- Datum publicatie
- 9 augustus 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2018:4933
- Zaaknummer
- C/13/631678 / HA ZA 17-673
Inhoudsindicatie
Is rechtspersoon aan te merken als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap als bedoeld in artikel 2:2 BW?
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/631678 / HA ZA 17-673
Vonnis van 18 juli 2018
in de zaak van
het rechtspersoonlijkheid bezittend kerkgenootschap
BISDOM HAARLEM-AMSTERDAM,
gevestigd te Haarlem,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
1. de stichting
STICHTING HET ROOMSCH CATHOLIJK MAAGDENHUIS,
gevestigd te Amsterdam,
2. [gedaagde sub 2],
3. [gedaagde sub 3],
4. [gedaagde sub 4],
5. [gedaagde sub 5],
6. [gedaagde sub 6],
7. [gedaagde sub 7],
allen domicilie gekozen hebbende te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. J. Fleming te Amsterdam.
Eiseres in conventie zal hierna het Bisdom genoemd worden. Gedaagde in conventie onder 1 zal het Maagdenhuis genoemd worden en de gedaagden onder 2 tot en met 7 zullen gezamenlijk de bestuursleden genoemd worden. Gedaagden 1 tot en met 7 worden gezamenlijk aangeduid met het Maagdenhuis c.s.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 28 juni 2017, met producties;
- -
-
de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, met producties;
- -
-
het tussenvonnis van 24 januari 2018, waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor conclusie van antwoord in reconventie en een datum is bepaald voor de comparitie van partijen;
- -
-
de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende vermindering van eis, met producties;
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 31 mei 2018 en de daarin genoemde stukken;
- -
-
de brief van 19 juni 2018 van het Bisdom met opmerkingen over het proces-verbaal.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De rechtsvoorganger van) het Maagdenhuis is in 1570 door twee katholieke vrouwen opgericht als weeshuis voor Rooms Katholieke weesmeisjes in Amsterdam. In 1953 is het Maagdenhuis instandhouding van het weeshuis gestaakt. Het gebouw aan het [adres 1] in [plaats 1] , waar het weeshuis was gelegen, is verkocht. Sindsdien kent het Maagdenhuis charitatieve doelstellingen.
In 1910 heeft het Maagdenhuis een (eerste) huishoudelijk reglement opgesteld. In 1932 is dit reglement herzien. In 1959 zijn de statuten van het Maagdenhuis voor het eerst op schrift gesteld. De statuten zijn nadien gewijzigd in 1962 en 1970. De laatste statutenwijziging vond plaats in 1983. Voorafgaand aan deze laatste statutenwijziging zijn er meerdere overleggen geweest tussen het Maagdenhuis, het Bisdom en de bisschop. Tijdens die overleggen heeft het Maagdenhuis [naam 1] ( [naam 1] ), als voormalig lid van het bestuur van het Maagdenhuis, gevraagd te adviseren over de verhouding van het Maagdenhuis tot de bisschop en het Bisdom. In een notitie van 12 juni 1980 aan het Maagdenhuis schrijft [naam 1] onder meer:
‘2. Volgens de genoemde 3 stukken (het huishoudelijk reglement 1932, de statuten van 1959 en de statuten 1962, rechtbank) lijkt het, of het R.C. Maagdenhuis als R.K.-instelling van weldadigheid geheel staat onder de heerschappij van de Bisschop van Haarlem. De praktijk was en is anders. Twee hoofdpunten zijn:
-
volgens de 3 genoemde stukken worden de bestuursleden, op voordracht van het bestuur, benoemd en ontslagen door de Bisschop. Echter in de “Inventaris van het archief van regenten van het R.C. Maagdenhuis te Amsterdam vanaf 1570” (...) constateert deze op blz. 8: “Altijd is het (college van regenten) een college van leken geweest dat zich zelf door coöptatie aanvulde, terwijl voor de benoeming de bekrachtiging van de Apostolisch Vicaris werd gevraagd, en na het herstel van de hiërarchie, in 1853, die van de Bisschop van Haarlem vereist was”. Dit is in overeenstemming met wat ik in 1945 – toen ik regent werd – vernam van voorzitter [naam 2] , die in 1898 regent werd: “Wij benoemen, de Bisschop bekrachtigt” (...)
-
volgens de 3 genoemde stukken geeft het bestuur jaarlijks van zijn finantieel beheer verantwoording aan de Bisschop van Haarlem. Echter de praktijk – welke ik heb meegemaakt – was dat de Deken van Amsterdam namens de Bisschop jaarlijks een bezoek bracht aan het bestuur, waarbij onder het genot van een glaasje wijn en een sigaar (voor de Eerwaarde) van gedachten werd gewisseld (...) en waarbij ook de jaarcijfers ter sprake kwamen, echter slechts in het kader van een wel zeer oppervlakkige “controle”. (...)
3. Gedurende de tijd, dat ik lid van het bestuur was (1945 – 1970) is het altijd de mening van het bestuur geweest, dat – zolang het bestuur naar behoren functioneert (zoals het dit in de afgelopen 410 jaren heeft gedaan) – de Bisschop zich niet heeft in te laten met b.v. benoemingen en finantieel beheer. Ongetwijfeld is dit in de afgelopen eeuwen bij voortduring de mening van het bestuur geweest. In de afgelopen eeuwen was dit eveneens ook altijd de mening van de Bisschop (en van zijn voorgangers, dus vóór 1853 de Apostolisch Vicaris). (...)
4. De juridische positie van het R.C. Maagdenhuis als kerkelijke instelling is onzeker. Indien in de inleiding van de statuten van 1959 als mening van het bestuur wordt gesteld, dat de Wet op de Stichtingen niet op het R.C. Maagdenhuis van toepassing is, zal deze mening wel gegrond zijn geweest op art. 28 lid 1 letter b, houdende dat die wet niet van toepassing is op kerkelijke “stichtingen” en zal de aanduiding “stichting” in de acte zijn opgenomen om als R.K. instelling te vallen onder de zojuist bedoelde kerkelijke “stichtingen”.
Hoe dan ook: wij vonden dat we veiliger waren, indien we als R.K. instelling ook formeel een R.K. instelling waren. We herinnerden ons de Tweede Wereldoorlog, gedurende welke wij alleen bespaard bleven voor een Verwalter, omdat we formeel een Kerkelijke instelling waren. En in 1959 vonden we de socialiserende tendens bij de burgerlijke overheid niet bepaald geruststellend. (...)
Wellicht is ook thans nog vol te houden, dat wij als kerkelijke instelling buiten de burgerlijke wet blijven, nl. indien we zijn te beschouwen als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap. (...)
5. (...) Wezenlijk is (...), dat het R.C. Maagdenhuis is een R.K. instelling. Alleen omdat dit het geval is, kan er sprake zijn van een invloed van de zijde van de Bisschop. (...)
Er is een verschil tussen uitoefening van macht als heerschappij en uitoefening van macht als dienst. Het is duidelijk, dat met betrekking tot de werkzaamheid van het R.C. Maagdenhuis het de bedoeling is, dat de Bisschop een dienende funktie vervult, nl. om het wezenlijke veilig te stellen. (...)’
Op 1 juni 1981 vond een overleg plaats tussen het Bisdom en het Maagdenhuis. In het verslag van dit overleg staat onder meer:
‘Het Maagdenhuisbestuur streeft naar wijziging van de statuten meer in de richting van verzelfstandiging, zonder dat dit een breuk in de verhouding tot het Bisdom zou betekenen.In het onderhoud van 2 april 1979 is van de zijde van het Maagdenhuis gepleit voor een statuut op basis van begrip katholieke- niet kerkelijke stichting. In het aangeboden ontwerp zijn de artikelen die betrekking hebben op het benoemings- en ontslagrecht, en op het recht van goedkeuring op bijna alle financiële beheersdaden, verscherpt. Het bestuur zoekt geen verscherping, maar streeft naar participatie, maar dan over en weer. (...)
Nogmaals wordt als quintessens naar voren gebracht, dat een loshaken van het Bisdom niet verlangd wordt. Een over de schouders meekijken door de Bisschop is een historisch feit en ook heden ten dage geen bezwaar. De essentie van het vraagstuk is evenwel dat naar het inzicht van het Bisdom het R.C. Maagdenhuis kerkelijk vermogen beheert, een kerkelijke stichting is, en dus zijn de Algemene Bepalingen van toepassing. Afstand doen van deze identiteit is volgens de secretaris kerkelijk goed vervreemden. De Bisschop dient voor vervreemding van kerkelijk goed argumenten aan te dragen ten behoeve van de kerkgemeenschap en deze argumenten dienen overtuigend te zijn.’
In een notitie aan het Maagdenhuis van 3 november 1981 beschrijft [naam 1] drie knelpunten:
‘1) afkeer van inmenging door de burgerlijke overheid (oud en steeds meer actueel).
2) dito ten aanzien van Kerkelijke overheid (wellicht actueel).
3) bestuur bestaande uit R.K.-leden (actueel).’
In de bestuursvergadering van het Maagdenhuis van 1 december 1981 doet [naam 1] verslag van zijn gesprek met de bisschop. In de notulen staat:
‘(...) de Bisschop geeft aan een dienstverlenende relatie en niet een heersende relatie voor te staan.
Opgemerkt wordt dat deze mentaliteit moeilijk in een juridische categorie valt te formuleren.
De heer [naam 1] merkt op dat de Bisschop bereid is een préambule vast te leggen.
Het gaat niet meer om de vraag of het Maagdenhuis al dan niet een kerkelijke Stichting is, maar, sinds het nieuwe Burgerlijk Wetboek, om de vraag of het Maagdenhuis al dan niet een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap.
Sinds 1907 is het Maagdenhuis zelfstandig, maar onder de parapluie van de kerk, met andere woorden een kerkelijke stichting.
Nu is er een nieuwe vraagstelling: al dan niet zelfstandig onderdeel van het Kerkgenootschap. (...)
Op deze wijze zal het Maagdenhuis een R.K. Kerkelijke Stichting zijn, dit lijkt een stabielere situatie te zijn dan wanneer het R.C. Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het Kerkgenootschap zou zijn.
Gevraagd wordt of er formules zijn in het canonieke recht waarop het R.C. Maagdenhuis bij eventuele fricties zou kunnen terugvallen.
De heer [naam 1] merkt op dat het te prefereren zou zijn bij frictie een beroep te kunnen doen op het Burgerlijk Recht. (...)’
Op 29 april 1983 heeft het Bisdom goedkeuring verleend aan de statutenwijziging, waarna op 5 mei 1983 de gewijzigde statuten (de statuten) zijn vastgesteld. In de statuten is onder meer het volgende opgenomen:
‘VASTSTELLING GEWIJZIGDE STATUTEN
(...)
- -
-
dat het R.C. Maagdenhuis (...) van ouds is een zelfstandige instelling, gesticht en bestuurd door Rooms Katholieken, met een kapitaal, bijeengebracht door Rooms Katholieken en met een werkzaamheid op Rooms Katholieke grondslag;
- -
-
dat de zelfstandigheid onder meer hieruit blijkt: a. dat coöptatie als systeem voor het benoemen van bestuursleden ononderbroken heeft gegolden; b. dat het bestuur zijn taak, inclusief beheer van en beschikking over het vermogen, alsook besteden van de inkomsten, in volledige zelfstandigheid heeft uitgeoefend;
- -
-
dat diegene, aan wie iets is toevertrouwd, daarover ter verantwoording kan worden geroepen opdat in geval van gebleken wanbeleid kan worden ingegrepen;
- -
-
dat op die grond het bestuur het steeds wenselijk heeft geacht, hetgeen ook verwezenlijkt werd, een zekere formele bevoegdheid van de apostolische vicaris en na het herstel van de Bisschoppelijke hiërarchie in Nederland, van de Bisschop van Haarlem, te erkennen en deze hem toe te kennen;
- -
-
dat de aldus toegekende bevoegdheid er niet was tot aantasting van de zelfstandigheid van het R.C. Maagdenhuis, maar het karakter had van een dienst van de zijde van de Bisschop van Haarlem, met als consequentie daarvan de mogelijkheid tot ingrijpen, indien daartoe objectief gezien, wegens wanbeleid, een dringende reden zou zijn;
- -
-
dat het bestuur deze van ouds bestaande situatie wenst voort te zetten en dat de Bisschop van Haarlem bereid blijft tot de vermelde dienst;
- -
-
dat in de vanaf het jaar negentienhonderdtien bekende reglementen en statuten voor de Bisschop van Haarlem een naar de letter ruime, zelfstandig door hem uit te oefenen bevoegdheid is opgenomen, ruimer dan overeenkomstig het bovenstaande is bedoeld;
- -
-
dat deze ruimere bevoegdheid nimmer in praktijk is gebracht;
- -
-
dat immers feitelijk het systeem van coöptatie is blijven gelden, waardoor het bestuur benoemt en de Bisschop van Haarlem bekrachtigt, terwijl de verantwoording, anders dan bedoeld, in feite zelfs wel achterwege bleef;
- -
-
dat inmiddels het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie (1962 – 1965) in zijn “Decreet over het lekenapostolaat”, nummer 19 het recht van Rooms Katholieke leken, om instellingen van “barmhartigheid en liefde” op te richten en te leiden, heeft erkend;
- -
-
dat derhalve de letter van de statuten dient te worden verstaan aldus, dat door een op het bestuur drukkende verantwoordingsplicht, zover gaande als voor de Bisschop van Haarlem nodig is om zijn toetsingsrecht te kunnen uitoefenen aan hem wordt toegekend een in objectiviteit te hanteren marginaal toetsingsrecht en wel om in de samenstelling van het bestuur in te grijpen, voorzover daartoe naar objectief oordeel wegens wanbeleid een dringende reden zou bestaan;
- -
-
dat tot het waarborgen van objectiviteit, bij ontbreken van een daartoe bevoegde kerkelijke rechter in de Nederlandse Rooms Katholieke Kerkprovincie, het oordeel van de burgerlijke rechter dient te kunnen worden ingeroepen bij meningsverschil over de vraag, of de Bisschop van Haarlem terecht van zijn marginaal toetsingsrecht gebruik heeft gemaakt;
- -
-
dat het gewenst is gebleken de huidige statuten, met inachtneming van de vorengemelde overwegingen, aan de bestaande situatie aan te passen;
- -
-
(...)
Artikel 1
-
De stichting draagt de naam: STICHTING HET ROOMSCH CATHOLIJK MAAGDENHUIS.
-
(...)
-
De stichting is een instelling van de Rooms Katholieke Kerk in de zin van canon 100 paragraaf 1 van de Codex Iuris Canonici en van artikel VII van het Reglement voor het Rooms Katholieke Kerkgenootschap in Nederland en bezit als zelfstandig onderdeel volgens het kerkelijk recht rechtspersoonlijkheid, welke ingevolge artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek as zodanig is erkend naar Nederlands recht.
Artikel 2
-
De stichting heeft ten doel: a. in de eerste plaats steun te verlenen aan Roos Katholieke ouderzorg missende of tekortkomende kinderen, bij voorkeur uit Amsterdam, zo nodig ook na hun minderjarigheid en aan initiatieven op het gebied van de Rooms Katholieke jeugdzorg; b. voorts huisvesting, verzorging en verpleging te verlenen aan naar het oordeel van het bestuur andere daarvoor in aanmerking komende personen – bij voorkeur bejaarden – zulks eveneens op Rooms Katholieke grondslag, zomede het steunen van initiatieven op dit gebied.
-
(...)
Artikel 3
(...)
3. Leden van het bestuur kunnen slechts zijn zij, die de bestuurszaken binnen de stichting op de grondslag van de Rooms Katholieke levenshouding zullen behartigen.
4. De bestuursleden worden door het bestuur zelf benoemd. Elke benoeming wordt ter bekrachtiging door de Bisschop aan hem voorgelegd.(...)
5. Het bestuurslidmaatschap eindigt:(...)d. na verlening van ongevraagd ontslag door de Bisschop op een door deze te bepalen datum.
6. Een ongevraagd ontslag kan door de Bisschop worden verleend uitsluitend indien daartoe naar objectief oordeel in een bepaald geval wegens wanbeleid een dringende reden zou bestaan. Bij meningsverschil met het bestuur over de vraag of de Bisschop in een bepaald geval terecht van zijn marginaal toetsingsrecht gebruik heeft gemaakt, zal op daartoe door de meest gerede partij gedaan verzoek, door de burgerlijke rechter worden beslist.(...)
8. Indien door welke oorzaak dan ook geen enkel bestuurslid meer in funktie mocht zijn, behoort aan de Bisschop het recht een nieuw bestuur aan te stellen.Intussen gaat onmiddellijk vanaf het ogenblik van het ontbreken van alle bestuursleden het gehele bestuur tijdelijk op de Bisschop over, die alle funkties, bevoegdheden en rechten van het bestuur uitoefent totdat een nieuw bestuur zal zijn aangesteld.
9. De leden van het bestuur verrichten hun werkzaamheden ter Liefde Gods en alzo om niet.
(...)
Artikel 11
1. Een besluit tot wijziging van de statuten of tot ontbinding van de stichting kan slechts worden genomen met een meerderheid van twee/derde der geldig uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig zijn.(...)
4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt niet van kracht dan na schriftelijke goedkeuring door de Bisschop.’
Het geciteerde deel van de statuten vóór artikel 1 wordt in het vervolg aangeduid met ‘de considerans’.
De toenmalige bisschop, Mgr. [naam bisschop 1] , is op [overlijdensdatum] 1983 overleden. Zijn opvolger, Mgr. [naam bisschop 2] , is kort daarna tot bisschop benoemd. Hij is in [overlijdensdatum] 1998 overleden. De huidige bisschop, Mgr. [naam bisschop 3] (de bisschop), heeft Mgr. [naam bisschop 2] eerst als zogenoemde ‘administrator’ opgevolgd. Op 21 juli 2001 is hij als diocesane bisschop van Haarlem benoemd.
De bisschop heeft bij decreet van 10 juli 2013 nieuwe bestuurders (hierna: de nieuwe bestuurders) benoemd. Het decreet luidt, voor zover relevant, als volgt:
‘Overwegende
- -
-
dat Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis een publiekrechtelijke kerkelijke rechtspersoon is, zoals dat volgt uit art. 1 lid 3 van de door mijn voorganger Mgr. Drs. [naam bisschop 1] goedgekeurde statuten van vijf mei 1983 (hierna: de Statuten) en het op deze rechtspersoon toepasselijk canoniek recht;
- -
-
dat op grond van art. 2:2 van het Burgerlijk Wetboek Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis tevens een zelfstandig onderdeel van het R.K. kerkgenootschap is;
- -
-
(...)
- -
-
dat volgens art. 3 lid 4 van de Statuten bestuursleden door het bestuur worden benoemd en elke benoeming aan mij ter bekrachtiging wordt voorgelegd;
- -
-
dat de benoeming van degenen die thans feitelijk Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis besturen, niet aan mij ter bekrachtiging is voorgelegd noch door mij is bekrachtigd;
- -
-
dat deze benoemingen niet rechtsgeldig zijn (vgl. canones 178-179 van de Codex Iuris Canonici (1983));
- -
-
dat er sinds 2009 verschillende pogingen zijn gedaan om in goed overleg de ontstane situatie minnelijk op te lossen, maar dat deze pogingen helaas niet zijn geslaagd;
- -
-
dat geconstateerd is dat de personen die thans feitelijk Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis besturen het eigen kerkrechtelijk karakter van de instelling, met alle daaraan voor bestuurders, instelling en diocesane bisschop verbonden rechten en plichten, niet erkennen;
- -
-
(...)
- -
-
dat op mij de taak rust de Stichting tijdelijk te besturen wanneer door welke oorzaak ook geen enkel bestuurslid in functie is en te voorzien in de aanstelling van een nieuw bestuur (Statuten art. 3 lid 8);
- -
-
dat hierna te benoemen personen aangegeven hebben bereid te zijn het bestuursambt te aanvaarden;
krachtens de mij in art. 3 lid 8 van de Statuten toegekende bevoegdheid met onmiddellijke ingang tot bestuurders van de Stichting Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis te benoemen:
(...)
met de opdracht de Stichting Roomsch Catholijk Maagdenhuis te besturen in overeenstemming met de Statuten en de bepalingen van het canoniek recht; in het bijzonder draag ik de nieuwe bestuursleden op de Statuten van de Stichting aan te passen aan het geldend canoniek recht, met name aan de genoemde Algemene Bepalingen voor Kerkelijke Rechtspersonen en Katholieke Burgerlijke Rechtspersonen, op een zo kort mogelijke termijn, maar in ieder geval binnen een jaar vanaf de datum van dit decreet.
(...)’
Bij brief van 23 juli 2013, gericht aan de bisschop, heeft de advocaat van het Maagdenhuis c.s. herroeping van het decreet van 10 juli 2013 verzocht. De bisschop heeft dit verzoek bij decreet van 23 augustus 2013 afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft het Maagdenhuis c.s. bij beroepschrift van 6 september 2013 beroep ingesteld bij de Romeinse Congregatie voor de Clerus. De congregatie heeft het beroep afgewezen bij decreet van 9 oktober 2014. Daartegen is beroep ingesteld bij de “Signatura Apostolica”. Het beroep is preliminair afgewezen bij decreet van 6 november 2015. Het daartegen gerichte beroep is eveneens afgewezen.
Het Bisdom en de bisschop hebben bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in kort geding gevorderd (samengevat) het Maagdenhuis te veroordelen om mee te werken aan inschrijving van het Maagdenhuis in het handelsregister als een zelfstandig onderdeel van het R.K. kerkgenootschap, de bestuurders te veroordelen om mee te werken aan het ongedaan maken van hun inschrijving als bestuurders van het Maagdenhuis in het handelsregister en mee te werken aan de feitelijke overdracht van de bestuurstaak aan de door de bisschop benoemde bestuurders.
Bij vonnis van 28 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen dat niet alleen uit de letterlijke tekst van artikel 1 lid 3 maar ook uit de wijze waarop dit artikel tot stand is gekomen, alsmede uit de overige artikelen van de statuten voorshands volgt dat het Maagdenhuis als een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient te worden aangemerkt. De voorzieningenrechter volgt het Bisdom en de bisschop in hun stelling dat het Maagdenhuis als een publieke kerkelijke rechtspersoon kan worden aangemerkt. Tegen de achtergrond van het feit dat de bisschop in de lange tijd van de geschiedenis van het Maagdenhuis nooit nadrukkelijk heeft gestaan op bekrachtiging van bestuurdersbenoemingen, geen daadwerkelijke bemoeienis heeft getoond met het Maagdenhuis of met de bestuursleden en, hoewel hij van die benoemingen wel op de hoogte was, nimmer kritiek of bezwaren heeft geuit op het functioneren van het Maagdenhuis of op de (individuele) bestuursleden, kan het ontbreken van bekrachtigingen van de benoemingen van de huidige bestuursleden niet bijdragen aan toewijzing van de vorderingen. De voorzieningenrechter weigert de gevraagde voorzieningen omdat eisers onvoldoende (spoedeisend) belang hebben bij toewijzing van de vorderingen.
Bij arrest van 26 augustus 2014 heeft het Gerechtshof Amsterdam (het hof) het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Het hof overweegt onder meer dat de juridische hoedanigheid van het Maagdenhuis kwestieus is en het gelijk daaromtrent niet zonder meer aan de zijde van het Bisdom en de bisschoppen ligt. Voorts zijn er volgens het hof, indien de conclusie zou moeten zijn dat het Maagdenhuis geen civielrechtelijke stichting is maar rechtspersoonlijkheid ontleent aan de hoedanigheid van een zelfstandig onderdeel van het Rooms Katholieke kerkgenootschap in Nederland, goede argumenten (onder meer: het ontbreken van een kerkelijke benoeming als publiekrechtelijk onderdeel van de R.K. Kerk, de wijze van benoeming van het bestuur (coöptatie), de volledige zeggenschap over het eigen vermogen) om aan te nemen dat het Maagdenhuis geen publieke kerkelijke rechtspersoon is maar de status heeft van een private kerkelijke rechtspersoon.
In een uittreksel van 19 mei 2017 uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel met betrekking tot het Maagdenhuis is onder “Rechtsvorm” opgenomen: “Stichting”. Als datum van oprichting is 10 juli 1971 vermeld. Gedaagden onder 2, 3, 5, 6 en 7 staan in deze versie van het uittreksel als bestuursleden van het Maagdenhuis ingeschreven, steeds als (met andere bestuurders) gezamenlijk bevoegd.
Op 22 juni 2017 is gedaagde [gedaagde sub 3] als bestuurder afgetreden.
3 Het geschil
Het Bisdom vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en na vermindering van eis:
-
voor recht te verklaren dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. kerkgenootschap;
-
voor recht te verklaren dat geen van de gedaagden 2 en 4 t/m 7 het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig heeft verkregen;
-
voor recht te verklaren dat de nieuwe bestuurders het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig hebben verkregen;
-
gedaagden 1 en 2 en 4 t/m 7 te gebieden om binnen 10 dagen na betekening van het te wijzen vonnis (i) de nieuwe bestuurders volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen en (ii) met de nieuwe bestuurders in overleg te treden om deze bestuurders in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen;
-
het Maagdenhuis te veroordelen in de kosten van het geding.
Het Maagdenhuis c.s. voert gemotiveerd verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
In voorwaardelijke reconventie
Het Maagdenhuis c.s. vordert voorwaardelijk dat, indien en voor zover de vordering sub a) van het petitum wordt toegewezen, de rechtbank voor recht verklaart dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is waarbij geldt:
- -
-
dat het bestuur bevoegd is zijn taak, inclusief beheer van en beschikking over het vermogen, in volledige zelfstandigheid uit te oefenen;
- -
-
dat aan de bisschop en het Bisdom zijn toegekend een in objectiviteit te hanteren marginaal toetsingsrecht om in de samenstelling van het bestuur in te grijpen, voor zover daartoe naar objectief oordeel wegens wanbeleid een dringende reden bestaat; en
- -
-
dat de Bisschop en het Bisdom slechts gerechtigd zijn om bekrachtiging aan een bestuurdersbenoeming te onthouden voor zover daartoe naar objectief oordeel op grond van een marginale toets wegens wanbeleid een dringende reden bestaat.
Het Bisdom voert gemotiveerd verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.