Rechtbank Amsterdam, 12-02-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:694, 6536153 EA VERZ 17-1095
Rechtbank Amsterdam, 12-02-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:694, 6536153 EA VERZ 17-1095
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 februari 2018
- Datum publicatie
- 12 februari 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2018:694
- Zaaknummer
- 6536153 EA VERZ 17-1095
Inhoudsindicatie
Luchtvaartmaatschappij Transavia mag een piloot die met zijn vader een zogenoemde straatrace hield waarbij een dodelijk slachtoffer viel, niet ontslaan.
Uitspraak
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 6536153 EA VERZ 17-1095
beschikking van: 12 februari 2018
I n z a k e
gevestigd te Haarlemmermeer
verzoekster
nader te noemen: Transavia
gemachtigde: mr. R.C.M. Andriessen
t e g e n
wonende te [woonplaats]
verweerder
nader te noemen: [verweerder]
gemachtigde: mr. S.R. Nahar
Transavia heeft op 14 december 2017 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is mondeling behandeld ter zitting van 22 januari 2018. Transavia is verschenen bij [naam Chef Vlieger] (Chef Vlieger; hierna [naam Chef Vlieger] ) en [naam hoofd P&O] (hoofd P&O), vergezeld door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht. Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Uitgangspunten
1. Uitgegaan wordt van het volgende.
[verweerder] , geboren op 7 juli 1984, heeft van 22 september 2014 tot 29 april 2016 eerst de opleiding gevolgd tot en daarna gewerkt als piloot bij Ryan Air.
Sedert 7 mei 2016 is hij in dienst van Transavia. De arbeidsovereenkomst is eerder, op 7 maart 2016, tot stand gekomen. Aanvankelijk betrof het in verband met een (aanvullende) opleiding een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 7 mei 2016 tot en met 6 oktober 2016, waarbij was bepaald dat deze van rechtswege zou eindigen en dat het de intentie van Transavia was om in geval de opleiding met goed gevolg werd behaald deze om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Op 16 maart 2016 vond in Loosdrecht een ernstig ongeval plaats, waarbij de vader van [verweerder] betrokken was. Bij dat ongeval raakte een 19-jarig slachtoffer zwaargewond, nadat haar auto vol in de flank werd geraakt door de Porsche waarin de vader van [verweerder] reed. [verweerder] zelf reed op dat moment in een andere auto, een Mini, achter zijn vader. Het slachtoffer is op 1 april 2016 overleden.
In de media is destijds veel aandacht besteed aan het ongeval, waarnaar veelvuldig is verwezen als ‘de Loosdrechtse Straatrace’.
In het politieonderzoek naar de toedracht van het ongeval is op basis van de verklaringen van getuigen ook [verweerder] als medeverdachte in beeld gekomen. Hij is terzake op 24 maart 2016 door de politie als verdachte gehoord.
Naar aanleiding van de berichten in de pers heeft [naam Chief Pilot] , Chief Pilot bij Transavia (hierna [naam Chief Pilot] ) [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek, dat op 13 april 2016 in aanwezigheid van een arbeidsjurist van Transavia, heeft plaatsgevonden. In dat gesprek heeft [verweerder] verklaard dat hij voorgaand aan het ongeval niet met extreem hoge snelheid heeft gereden en dat hij niet dicht tot zeer dicht achter zijn vader heeft gereden voorafgaand aan dat ongeval.
[verweerder] is op 7 mei 2016 bij Transavia zijn aanvullende opleiding gaan volgen.
Omstreeks 12 mei 2016 heeft [verweerder] op verzoek van Transavia het proces-verbaal van het politieverhoor aan Transavia verstrekt, niet zozeer - zo blijkt uit een e-mail van 12 mei 2016 van [naam Chief Pilot] aan [verweerder] - omdat men twijfelde aan zijn verhaal, maar om in de in- en externe communicatie te kunnen aangeven dat zij zorgvuldig te werk gaan en meer doen dan alleen een gesprek voeren met de betrokkene.
Op 18 mei 2016 heeft [naam Chief Pilot] [verweerder] verzocht om meer duidelijkheid of hij vervolgd zal worden voor overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet (WvW), zoals zijn advocaat aan [naam Chief Pilot] had laten weten, of van artikel 6 WvW, zoals een TMG journalist tegen hem heeft gezegd. Op 20 mei 2016 heeft [verweerder] daarop het antwoord van de officier van justitie van die ochtend toegezonden, waaruit blijkt dat hij op grond van verschillende getuigenverklaringen wordt aangemerkt als verdachte van het medeplegen van artikel 6 WvW en dat dit voor [verweerder] tot dat moment kennelijk niet duidelijk was.
Rond 24 mei 2016 heeft tussen [naam Chief Pilot] en [verweerder] een e-mailwisseling plaatsgevonden over een mogelijk gesprek tussen [verweerder] en een kennis van het slachtoffer, die ook als piloot bij Transavia werkt. Daarbij geeft [verweerder] aan dat in een eerder stadium is afgesproken dit probleem on hold te zetten gedurende de opleiding en dat hij dat graag zo wil houden mede gezien de te verwachten insteek van die collega voor dat gesprek.
[verweerder] heeft zijn opleiding met goed resultaat afgerond. Aansluitend, omstreeks 7 oktober 2016, heeft Transavia met [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten.
In maart 2017 heeft er een overleg plaatsgevonden tussen [naam Chef Vlieger] voornoemd, een jurist van Transavia en de advocaat van [verweerder] over de voortgang van de strafzaak.
Op 17 november 2017 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tegen [verweerder] . Daarbij is hij vrijgesproken van het (mede)plegen van dood door schuld in het verkeer (artikel 6 WvW), hoewel de rechtbank concludeert dat hij wel heeft bijgedragen aan het verwerpelijke rijgedrag van zijn vader. [verweerder] is wel veroordeeld voor het tezamen en in vereniging met zijn vader zich zodanig gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt (artikel 5 WvW). Hij is voor deze overtreding veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar.
Tegen het vonnis is hoger beroep ingesteld.
Op 27 november 2017 heeft Transavia [verweerder] op non-actief gesteld vooruitlopend op de door haar gewenste beeindiging van de arbeidsovereenkomst.
Verzoek
2. Transavia verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op zo kort mogelijke termijn te ontbinden zonder rekening te houden met de wettelijke opzegtermijn.
3. Aan dit verzoek legt Transavia primair ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] zodanig dat van Transavia in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de e-grond). Op grond van de gedragingen die in het strafvonnis bewezen zijn verklaard is sprake geweest van extreem gevaarzettend gedrag van [verweerder] in het verkeer en het overtreden van (verkeers)veiligheidsnormen, waarmee een directe relatie met zijn functie als piloot is gegeven, waarin hij bij uitstek verantwoordelijk is voor de veiligheid van anderen in de lucht. Het strikt naleven van veiligheidsvoorschriften staat daarbij altijd voorop. Een First Officer heeft op dat punt een voorbeeldfunctie. Niet uit te sluiten is dat het strafvonnis en de opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid nog gevolgen hebben voor het mogen vliegen en/of de vereiste verklaring van geen bezwaar (voorheen goed gedrag; hierna VGB). Transavia moet volledig kunnen vertrouwen op de integriteit van haar piloten. In dat verband is het voor Transavia onacceptabel dat [verweerder] in de gesprekken met Transavia zich op het standpunt heeft gesteld dat hij niet met extreem hoge snelheid zou hebben gereden en niet dicht achter zijn vader.
4. Subsidiair heeft Transavia het verzoek gebaseerd op andere omstandigheden die zodanig zijn dat van Transavia in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de h-grond) Daarvoor voert zij aan, dat door de onjuiste verklaringen van [verweerder] als hiervoor bedoeld een vertrouwensbreuk is ontstaan tussen haar en [verweerder] . Daarnaast beroept zij zich op commerciële belangen, doordat de publieke verontwaardiging zich niet alleen op [verweerder] richt, maar ook op Transavia als werkgever. Zij acht het onaanvaardbaar dat zij [verweerder] moet inzetten op passagiersvluchten, terwijl hem de bevoegdheid tot het besturen van een simpele auto is ontzegd. Zij kan dit gewoonweg niet aan haar passagiers verkopen. Verder is van belang dat zij recentelijk door diverse collega’s is benaderd met de mededeling dat zij niet langer met [verweerder] willen vliegen omdat zij dit onveilig achten.
5. Op hetgeen verder ter onderbouwing is aangevoerd, zal bij de beoordeling worden ingegaan.