Rechtbank Amsterdam, 20-03-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1883, C/13/647401 / HA ZA 18-469
Rechtbank Amsterdam, 20-03-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1883, C/13/647401 / HA ZA 18-469
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 maart 2019
- Datum publicatie
- 3 april 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:1883
- Zaaknummer
- C/13/647401 / HA ZA 18-469
Inhoudsindicatie
Hypotheekrecht. Accessoire kredietfaciliteit met restschuld. Kredietnemers zijn rechtspersonen die inmiddels zijn opgehouden te bestaan. Niet meewerken aan doorhalen hypotheek door de bank onrechtmatig jegens eiseres /eigenaar bezwaarde onr.goed.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/647401 / HA ZA 18-469
Vonnis van 20 maart 2019
in de zaak van
[eiseres]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. F.B.A.M. van Oss te Harderwijk,
tegen
naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. R. Dijkema te Hilversum.
Partijen zullen hierna [eiseres] en Abn Amro genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenvonnis van 17 oktober 2018 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 14 januari 2019, waarbij de zaak op verzoek van partijen ten behoeve van schikkingsonderhandelingen naar de rol van 13 februari 2019 is verwezen voor uitlating royement of vragen van vonnis.
- -
-
het verzoek van 8 februari 2019 van Abn Amro om vonnis te wijzen,
- -
-
het verzoek van [eiseres] van 11 februari 2019 om een akte te mogen indienen met betrekking tot over te leggen stukken, welk verzoek is afgewezen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiseres] is een dochteronderneming van [Bedrijf 1] Enig aandeelhouder en zelfstandig bevoegd bestuurder van [Bedrijf 1] is [naam 1] .
[Bedrijf 1] was in het verleden ook enig aandeelhouder van [Bedrijf 2] , een [soort bedrijf] . [naam 1] was in het verleden zelfstandig bevoegd bestuurder van [Bedrijf 2]
[Bedrijf 3] was enig aandeelhouder van [Bedrijf 4] Zelfstandig bevoegd bestuurder van [Bedrijf 4] was [naam 1] .
Op 31 oktober 1983 heeft [Bedrijf 4] een recht van hypotheek (hierna: de hypotheek) op de destijds aan [Bedrijf 4] in eigendom toebehorende onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak) verstrekt aan (de rechtsvoorganger van) Abn Amro. Volgens de tekst van het “Borderel van inschrijving van een hypotheek op onroerende zaken” dient de hypotheek “tot zekerheid voor de betaling van hetgeen de bank van [Bedrijf 4] (..) en/of (..) [Bedrijf 2] , zowel tezamen als ieder afzonderlijk (..) uit welke hoofde dan ook te vorderen heeft of te eniger tijd te vorderen zal hebben tot het beloop van een som van één miljoen gulden.”
[eiseres] is in 1995 eigenaar geworden van de onroerende zaak.
Op basis van een op 16 april 2004 gesloten overeenkomst heeft Abn Amro aan [Bedrijf 4] en [Bedrijf 2] (hierna gezamenlijk: de kredietnemers) een krediet in rekening-courant verstrekt tot een maximum van € 200.000 (hierna: de kredietfaciliteit).
[Bedrijf 2] is per 1 juli 2014 bij ontbindingsbesluit ontbonden en opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig waren, en vervolgens per 9 juli 2014 uitgeschreven uit het Handelsregister.
Op 18 september 2015 heeft Abn Amro de kredietfaciliteit opgezegd in verband met het niet voldoen aan de kredietvoorwaarden, alsmede de faillissementsaanvraag van [Bedrijf 4] en het uitschrijven bij de Kamer van Koophandel van [Bedrijf 2]
[Bedrijf 4] is op 22 september 2015 in staat van faillissement verklaard.
Na de faillissementsverklaring op 22 september 2015 van [Bedrijf 4] heeft Abn Amro op 28 september 2015 aan de curator meegedeeld dat de vordering van Abn Amro uit hoofde van de kredietfaciliteit € 162.609,26 bedraagt. Bij de weergave daarbij van de aan Abn Amro verstrekte zekerheden heeft Abn Amro de hypotheek niet vermeld.
[Bedrijf 4] is per 17 januari 2017 ontbonden wegens insolventie en opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig waren, en vervolgens per 20 januari 2017 uitgeschreven uit het Handelsregister.
De vordering van Abn Amro op [Bedrijf 4] en [Bedrijf 2] uit hoofde van de kredietfaciliteit bedraagt pro resto € 138.302,44 (hierna: de restschuld).
[eiseres] wilde in april 2018 overgaan tot verkoop van het onroerend goed. Toen bleek dat daarop het in 1983 gevestigde recht van hypotheek rustte. [eiseres] heeft Abn Amro verzocht om doorhaling van de hypotheek. Abn Amro heeft dit geweigerd, zich op het standpunt gesteld dat de hypotheek mede diende als zekerheid voor de kredietfaciliteit en aanspraak gemaakt op betaling van de restschuld.
Daarop heeft – met uitstel – het transport plaatsgevonden op de voorwaarde dat het bedrag van de restschuld zou worden gesepareerd op de derdenrekening van de advocaat van Abn Amro, hetgeen is gebeurd.
3 Het geschil
[eiseres] vordert samengevat - bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. te verklaren dat de inschrijving van het hypotheekrecht, vermeld in de hypotheekakte van 31 oktober 1983, opgemaakt door notaris mr. J.L.W. le Grand te Harderwijk en op 1 november 1983 ingeschreven in de openbare registers (register Hypotheken [nummer] , deel [nummer] , nummer [nummer] , reeks [plaats] ) waardeloos is;
II. te verklaren voor recht dat Abn Amro onrechtmatig handelt c.q. heeft gehandeld jegens [eiseres] door haar weigering om mee te werken aan doorhaling van het hiervoor onder I. bedoelde hypotheekrecht, alsook dat zij gehouden is alle hierdoor door [eiseres] geleden schade te vergoeden, waaronder begrepen de kosten van haar raadsman en de wettelijke rente vanaf 3 april 2018 over € 138.302,44 tot de dag van voldoening;
III. Abn Amro te veroordelen tot het geven van opdracht aan de stichting derdengelden het bedrag van € 138.302,44 over te boeken naar een door [eiseres] op te geven rekeningnummer onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000, alsmede een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat Abn Amro in gebreke blijft deze opdracht te verstrekken. Een en ander binnen twee dagen na betekening van het vonnis;
IV. met veroordeling van Abn Amro in de proces-en nakosten.
[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Abn Amro onrechtmatig handelt door de hypotheek niet door te halen, waardoor [eiseres] schade lijdt.
Abn Amro voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.