Rechtbank Amsterdam, 21-03-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2166, C/13/654335 / HA RK 18-302
Rechtbank Amsterdam, 21-03-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2166, C/13/654335 / HA RK 18-302
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 maart 2019
- Datum publicatie
- 2 mei 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:2166
- Zaaknummer
- C/13/654335 / HA RK 18-302
Inhoudsindicatie
Verzoeken o.g.v. art. 15, 17 en 18 AVG van (oud)werknemer tegen werkgever en tegen door werkgever ingeschakeld onderzoeksbureau. Verzoeken niet-ontvankelijk en afgewezen; o.m. verhouding art. 8 EVRM, Wpbr, proportionaliteit en subsidiariteit.
Uitspraak
beschikking
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/654335 / HA RK 18-302
Beschikking van 21 maart 2019
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. A.W. Duthler te Den Haag,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster sub 1]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
advocaat mr. L.H. Toonen te Loenen (Gelderland),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster sub 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
advocaat mr. D.J.A. Vesters te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [verzoekster] , [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 september 2018,
- -
-
het (aanvullend) verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 19 november 2019,
- -
-
de beschikking van 22 november 2018 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- -
-
het verweerschrift van [verweerster sub 1] , met bijlagen, ingekomen ter griffie op 22 januari 2019,
- -
-
het verweerschrift van [verweerster sub 2] , met bijlagen, ingekomen ter griffie op 23 januari 2019,
- -
-
de fax van 25 januari 2019 van [verzoekster] met daarin het verzoek tot verwijdering van twee producties uit het verweerschrift van [verweerster sub 1] ,
- -
-
de fax van 28 januari 2019 van [verzoekster] met één productie,
- -
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 30 januari 2019, en de verder daarin genoemde stukken,
- -
-
de fax van 12 februari 2019 van [verweerster sub 1] met daarin een opmerking over het proces-verbaal.
De beschikking is bepaald op heden.
2 De feiten
Met ingang van 1 mei 2017 is [verzoekster] bij [verweerster sub 2] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij indiensttreding heeft zij de functie vervuld van [functie 1] en per 27 juli 2017 die van [functie 2] .
Op 25 september 2017 heeft [verweerster sub 2] een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter van deze rechtbank op grond van – kort gezegd – een werkrelatie die in heel korte tijd is vastgelopen althans subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding dan wel disfunctioneren van [verzoekster] . Dit verzoek heeft de kantonrechter bij beschikking van 13 oktober 2017 afgewezen.
Op 2 november 2017 is [verweerster sub 2] gestart met een verbeterplan teneinde onder meer de verstandhouding tussen [verzoekster] en [verweerster sub 2] te verbeteren.
Met ingang van 1 maart 2018 is [verzoekster] tijdelijk arbeidsongeschikt geraakt.
Op 4 april 2018 heeft [naam interne klant] (hierna: [naam interne klant] ), een interne klant van [verweerster sub 2] en werkzaam bij een van de bedrijfsonderdelen van [verweerster sub 2] , bij [verweerster sub 2] klachten geuit over het gedrag van [verzoekster] .
Op 19 april 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en de [functie 3] van [verweerster sub 2] , [naam functionaris] (hierna: [naam functionaris] ). In dit gesprek is aan [verzoekster] meegedeeld dat is gebleken dat ten minste één collega het gedrag van [verzoekster] als grensoverschrijdend, althans bedreigend en intimiderend heeft ervaren, dat [verweerster sub 2] om die reden [verweerster sub 1] heeft benaderd om een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren en dat [verzoekster] gedurende dit onderzoek op non-actief wordt gesteld. Dit alles heeft [verweerster sub 2] ook bevestigd in een brief aan [verzoekster] van dezelfde datum.
[verweerster sub 1] is een onderzoeks- en trainingsbureau dat is gespecialiseerd in de aanpak van ongewenste omgangsvormen op het werk. [verweerster sub 1] doet onderzoek in geval van klachten zoals (seksuele) intimidatie, pesten, agressie en discriminatie.
In een e-mail van 26 april 2018 zijn zowel [verzoekster] als [naam interne klant] door [verweerster sub 1] uitgenodigd voor een individueel interview op 1 mei 2018. Bij deze e-mail is de ‘procedure voor onderzoek naar meldingen over ongewenste omgangsvormen/grensoverschrijdend gedag’ gevoegd, waarin staat beschreven volgens welke procedure [verweerster sub 1] haar onderzoek uitvoert.
[verzoekster] heeft [verweerster sub 1] in een e-mail van 27 april 2018 verzocht om nadere informatie over de achtergrond van het onderzoek.
[verweerster sub 1] heeft hierop bij e-mail van 30 april 2018 gereageerd en, voor zover van belang, het volgende geschreven:
“(...) [naam functionaris] , HR of [verweerster sub 2] (your employer) asked us ( [verweerster sub 1] ) to conduct an independant investigation into the problems which have arised between you and [naam interne klant] . According to [naam interne klant] your behaviour has a negative effect upon his work and his well being. [naam interne klant] did not file a formal complaint against you, but brought forward this problem with your behaviour towards him. These are called ‘signals of inproper behaviour’ (signalen van ongewenst gedrag).
Your employer decided to ask us to conduct an objective and independent investigation of the problems which have arised, according to him, between the two of you.
Until now we – [verweerster sub 1] – know nothing more. [naam interviewer] (...) will have an indepth interview with [naam interne klant] , and with you. The interviews will be separate. [naam interviewer] will tell you all [naam interne klant] brought forward, and you will be given the opportunity to react to his testimony and of course you can bring forward your part of the story.
Minutes will be made of both interviews. After the interview [naam interviewer] will decide how to proceed the investigation.
(...) [naam interviewer] will explain again the procedure in your interview (...)”
Het interview met [verzoekster] heeft op 1 mei 2018 plaatsgevonden. Van het interview is met instemming van [verzoekster] een geluidsopname gemaakt, die later is uitgewerkt in een schriftelijk verslag. Verder heeft [verzoekster] e-mails en WhatsApp-berichten tussen haar en [naam interne klant] aan [verweerster sub 1] verstrekt.
In mei, juni en juli 2018 heeft [verzoekster] diverse e-mails aan [verweerster sub 1] verzonden waarin zij vragen heeft gesteld over onder meer het vervolg, de transparantie, de vertrouwelijkheid en de rechtmatigheid van het onderzoek en de verwerking van haar persoonsgegevens. [verweerster sub 1] heeft hier diverse malen per e-mail op gereageerd.
In een e-mail van 13 mei 2018 heeft [verzoekster] voor zover van belang, het volgende aan [verweerster sub 1] geschreven:
“With regard to privacy, want to address that [verweerster sub 1] did not communicate with me before this investigation or during the interview, with whom you were going to share which part of my privacy and how you were going to share my privacy. Also you did not answer my questions on this concrete/meaningful manner after I asked again and again. I have never given you any authorization to share my privacy with [verweerster sub 2] (HR) or any other party/person. The private emails/whatsapp messages I sent to [naam interviewer] is only to support the investigation (As how she requested me during the interview. She never mentioned that she would share them with [verweerster sub 2] or anyone else) for your use. It is not for sharing with any other party including anyone from [verweerster sub 2] HR, I did not and I do not give you any authorization/permission (‘toestemming’) to share my private emails or WhatsApp messages (from/to my personal accounts) that I sent you with any other party or person including [verweerster sub 2] HR. I hereby request you to operate your investigation strictly in line with the privacy law including but not limited to: Wbp and AVG. (...)”.
[verzoekster] heeft in een e-mail van 21 juni 2018, voor zover van belang, het volgende aan [verweerster sub 1] geschreven:
“(...) with regard to the ‘inzage’, I hereby within my rights request you to send me copies of all the documents/data you collected and/or received with regard to/or related to me.”
In een e-mail van 9 juli 2018 heeft [verzoekster] , voor zover van belang, het volgende aan [verweerster sub 1] geschreven:
“Volgens AVG (artikel 18) ‘recht op beperking van de verwerking’ vraag ik u om het verwerken van mijn persoonsgegevens te beperken. Ik heb voor dit verzoek de volgende reden: Onrechtmatige verwerking – Uw organisatie verwerkt mijn persoonsgegevens onrechtmatig. (...)”
Op 10 augustus 2018 heeft [verweerster sub 1] een concept-rapport opgesteld, waarna op 23 augustus 2018 de definitieve versie is uitgebracht (hierna: het rapport). [verweerster sub 1] heeft het rapport opgestuurd aan [verweerster sub 2] en heeft aan [verzoekster] een kopie verstrekt. Bij dit rapport zijn onder meer het uitgewerkte verslag van het interview tussen [verzoekster] en [verweerster sub 1] gevoegd, alsmede (zakelijk) WhatsApp-berichten tussen [verzoekster] en [naam interne klant] , e-mailcorrespondentie tussen [verzoekster] en [naam interne klant] , e-mailcorrespondentie tussen [verzoekster] en [verweerster sub 1] en e-mailcorrespondentie tussen [verzoekster] en [verweerster sub 2] . De conclusie van het rapport luidt, voor zover van belang:
“- De onderzoeker acht in voldoende mate aangetoond dat verweerder [ [verzoekster] , toevoeging rechtbank] zich ten aanzien van melder [ [naam interne klant] , toevoeging rechtbank] op een onwenselijke en grensoverschrijdende wijze heeft gedragen. Zij heeft haar gedrag, zoals schelden, aanhoudende berichten sturen, zich negatief over de organisatie en leidinggevenden uitlaten, niet ontkend. Zij ziet dit echter als een gerechtvaardigde reactie op het gedrag van melder (...)”
Bij e-mail van 23 augustus 2018 heeft [naam functionaris] namens [verweerster sub 2] aan [verzoekster] meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst met haar wenst te beëindigen, dat gestreefd wordt naar een beëindigingsovereenkomst en dat een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter zal worden ingediend, indien een overeenkomst niet tot stand komt. Bij deze e-mail is het rapport meegezonden. Voorts staat in de e-mail vermeld, voor zover van belang:
“ [verweerster sub 1] have now concluded the independent investigation I requested. They have prepared a report, a copy of which I have attached to this email. Based upon the conclusions drawn in the report we come to the conclusion that a) your actions towards a colleague have been inappropriate and b) you have been responsible for creating a hostile working environment. Furthermore we have come to the conclusion that there is an irreparable breach in trust as well as in the working relationship with you. This is not only demonstrated in the report but also in the way that you have recently communicated with us.(...)”
Op 24 augustus 2018 heeft [verzoekster] een klacht tegen [verweerster sub 1] ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens, inhoudende dat [verweerster sub 1] (1) handelt in strijd met de vergunningsplicht van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr), (2) handelt in strijd met de plicht een Gedragscode vast te stellen als bedoeld in de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Rpbr), (3) zich niet houdt aan de bepalingen van de Gedragscode en (4) zonder grondslag en (5) op niet transparante wijze persoonsgegevens van [verzoekster] verwerkt.
Op 27 augustus 2018 zijn aan [verzoekster] op haar verzoek ook de bijlagen van het rapport toegezonden door [verweerster sub 2] .
Op 10 september 2018 heeft [verzoekster] aangifte gedaan tegen [verweerster sub 1] wegens overtreding van artikel 2 Wpbr.
Bij afzonderlijke brieven van 11 september 2018 heeft (de advocate van) [verzoekster] aan [verweerster sub 2] en [verweerster sub 1] verzocht haar persoonsgegevens, waarbij gedoeld wordt op het rapport, te wissen, omdat deze volgens [verzoekster] onrechtmatig zijn verkregen, onder meer omdat [verweerster sub 1] niet over een vergunning voor recherchewerkzaamheden beschikt. [verzoekster] heeft [verweerster sub 2] en [verweerster sub 1] verzocht om binnen twee kalenderdagen aan haar mee te delen of aan dit verzoek zou worden voldaan.
Vervolgens heeft [verzoekster] [verweerster sub 2] in kort geding gedagvaard waarbij zij kort gezegd heeft gevorderd om het gebruik en verdere verwerking van het rapport te verbieden tot het moment dat een definitief oordeel is gegeven over het verzoek tot inzage, beperking van de verwerking en wissing van de persoonsgegevens. Bij vonnis van 10 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter bij deze rechtbank de door [verzoekster] gevraagde voorzieningen geweigerd.
Op 27 september 2018 heeft [verweerster sub 2] de kantonrechter bij deze rechtbank verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Bij beschikking van 19 december 2018 heeft de kantonrechter het verzoek toegewezen en de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2019 ontbonden.
3 De verzoeken en de verweren
[verzoekster] verzoekt de rechtbank – beide verzoekschriften tezamen genomen – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] te veroordelen tot:
-
inwilliging van het verzoek tot inzage van alle over [verzoekster] door [verweerster sub 1] verwerkte persoonsgegevens;
-
voor zover nodig, inwilliging van het verzoek tot beperking van de verwerking van de persoonsgegevens;
-
inwilliging van het verzoek tot vernietiging van alle over [verzoekster] door [verweerster sub 1] verwerkte persoonsgegevens – op grond van onrechtmatige verwerking – onder overlegging van een overzicht hiervan;
-
inwilliging van het verzoek tot vernietiging van alle van [verweerster sub 1] (de rechtbank leest: over [verzoekster] door [verweerster sub 1] ) verder verwerkte persoonsgegevens bij [verweerster sub 2] onder overlegging van een overzicht hiervan;
-
uitvoering van de ingewilligde verzoeken binnen een termijn van zeven dagen op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag dat zij in gebreke blijft;
-
hoofdelijke aansprakelijkheid (de rechtbank leest: veroordeling) van zowel [verweerster sub 1] als [verweerster sub 2] tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van € 1.701,36;
-
betaling van de proceskosten.
De advocaat van [verzoekster] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat de verzoeken onder a tot en met c subsidiair zijn gericht tegen [verweerster sub 2] .
[verzoekster] heeft haar verzoeken gebaseerd op de artikelen 15 (verzoek sub a), 17 (verzoek sub c en d), 18 (verzoek sub b) en 82 (verzoek sub f) van de Algemene Verordening Persoonsgegevens (AVG) jo. artikel 35 van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Persoonsgegevens (UAVG) en heeft hiertoe – samengevat – het volgende gesteld. De verwerking van de persoonsgegevens van [verzoekster] door [verweerster sub 1] is onrechtmatig op grond van artikel 5 AVG, omdat [verweerster sub 1] recherchewerkzaamheden verricht maar niet over een vergunning beschikt zoals artikel 2 Wpbr voorschrijft. Nu [verweerster sub 2] opdracht aan [verweerster sub 1] heeft gegeven voor de uitvoering van het onderzoek zonder zich ervan te vergewissen of [verweerster sub 1] hiertoe gerechtigd was, kan haar dit eveneens worden aangerekend.
Bovendien hebben [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] onvoldoende rekening gehouden met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. [verzoekster] acht het van belang om haar recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer dat in artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en artikel 10 van de Grondwet is erkend, te kunnen uitoefenen. Daarom heeft zij tijdens het onderzoek door [verweerster sub 1] telkens verzocht om transparant te zijn over de melding van [naam interne klant] en om het specifieke doel, de grondslag en de rechtmatigheid van het onderzoek aan haar mee te delen. [verzoekster] heeft niet vrijelijk ingestemd met noch haar medewerking verleend aan het onderzoek door [verweerster sub 1] . Het onderzoek heeft grote en ingrijpende gevolgen voor haar privéleven. Tijdens het onderzoek hebben er verhoren plaatsgevonden met twee getuigen, gericht op gedragingen van [verzoekster] die (deels) betrekking hadden op haar privéleven. Ook hebben derden gegevens van haar overgelegd, die betrekking hadden op haar privéleven. [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hebben ten onrechte de diverse verzoeken van [verzoekster] tot inzage, beperking van de verwerking en wissing van haar persoonsgegevens genegeerd. Verder zijn [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] op grond van artikel 82 AVG hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [verzoekster] heeft geleden als gevolg van de inbreuken die zijn gemaakt op haar rechten die worden beschermd door de AVG. Deze schade bestaat uit een bedrag van € 701,36 aan eigen bijdrage en eigen risico voor persoonlijke begeleiding in verband met de gemaakte inbreuk op haar recht op respect voor haar privéleven en daarnaast een bedrag van € 1.000,00 wegens immateriële schadevergoeding.
[verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hebben ieder afzonderlijk verweer gevoerd en hebben verzocht de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen.
Op de stellingen van partijen zal hierna, indien nodig, nader worden ingegaan.