Home

Rechtbank Amsterdam, 29-05-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3857, C/13/664701 / KG ZA 19-390

Rechtbank Amsterdam, 29-05-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3857, C/13/664701 / KG ZA 19-390

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29 mei 2019
Datum publicatie
10 juli 2019
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2019:3857
Zaaknummer
C/13/664701 / KG ZA 19-390

Inhoudsindicatie

BKR-registratie. Consument. Vordering tot verwijdering. Artt. 21 en 69 AVG. Belangenafweging (Hoge Raad 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097). Kredietinstelling moet aannemelijk maken dat in dit concrete geval het belang van (handhaving van de) registratie zwaarder weegt dan de belangen van de betrokken consument. Het Algemeen Reglement CKI (AR) is geen wet in formele of materiële zin. Beroep op regels van het AR (bijvoorbeeld dat een code vijf jaar blijft staan) volstaat niet, in voorkomend geval zal de kredietinstelling van die regels moeten afwijken. Overzicht van mee te wegen omstandigheden, waaronder tijdsverloop. Vordering toegewezen.

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/664701 / KG ZA 19-390 MDvH/MAH

Vonnis in kort geding van 9 mei 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers bij dagvaarding van 29 april 2019,

advocaat mr. K.J. Zomer te Oosterhout,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,2. de rechtspersoon naar Zweeds recht

HOIST FINANCE AB,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. H.A. P. Pijnacker te Tilburg.

Eisers zullen hierna ook [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en gedaagde sub 2 zal ook Hoist worden genoemd.

1 De procedure

Voorafgaande aan de zitting zijn de vorderingen tegen gedaagde sub 1 (ABN AMRO) ingetrokken, zodat daar niet meer op hoeft te worden beslist. Ter zitting van 8 mei 2019 heeft [eiser sub 1] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Hoist heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig: [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [naam 1] en [naam 2] (beiden verbonden aan CoderingVrij B.V.), met mr. Zomer;

aan de zijde van Hoist: [naam jurist] (jurist) met mr. Pijnacker.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 9 mei 2019 de beslissing gegeven in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Het hierna volgende is de uitwerking daarvan en is, zoals aangekondigd, afgegeven op 29 mei 2019.

2 De feiten

2.1.

In 2002 heeft [eiser sub 1] in verband met de aankoop van een auto een doorlopend krediet afgesloten met contractnummer [contractnummer] en een bedrag van ruim € 17.000 opgenomen. De lening was aflossingsvrij en had een looptijd van 15 jaar. Op een gegeven moment is een achterstand in de betaling van de rente ontstaan en in november 2009 heeft Hoist het saldo opgeëist. [eiser sub 1] heeft op 17 mei 2016 de uitstaande schuld geheel afgelost.

2.2.

In het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van het Bureau krediet Registratie (BKR) staat het doorlopend krediet geregistreerd met een bedrag van € 17.869, ingangsdatum 25 september 2002, werkelijke einddatum 17 mei 2016, en de volgende bijzonderheidscodes:

A Achterstand ingangsdatum 9 oktober 2009

2 (Restant)vordering geheel opeisbaar ingangsdatum 28 november 2009

Daarbij is vermeld: “Als er geen wijzigingen plaatsvinden wordt dit contract verwijderd in mei 2021”.

2.3.

Bij brieven van 9 oktober 2018, 16 november 2018 en 1 maart 2019 heeft CoderingVrij namens [eiser sub 1] Hoist verzocht over te gaan tot verwijdering van de BKR-registratie. Bij e-mails van 17 oktober 2018, 13 december 2018 en 1 april 2019 heeft Hoist hierop afwijzend gereageerd.

2.4.

Op 20 maart 2019 hebben [eiser sub 1] , zijn echtgenote [eiser sub 2] en de moeder van [eiser sub 2] een koopovereenkomst gesloten voor een woning. In de overeenkomst is een ontbindende voorwaarde opgenomen voor het geval dat de kopers – kort gezegd – niet uiterlijk op 10 mei 2019 een hypotheek van € 450.000 hebben verkregen.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing