Rechtbank Amsterdam, 29-05-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4155, 13/698443-16
Rechtbank Amsterdam, 29-05-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4155, 13/698443-16
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 mei 2019
- Datum publicatie
- 24 juni 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:4155
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2023:3788, Overig
- Zaaknummer
- 13/698443-16
Inhoudsindicatie
Dagvaarding nietig tav verkopen/vervoeren cocaine, nu de tenlastelegging onvoldoende concreet is. Veroordeling aanwezig hebben harddrugs, vervoeren cocaine, witwassen en voorhanden hebben vuurwapen.
Uitspraak
VONNIS
Parketnummer: 13/698443-16 (Promis)
Datum uitspraak: 29 mei 2019
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
wonende te [adres 1] , [plaats 1] ( [land] ).
1 Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 mei 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.L.A. ter Veer, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.R. de Korte, naar voren hebben gebracht.
Verdachte is tijdens het onderzoek ter terechtzitting bijgestaan door, V. Duivensteijn, tolk in de Spaanse taal.
De zaak is gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] , parketnummer 13/698556-16.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het
1. opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en MDMA op 6 december 2016 op de adressen [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] te [plaats 2] ;
2. opzettelijk verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren van een cocaïne in de periode van 31 mei 2016 tot en met 6 december 2016;
3. opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of aanwezig hebben van cocaïne, waaronder een hoeveelheid van 992,50 gram, in de periode van 31 mei 2016 tot en met 6 december 2016;
4. witwassen van € 36.180,- en/of € 6.775,- in de periode van 31 mei 2016 tot en met 6 december 2016;
5. voorhanden hebben van een vuurwapens en munitie op 6 december 2016.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Voorvragen
Nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 2
De rechtbank beoordeelt ambtshalve of het onder 2 ten laste gelegde opzettelijk verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren van cocaïne in de periode 31 mei 2016 tot en met 6 december 2016 voldoet aan de eisen die in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan de dagvaarding worden gesteld. De rechtbank stelt voorop dat de tenlastelegging een zodanige opgave van het feit dient te zijn, dat in combinatie met het onderliggende dossier, voldoende duidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen.
Er heeft een grootschalig opsporingsonderzoek plaatsgevonden Daarbij is over de periode van 31 mei 2016 tot en met 6 december 2016 gebruik gemaakt van verschillende bijzondere opsporingsbevoegdheden, waaronder telefoontaps, stelselmatige observatie en het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Er is zodoende sprake van een omvangrijk dossier. Het onder 2 ten laste gelegde opzettelijk verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren van cocaïne is niet gespecificeerd naar gewicht, gedraging, datum of plaats, waardoor niet zonder meer duidelijk is op welke individuele handelingen deze beschuldiging is gericht. Ook in het licht van het onderliggende dossier is de tenlastelegging ten aanzien van feit 2 onvoldoende concreet en wel zodanig, dat het voor de verdachte niet duidelijk is tegen welke concrete leveringen van cocaïne hij zich dient te verweren. Daarmee voldoet de tenlastelegging ten aanzien van dit feit niet aan de eisen die in artikel 261 Sv aan de dagvaarding worden gesteld.
De rechtbank zal daarom de dagvaarding nietig verklaren ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.
Geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 3
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne verzocht de dagvaarding nietig te verklaren. De raadsman is van mening dat deze verdenking onvoldoende concreet is, gelet op de lange ten laste gelegde periode: 31 mei 2016 tot en met 6 december 2016.
Ten aanzien van feit 3 is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging wel voldoet aan de eisen die in artikel 261 Sv aan de dagvaarding worden gesteld.
Onder 3 is het uitvoeren van cocaïne ten laste gelegd. Door de specificering naar 922,50 gram is het duidelijk dat de officier van justitie hier doelt op de cocaïne die op 10 november 2016 op Schiphol in de bagage van koerier [persoon 1] is aangetroffen. Naast deze actie komt slechts op twee andere momenten in het dossier een mogelijke uitvoer via luchthaven Schiphol naar voren. Het betreft tapgesprekken van 26 september 2016 over het kopen van vliegtickets voor een NN-persoon die op 27 september 2016 vanuit Madrid zou aankomen en in de avonduren zou doorreizen naar Zurich. Verder heeft verdachte, blijkens de observaties, op 8 november 2016 een NN-vrouw opgehaald van Schiphol en haar op 9 november 2016 teruggebracht naar Schiphol. Uit het OVC-gesprek van 9 november 2019 komt naar voren dat zij de vlucht van 06.55 uur naar Zurich moet halen.
De rechtbank oordeelt dat op grond van het vorenstaande, in het licht van het onderliggende dossier, de tenlastelegging voldoende concreet is. Voor verdachte moet duidelijk zijn geweest waartegen hij zich moest verdedigen.
De rechtbank acht de dagvaarding daarom geldig ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.
Overige voorvragen
De dagvaarding is ten aanzien van feit 1, 3, 4 en 5 geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.