Home

Rechtbank Amsterdam, 17-10-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:7705, C/13/666009 / HA RK 19-159

Rechtbank Amsterdam, 17-10-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:7705, C/13/666009 / HA RK 19-159

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17 oktober 2019
Datum publicatie
6 maart 2020
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2019:7705
Zaaknummer
C/13/666009 / HA RK 19-159

Inhoudsindicatie

Verwijdering BKR-registratie code 3 toegewezen; onvoldoende toegelicht dat belang van voortduren registratie zwaarder weegt dan belang betrokkene; tijdsverloop

Uitspraak

beschikking

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/666009 / HA RK 19-159

Beschikking van 17 oktober 2019

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

de heer B. de Haan,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en ING genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het verzoekschrift met producties, ter griffie binnengekomen op 2 mei 2019;

-

de tussenbeschikking van 13 juni 2019, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

-

het verweerschrift met producties, ter griffie binnengekomen op 30 augustus 2019;

-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 4 september 2019, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken bij het (buiten hun aanwezigheid opgemaakte) proces-verbaal van de mondelinge behandeling. ING heeft hiervan bij brief van 18 september 2019 gebruik gemaakt. Deze beschikking wordt gewezen met inachtneming van die gemaakte opmerkingen.

1.3.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] heeft met haar toenmalige partner een hypothecaire geldlening afgesloten bij ING voor de financiering van een woning in [woonplaats] (hierna: de woning). Voor de nakoming van de verplichtingen daarvan waren zij hoofdelijk aansprakelijk. Na de beëindiging van de relatie is de woning onderhands verkocht, waarna een restschuld van EUR 139.551,29 is overgebleven.

2.2.

Bij brief van 14 oktober 2014 heeft ING [verzoekster] gesommeerd om de restschuld vóór 28 oktober 2014 te betalen en geschreven dat bij uitblijving van betaling daarvan de restschuld aan de Stichting Bureau Krediet Registratie (hierna: het BKR) zal worden doorgegeven en dat dit gevolgen kan hebben voor het aangaan van nieuwe leningen. De restschuld is toen niet door [verzoekster] (of haar ex-partner) voldaan.

2.3.

Begin 2015 hebben de incassogemachtigde van ING, Incassobureau Fiditon B.V. tevens handelend onder de naam Vesting Finance, en [verzoekster] onderhandeld over een betalingsregeling voor de restschuld tegen finale kwijting. Op 1 februari 2016 zijn partijen overeengekomen dat [verzoekster] in drie jaarlijkse termijnen een totaalbedrag van EUR 45.000 tegen finale kwijting zou voldoen. In een brief van dezelfde datum heeft Vesting Finance de betalingsregeling bevestigd en geschreven dat zodra het afgesproken bedrag is ontvangen aan BKR een melding ontslag betalingsverplichting zal worden gedaan en dat in het register een code 3 zal worden vermeld, omdat er sprake is van een finale kwijting waarbij er een bedrag van EU tegen finale kwijting zou voldoen. In een brief van dezelfde datum heeft Vesting Finance de betalingsregeling bevestigd en geschreven dat zodra het afgesproken bedrag is ontvangen aan BKR een melding ontslag betalingsverplichting zal worden gedaan en dat in het register een code 3 zal worden vermeld, omdat er sprake is van een finale kwijting waarbij er een bedrag van R 250 of meer is afgeboekt.

2.4.

Vervolgens heeft [verzoekster] op (en voor) de afgesproken termijndata de volgende bedragen betaald: op 3 februari 2016 een bedrag van EUR 20.000, op 30 december 2016 een bedrag van EUR 12.500 en op 9 februari 2017 een bedrag van EUR 12.500.

2.5.

[verzoekster] is ten aanzien van de hypotheekschuld bij ING in het Centraal Krediet Informatie Systeem (hierna: het CKI) van het BKR – een systeem waarin onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst met bijzonderheidscoderingen worden vermeld – op 9 februari 2017 geregistreerd met de bijzonderheidscode “3” (hierna: de BKR‐registratie). Deze codering betekent dat sprake is geweest van een afboeking van een bedrag van EUR 250 of meer. Indien afboeking tegen finale kwijting plaatsvindt, wordt tegelijkertijd met de codering de einddatum van de overeenkomst vermeldt. Het krediet is per 9 februari 2017 afgemeld. De code 3-notering in het CKI eindigt op 9 februari 2022.

2.6.

Bij e-mail van 6 maart 2017 heeft De Hypotheker [verzoekster] een afwijzingsbrief van diezelfde datum van BLG Wonen doorgestuurd. In deze brief is onder meer opgenomen:

“(...) Via uw bemiddeling werd (...) een hypothecaire financiering van EUR 261.590 aangevraagd inzake het onderpand [adres] te [postcode 1] Zaandam.

Na beoordeling van de door u aangeleverde gegevens kunnen wij de gevraagde financiering niet verstrekken. (...)”

Voor zover van belang heeft De Hypotheker in deze e-mail verder geschreven:

“(...) Rabobank (...) hebben aangegeven helaas niets te kunnen doen. Ze zagen ook de eerdere afwijzing bij de andere vestiging. Ik heb aangegeven te weten van jouw eerdere bezoek aan Rabobank maar dat er in jouw zaak naar mijn mening belangrijke nuances zijn. Dat begreep hij wel maar kreeg het er helaas niet door bij de leidinggevende.(...)

De laatste lopende optie is nu nog NIBC. Zij hebben de definitieve cijfers 2016 opgevraagd en uitleg over de restschuld (...)

Hoe vervelend ik het ook vind om te moeten zeggen, ik weet hierna geen andere opties meer. (...)”

2.7.

Op 29 november 2018 heeft Dynamiet Nederland B.V. (hierna: Dynamiet) namens [verzoekster] een kennisnemingsverzoek inzake de BKR-registratie ingediend bij ING. Bij brief van 24 december 2018 heeft Vesting Finance namens ING gereageerd en Dynamiet geïnformeerd over de BKR-registratie.

2.8.

Op 23 januari 2019 heeft Dynamiet namens [verzoekster] bij ING bezwaar gemaakt tegen de registratie van haar persoonsgegevens bij het BKR. In een brief van 21 februari 2019, verstuurd op 22 maart 2019, heeft Vesting Finance namens ING aan Dynamiet geschreven dat zij na belangenafweging tot de conclusie is gekomen dat het algemeen belang van kredietverstrekkers bij de handhaving van de BKR-registratie zwaarder weegt dan het belang van [verzoekster] en dat derhalve niet zal worden overgegaan tot verwijdering van de registratie.

2.9.

Bij e-mail van 3 februari 2019 heeft Tulp Hypotheken B.V. [verzoekster] onder meer als volgt bericht:

“(...) Het is helaas niet mogelijk om in geval van een achterstandscodering bij BKR een Tulp hypotheek aan te vragen. Het maakt daarbij geen verschil of er sprake is van een lopende achterstand of een die al is beëindigd.

Mocht in de toekomst uw BKR-codering zijn vervallen, dan kunt u uiteraard een aanvraag voor een hypotheek bij ons indienen. (...)”

2.10.

Bij e-mail van 16 mei 2019 heeft Hypotheek Rentetarieven [verzoekster] bericht dat zij geen hypotheek kan bemiddelen met een BKR-codering. Bij e-mail van 23 mei 2019 heeft bijBouwe [verzoekster] bericht dat het niet mogelijk is om een financiering te krijgen met een registratie bij het BKR. Bij brief van 13 augustus 2019 heeft Robuust Hypotheken B.V. aan Baar Advies Hypotheken & Verzekeringen onder meer bericht dat de aanvraag voor een hypothecaire geldlening ten name van [verzoekster] niet aan haar acceptatienormen voldoet, omdat zij een BKR-registratie heeft.

2.11.

[verzoekster] huurt momenteel met haar partner en vijfjarige zoon een appartement in [woonplaats] .

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad – op straffe van een dwangsom – primair ING te veroordelen tot het (doen laten) verwijderen van de BKR-registratie, subsidiair de duur van de BKR-registratie te beperken tot tweeëneenhalf jaar en ING te veroordelen tot het (doen laten) verwijderen van de BKR‐registratie vanaf augustus 2019, dan wel meer subsidiair een passende voorziening te treffen, met veroordeling van ING in de proces- en nakosten.

3.2.

[verzoekster] stelt hiertoe – kort samengevat – dat ING ten onrechte verwijdering van de bijzonderheidscodering uit het CKI heeft geweigerd. De restschuld is ontstaan door een eenmalige en bijzondere situatie, het moeten verkopen van de woning door de echtscheiding in een recessie. Van wanbetaling is geen sprake geweest. [verzoekster] stelt dat zij met haar partner en zoon op zoek is naar een woning buiten de ring van Amsterdam. Om dit te bewerkstelligen, moet een hypotheek worden verkregen. De BKR-registratie belemmert haar in het verkrijgen hiervan, aldus [verzoekster] .

3.3.

ING voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verzoekster] in de proces- en nakosten. Zij heeft – kort weergegeven – aangevoerd dat de koop van een woning geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan de BKR-registratie moet worden verwijderd en niet is gebleken van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan dit zou moeten plaatsvinden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing