Home

Rechtbank Amsterdam, 31-10-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8135, C/13/666848 / HA RK 19-181

Rechtbank Amsterdam, 31-10-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8135, C/13/666848 / HA RK 19-181

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31 oktober 2019
Datum publicatie
14 november 2019
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2019:8135
Zaaknummer
C/13/666848 / HA RK 19-181

Inhoudsindicatie

AVG-verzoek tot verwijdering van BKR-registratie. Verzoek is afgewezen: de vooraankondiging is verstuurd en niet is gebleken dat deze niet door verzoeker is ontvangen. Registratie was terecht. Belang bij verwijdering registratie onvoldoende onderbouwd.

Uitspraak

beschikking

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/666848 / HA RK 19-181

Beschikking van 31 oktober 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. D. Rezaie te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PSA FINANCE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

gemachtigde mr. H.J.M. Hofman te Harderwijk.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en PSA Finance worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 mei 2019;

-

de brief van mr. Rezaie met producties, ingekomen ter griffie op 1 juli 2019;

-

de tussenbeschikking van 18 juli 2019, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

-

het verweerschrift met producties,

-

het proces-verbaal van de op 2 oktober 2019 gehouden mondelinge behandeling;

-

de brief van mr. Hofman met één productie, ingekomen ter griffie op 7 oktober 2019.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben op 27 juli 2016 een Private Leaseovereenkomst gesloten, op grond waarvan PSA Finance gedurende 36 maanden een auto aan [verzoekster] in gebruik gaf tegen betaling van een maandelijkse vergoeding door [verzoekster] aan PSA Finance.

2.2.

Op 1 mei 2018 heeft PSA Finance geprobeerd om het aan [verzoekster] gefactureerde maandbedrag van € 319,60 voor de maand mei 2018 (factuurnummer [factuurnr. 3] , hierna: de openstaande factuur) automatisch te incasseren. Deze automatische incasso is niet gelukt.

2.3.

Nadat betaling van de openstaande factuur uitbleef, heeft PSA Finance op 18 mei 2018 per e-mail aan [verzoekster] verzocht om de factuur per omgaande te voldoen. [verzoekster] heeft aan dit verzoek niet voldaan.

2.4.

In het logboek van PSA Finance is op 24 mei 2018 melding gemaakt van de verzending van een brief met briefcode 13A aan [verzoekster] . De template die invulling geeft aan briefcode 13A luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“(...)

PSA Financial Services Nederland B.V. heeft de verplichting op zich genomen een achterstand in de betaling van meer dan 60 dagen te melden bij BKR. Dit betekent dat wanneer de achterstallige betaling(en) niet binnen 14 dagen alsnog zijn voldaan en er binnen die termijn evenmin anderszins een betalingsregeling is getroffen, PSA Financial Services Nederland B.V. verplicht is die betalingsachterstand bij BKR te melden. Melding van een betalingsachterstand kan gevolgen hebben voor iedere eventuele volgende financieringsaanvraag.

(...)”

2.5.

Op 3 augustus 2018 heeft PSA Finance bij Stichting Bureau Kredietregistratie (hierna: Stichting BKR) melding gedaan van een betalingsachterstand van [verzoekster] , waarna deze betalingsachterstand als Code A (Achterstand) in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: CKI) is geregistreerd.

2.6.

Op 16 november 2018 heeft [verzoekster] de openstaande factuur aan PSA Finance betaald. Met ingang van diezelfde dag heeft het BKR, na melding van de betaling door PSA Finance, in het CKI een Code H (Herstel) geregistreerd waaruit blijkt dat [verzoekster] haar betalingsachterstand heeft ingelopen.

2.7.

De verhouding tussen het BKR en haar zakelijke klanten, waaronder PSA Finance, is geregeld in het Algemeen Reglement CKI (hierna: AR), dat voor zover hier relevant luidt als volgt:

“(...)

Artikel 12

WANNEER WORDT EENACHTERSTAND BIJ STICHTING BKR GEMELD

(...)

1 g Bij een operational autoleaseovereenkomst geldt een termijn van twee (2) maanden na de vervaldatum.

(...)

3 b Wordt de overeenkomst na het ongedaan maken van de achterstand niet beëindigd, dan meldt de zakelijke klant een herstelcode (H).

(....)

Artikel 14

WANNEER WORDEN DE PERSOONSGEGEVENS VERWIJDERD

1. Gegevens van afgelopen overeenkomsten worden, tenzij hierna anders bepaald, vijf (5) jaar na de werkelijke einddatum van de overeenkomst door Stichting BKR uit CKI verwijderd. (...)

(...)

10. Het is de zakelijke klant niet toegestaan om een contract, achterstand, herstelcode en/of bijzonderheidscodering uit CKI te verwijderen, tenzij er sprake is van:

a. een onterechte registratie;

b. een terechte registratie die na een zorgvuldige belangenafweging op basis van beschikbare gegevens over individuele omstandigheden, disproportioneel blijkt;

c. een uitspraak van een rechter of een geschillencommissie als de Geschillencommissie BKR of KiFiD, voor zover de uitspraak strekt tot verwijdering van het contract of aanpassing van de achterstand, herstelcode en/of bijzonderheid.

(...)

Artikel 37

VERPLICHTINGEN ZAKELIJKE KLANT

(...)

2 De zakelijke klant moet de consument, indien zich een achterstand dreigt voor te doen als bedoeld in artikel 12 lid 1 van dit Reglement van te voren schriftelijk waarschuwen dat het niet betalen leidt tot het melden van een achterstand bij Stichting BKR. De zakelijke klant stelt de consument hiervan tijdig in kennis. De zakelijke klant wijst de consument op de mogelijke consequenties van niet tijdige betaling.

3 De zakelijke klant kan de verzending van de vooraankondiging achterstandsmelding aantonen door het overleggen van de kopie van het bericht aan de consument dan wel door het overleggen van een print van het bericht uit zijn computersysteem.

(...)”

2.8.

In een brief van 25 februari 2019 heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt tegen de registratie van de codes A en H en heeft zij verzocht om de verwijdering daarvan. Op 8 april 2019 heeft [verzoekster] deze brief nogmaals aan PSA Finance verstuurd met een verzoek om daarop te reageren. De brief van [verzoekster] luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“(...)

Ik heb vorig jaar op 18 mei 2018 een overzicht per mail ontvangen van 2 openstaande bedragen.

Het ging om de factuur [factuurnr. 1] en [factuurnr. 2] .

De periode toen ik deze mail ontving was ik in het buitenland. (dit kan ik bewijzen).

(...)

Mijn verwarring betreft de situatie heb ik destijds telefonisch aangegeven.

Ondanks deze verwarring en mijn financiële tekorten de betaling voldaan en per mail direct bevestigd aan Dhr. [betrokkene] .

Sindsdien had ik 1 maand achterstand voor de factuur [factuurnr. 3] maandelijks leasebedrag van €319,60.

3 maanden later heb ik de factuur [factuurnr. 3] betaald.

Het is begrijpelijk dat u zich afvraagt waarom ik de factuur niet eerder heb betaald.

Mijn antwoord hierop is dat ik in een moeilijke financiële periode zat. Ik studeerde aan het Hogeschool van Amsterdam en ik moest rondkomen met een contract van 8 uren per week. (...)

Uiteraard toen ik financieel beter zat, heb ik dit bedrag direct voldaan.

Ik weet sinds 22 november 2018 dat ik geregistreerd sta bij het Bureau Krediet Registratie. In die tussentijd heb ik nooit een brief van u ontvangen dat u mij zou registreren.

(...)”

2.9.

PSA Finance heeft in een e-mail op 11 april 2019 het verzoek van [verzoekster] om verwijdering van de BKR-registratie afgewezen. In deze e-mail wordt onder meer verwezen een e-mail aan [verzoekster] op 7 augustus 2017, waarin PSA Finance [verzoekster] heeft verzocht om de door [verzoekster] onbetaalde maandtermijnen van juli 2017 en augustus 2017 per direct te voldoen.

2.10.

Op 26 juli 2019 is de Private Leaseovereenkomst tussen partijen geëindigd en heeft [verzoekster] de auto bij PSA Finance ingeleverd.

2.11.

Op enig moment in de zomer van 2019 heeft [verzoekster] een gesprek gehad met ING Bank waarin de mogelijkheden zijn besproken om bij ING Bank een hypotheek af te sluiten. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [verzoekster] op 5 augustus 2019 van ING Bank het volgende e-mailbericht ontvangen dat, voor zover hier relevant, luidt als volgt:

“(...) Ik heb een BKR check gedaan voorafgaand aan het gesprek en daar kwam ik een lease tegen die vorige jaar hersteld is en ook is sinds kort is beëindigd. Aan de hand van de BKR check die wij telefonisch hebben gedaan voor het hypotheekgesprek kan u nog niet het maximale bedrag lenen voor een hypotheek.

Zoals tijdens het gesprek besproken is de maximale hypotheek op basis van je inkomen dat je nu ontvangt: € 95.000,-. (...) Let wel op dat je inkomen dus flink zal moeten stijgen wil jij een hypotheek kunnen nemen van € 175.000,-. (...)”

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking om PSA Finance te bevelen om binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking de BKR-registratie in het CKI met contractnummer 231090, waaronder begrepen alle coderingen, te (doen laten) verwijderen, onder verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van PSA Finance in de kosten van het geding.

3.2.

[verzoekster] stelt – samengevat – dat niet is voldaan aan de vereisten die worden gesteld aan registratie van een achterstandscodering en een herstelcodering in het CKI, omdat zij slechts een betalingsachterstand van één maand heeft gehad en zij daarnaast niet door middel van een ‘vooraankondiging’ door PSA Finance is gewaarschuwd voor de aanstaande BKR-registratie. Zodra zij bekend werd met de BKR-registratie heeft zij de betalingsachterstand ingelopen. Verder stelt [verzoekster] dat de BKR-registratie haar verhindert om een woning in Amsterdam te kopen. Om die reden heeft zij een bijzonder persoonlijk belang bij verwijdering van de registratie en moet haar belang prevaleren boven het belang van PSA Finance bij instandhouding van de registratie, aldus steeds [verzoekster] .

3.3.

PSA Finance voert verweer en betoogt – samengevat – dat de betalingsachterstand terecht en na verzending van een vooraankondiging is geregistreerd en dat [verzoekster] geen bijzonder persoonlijk belang heeft dat zou kunnen leiden tot de verwijdering van de coderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover nodig – nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing