Rechtbank Amsterdam, 24-12-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9727, C/13/649701 / HA ZA 18-612
Rechtbank Amsterdam, 24-12-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9727, C/13/649701 / HA ZA 18-612
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 december 2019
- Datum publicatie
- 22 januari 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:9727
- Zaaknummer
- C/13/649701 / HA ZA 18-612
Inhoudsindicatie
Herstelkader, compensatievergoeding € 0,00, Geen vaststellingsovereenkomst. 3.6.7.: eerdere tegemoetkomingen mogen in mindering worden gebracht
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/649701 / HA ZA 18-612
Vonnis van 24 december 2019
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. S.M.M. van Dooren te 's-Hertogenbosch,
tegen
vennootschap naar buitenlands recht
DEUTSCHE BANK AG,
gevestigd te Frankfurt am Main,
gedaagde,
advocaat mr. A.J. Haasjes te Amsterdam,
met tussenkomst van
MR. SEBASTIAAN WILLEM VOS, handelend in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsanering van [eiser] , althans in zijn hoedanigheid van vereffenaar van een nagekomen bate,kantoorhoudende te Deventer,
tussengekomen partij,
advocaat mr. J.J. Brouwer.
Partijen zullen hierna [eiser] , Deutsche Bank en de bewindvoerder genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het tussenvonnis van 6 maart 2019,
- -
-
de conclusie van eis na tussenkomst van de bewindvoerder, met producties,
- -
-
de conclusie van antwoord in de tussenkomst van [eiser] ,
- -
-
de conclusie van antwoord in de tussenkomst van Deutsche Bank, met producties,
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2019,
- -
-
de brief van 14 november 2019 van Deutsche Bank met een opmerking ten aanzien van het proces-verbaal.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] was van 1988 tot 2016 (indirect) bestuurder en tevens (enig) aandeelhouder van een viertal vennootschappen (hierna de vennootschappen). Op 1 mei 2006 hebben de vennootschappen, vertegenwoordigd door [eiser] als bestuurder een kredietovereenkomst gesloten met Abn Amro Bank N.V. (hierna Abn Amro) met een totale omvang van € 2.022.400,00. [eiser] heeft zich in privé hoofdelijk verbonden voor deze financiering. Daarnaast heeft [eiser] in 2006 privé een kredietovereenkomst gesloten met Abn Amro met een omvang van € 2.948.600,00. In dezelfde periode zijn de vennootschappen en [eiser] rentederivatenovereenkomsten aangegaan met Abn Amro.
Op 7 augustus 2008 zijn alle rechten en verplichtingen uit hoofde van de kredietrelaties met de vennootschappen en [eiser] overgegaan van Abn Amro naar New HBU II N.V., vervolgens genaamd Deutsche Bank Nederland N.V., die inmiddels als Deutsche Bank opereert.
De aan de vennootschappen verstrekte financieringen zijn op enig moment door Deutsche Bank beëindigd en opgeëist en op 25 mei 2012 zijn alle rentederivatenovereenkomsten vervroegd beëindigd. Deze rentederivatenovereenkomsten hadden op dat moment een negatieve waarde van € 180.000,00.
In 2012 en 2013 zijn de vennootschappen gefailleerd. De aan [eiser] in privé verstrekte financieringen zijn omstreeks dezelfde datum beëindigd en opgeëist. Ook deze rentederivatenovereenkomsten hadden op dat moment een negatieve waarde, zodat uit hoofde daarvan een vordering resteerde van € 363.000,00.
Op 3 juni 2013 is [eiser] toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (hierna: WSNP). Op 26 april 2016 is de WSNP geëindigd met de verlening van zogenaamde “schone lei”. Deutsche Bank heeft in de WSNP een vordering op [eiser] in privé ingediend van € 1.058.922,63.
Op 19 december 2016 is het Uniform Herstelkader Rentederivaten (hierna: Herstelkader) vastgesteld. Uit hoofde hiervan bieden deelnemende banken een coulancevergoeding aan aan klanten die binnen het bereik van het Herstelkader vallen.
Paragraaf 3.6.7. van het Herstelkader luidt als volgt, voor zover hier van belang:
“Bij de vaststelling van de Compensatie moet rekening worden gehouden met eerdere financiële tegemoetkomingen van de Bank aan de MKB-Klant die verband houden met een Rentederivaat waarvoor het Herstelkader Compensatie voorziet. Relevante financiële tegemoetkomingen kunnen (i) betrekking hebben op eerdere tegemoetkomingen van de Bank met het oog op het Rentederivaat en/of (ii) verband houden met het niet-invorderbaar stellen of kwijtschelden van aan de MKB-Klant verstrekte financiering, waarbij gelet op de kwetsbaarheid van deze klantgroep van de Bank wordt verwacht dat de Bank hiermee prudent omgaat. Vorenbedoelde financiële tegemoetkomingen strekken in mindering op de uit hoofde van het Herstelkader eventueel verschuldigde Compensatie. (...)”
Paragraaf 5.1.4. van het Herstelkader luidt als volgt, voor zover hier van belang:
“Voor zover MKB-Klanten het van de Bank ontvangen voorstel niet aanvaarden, zijn zij - evenals de Bank - niet gebonden aan de in het Herstelkader omschreven regeling en kunnen zij - evenals de Bank - hieraan geen rechten ontlenen.”
In een brief van 13 oktober 2017 heeft Deutsche Bank aan [eiser] het volgende geschreven, voor zover hier van belang:
“(...) Geachte heer [eiser] ,
U heeft recht op compensatie ingevolge het uniform herstelkader. In deze brief leest u hoeveel compensatie u ontvangt en onder welke voorwaarden. Bent u akkoord? Dan verzoeken we u om deze brief binnen vier weken te onderteken en aan ons te retourneren. U ontvangt dan vervolgens uw compensatie.
Samenvatting
1. U heeft recht op compensatie van € 214.214,52. De compensatie wordt verrekend met de openstaande vordering.
2. Bij de berekening is rekening gehouden met de bancaire verbondenheid tussen u en [eiser] en Partners, Real Estate Management BV.
3. In de bijlage “Overzicht compensatie Uniform Herstelkader Rentederivaten” leest u hoe deze compensatie is berekend. (...)”
In de bijlage “Overzicht compensatie Uniform Herstelkader Rentederivaten” staat het volgende vermeld, voor zover hier van belang:
Om privacyredenen is de afbeedling verwijderd.
Deutsche Bank verwijst in voornoemde bijlage naar “Q&A III.30 UHK punt iii”. Met Q&A doelt zij op de toelichting op het Herstelkader, die is opgesteld in vraag- en antwoordvorm. Vraag III.30 van de Q&A luidt als volgt, voor zover hier van belang:
“Zijn er beperkingen aan hoe de Bank haar recht op verrekening mag gebruiken bij uitkering van Compensatie onder het Herstelkader? Hoe verhoudt zich dit dan tot paragraaf 3.6.7 van het Herstelkader waarin staat dat de Bank prudent dient om te gaan met de kwetsbaarheid van de klantgroep?
Voor beantwoording van deze vraag worden meerdere situaties onderscheiden: (i) de MKB-Klant is going concern en heeft zijn kredietlimiet niet overschreden; (ii) de MKB-Klant heeft de kredietlimiet overschreden; en (iii) de Bank heeft de relatie opgezegd of de kredietlimiet beperkt om redenen niet verband houdend met het Herstelkader. (...)
In de onder (iii) genoemde situatie geldt (gelijk aan paragraaf 3.6.7 van het Herstelkader) dat de Bank de Compensatie zonder meer kan aanwenden om overstanden en achterstanden ongedaan te maken. (...)”
Q&A IV.21 luidt als volgt, voor zover hier van belang:
“Hoe dient de eerste zin van paragraaf 3.6.7 te worden geïnterpreteerd? Moet alleen rekening worden gehouden met eerdere financiële tegemoetkomingen die met het oog op het Rentederivaat zijn toegekend?
Er hoeft niet alleen rekening te worden gehouden met eerdere financiële tegemoetkomingen die met het oog op het Rentederivaat zijn toegekend;
(...)
de compensatie onder (ii) ziet op (met name) kwetsbare klanten, zoals klanten in bijzonder beheer, met een Rentederivaat waarvan een deel van het krediet op niet-invorderbaar is gesteld of is kwijtgescholden. (...)”
In een brief van 31 oktober 2017 wijst [eiser] Deutsche Bank er op dat hij wegens het succesvol doorlopen van de WSNP niet langer gehouden kan worden de schulden te betalen en vraagt hij Deutsche Bank op basis waarvan zij zich bevoegd acht haar verplichtingen uit hoofde van het herstelkader te verrekenen en met welke schulden zij dat beoogt te doen.
In haar brief van 6 december 2017 antwoordt Deutsche Bank als volgt, voor zover hier van belang:
“(...) Zoals nader omschreven in onze brief d.d. 13 oktober jl., heeft u recht op compensatie ingevolge het uniform herstelkader ter hoogte van EUR 214.214,52 (de “Compensatie Vordering”). Zoals aangegeven, heeft Deutsche Bank een openstaande vordering op u uit hoofde van verstrekte leningen ter hoogte van EUR 1.058.992,63 (de “DB Vordering”). De Compensatie Vordering wordt door Deutsche Bank met de DB Vordering in verrekening gebracht.U geeft aan dat de DB Vordering niet in verrekening kan worden gebracht vanwege het door u succesvol doorlopen van de WSNP-procedure, waarbij u een “schone lei” is verleend. Anders dan u lijkt aan te nemen, is de DB Vordering niet komen te vervallen als gevolg van de “schone lei”, maar in plaats daarvan een natuurlijke verbintenis geworden. Deutsche Bank kan de te betalen Compensatie Vordering in dit geval verrekenen met de natuurlijke verbintenis op grond van analoge toepassing van het bepaalde in artikel 6:131 BW. Wij lichten dit toe.
Verrekening van een natuurlijke verbintenis kan op grond van art. 6:131 BW plaatsvinden indien een vordering als gevolg van verjaring is verworden tot een natuurlijke verbintenis. Op grond van literatuur en rechtspraak geldt dat een analoge toepassing van het bepaalde in art. 6:131 BW in dit geval gerechtvaardigd is, aangezien zowel de Compensatie Vordering als de (inmiddels) natuurlijke verbintenis reeds voorafgaand aan de aanvang van de WSNP-procedure bestonden. Daar komt bij dat beide verbintenissen verband houden met dezelfde rechtsverhouding. De omstandigheid dat de vordering van Deutsche Bank wegens de toegekende schone lei niet (meer) opeisbaar is, doet aan haar (reeds tijdens de WSNP-procedure bestaande) bevoegdheid tot verrekening niet af. (...)”
In een brief van 8 januari 2018 stelt de raadsman van [eiser] zich op het standpunt dat de door Deutsche Bank gedane verrekening gezien de “schone lei” niet is toegestaan en dat Deutsche Bank het compensatiebedrag aan [eiser] moet uitbetalen.
3 Het geschil
[eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis
1. verklaart voor recht dat de compensatie vordering van Deutsche Bank uit hoofde van het voorstel van € 214.214,52 niet verrekend mag worden met de restvordering van € 1.058.992,63 die ex. artikel 356 lid 2 Faillissementswet (Fw) juncto artikel 358 lid 1Fw is verworden tot een natuurlijke verbintenis;
2. veroordeling van Deutsche Bank tot betaling van € 214.214,52, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf het moment van acceptatie van het voorstel door [eiser] op 3 april 2018;
alsmede veroordeling van Deutsche Bank tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten en de nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij het voorstel van Deutsche Bank op 3 april 2018 heeft geaccepteerd onder uitdrukkelijke handhaving van het standpunt dat Deutsche Bank geen beroep kan doen op verrekening van de vordering. Op grond van die overeenkomst is Deutsche Bank gehouden het bedrag van € 214.214,52 te voldoen.
Deutsche Bank voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in de tussenkomst
De bewindvoerder vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. [eiser] in zijn vorderingen niet ontvankelijk verklaart, dan wel zijn vorderingen afwijst;
2. verklaart voor recht dat het recht op vergoeding ad € 214.214,52 of enig ander bedrag jegens Deutsche Bank is ontstaan, dan wel is opgekomen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [eiser] en daarom als nagekomen bate in de boedel valt;
3. Deutsche Bank veroordeelt tegen kwijting aan de bewindvoerder te betalen een bedrag van € 214.214,52, te vermeerderen met wettelijke rente;
4. Deutsche Bank en [eiser] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De bewindvoerder legt aan zijn vorderingen onder 2, 3 en 4 ten grondslag dat indien Deutsche Bank uit hoofde van het Herstelkader de vergoeding van € 214.214,52 verschuldigd is, deze vergoeding heeft te gelden als een nagekomen bate in de zin van artikel 356 lid 4 jo 194 Fw. In dat geval kan Deutsche Bank slechts bevrijdend betalen aan de boedel.
[eiser] en Deutsche Bank voeren verweer.