Rechtbank Amsterdam, 01-04-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2083, C/13/659006 / HA ZA 18-1313
Rechtbank Amsterdam, 01-04-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2083, C/13/659006 / HA ZA 18-1313
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 april 2020
- Datum publicatie
- 20 april 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:2083
- Zaaknummer
- C/13/659006 / HA ZA 18-1313
Inhoudsindicatie
Zorgplicht van de bank jegens derde in geval van fraude.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/659006 / HA ZA 18-1313
Vonnis van 1 april 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
T.O.M. B.V.,
gevestigd te Bladel,
eiseres,
advocaat mr. J. Hagers te Amsterdam,
tegen
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
Partijen zullen hierna T.O.M. en ING worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 21 november 2018, met producties (inclusief de nagekomen volledige productie 4),
- -
-
de conclusie van antwoord, met producties,
- -
-
het tussenvonnis van 23 oktober 2019, waarbij een comparitie is bepaald,
- -
-
het proces-verbaal van de comparitie van 15 januari 2020, met het daarin genoemde processtuk,
- -
-
de door partijen ingediende B16-formulieren waarin is vermeld dat partijen geen schikking zijn overeengekomen,
- -
-
de brief van 6 februari 2020 van ING met opmerkingen over het proces-verbaal.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
T.O.M. richt zich op de (online) verkoop van producten en exploiteert verschillende webshops. T.O.M. houdt vanaf 17 november 2017 een betaalrekening bij ABN AMRO. Daarvoor bankierde zij bij Rabobank.
Op 1 april 2017 is [naam] (hierna: [naam] ) bij T.O.M. in dienst getreden als manager finance. In die functie was hij verantwoordelijk voor de financiële administratie van T.O.M. Daarvoor was hij als financieel manager in dienst bij [bedrijf] . [naam] hield bij ING een betaalrekening met nummer [rekeningnummer] (hierna: de Betaalrekening).
In juli 2017 is bij ING een alert binnengekomen naar aanleiding van een internationale transactie van € 100.000,00 via de Betaalrekening van [naam] . Van deze alert is geen melding gedaan aan de Financial Intelligence Unit (FIU).
Op 12 september 2017 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126nd/126ud lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van ING gevorderd om het saldo en de transactiegegevens van de Betaalrekening van [naam] over de periode 1 januari 2014 tot en met 1 april 2017 te verstrekken vanwege een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv.
ING heeft de opgevraagde stukken op dezelfde dag verstrekt. Vervolgens is ING een intern onderzoek gestart naar de Betaalrekening, waarbij een analyse is verricht van de transacties die in de periode van 2 januari 2013 tot en met 12 oktober 2018 op de Betaalrekening hebben plaatsgevonden. Omdat het rekeningverloop van de Betaalrekening op bepaalde onderdelen opmerkelijk bleek te zijn, met name de verhouding tussen enerzijds de grote inkomstenstroom die vervolgens werd doorgeboekt naar het buitenland en anderzijds de beperkte dagelijkse uitgaven, heeft ING bij brief van 26 oktober 2017 [naam] verzocht de volgende vragen in te vullen op een formulier ‘Aanvullende informatie gebruik Betaalrekening’:
“(...)
Op Betaalrekening [rekeningnummer] hebben in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 30 augustus 2017 diverse bijschrijvingen plaatsgevonden afkomstig van Wolrdpay AP Lld. Het gaat om een totaalbedrag van € 253.893,47.
Waarvoor ontvangt u deze bedragen?
(...)
Op Betaalrekening [rekeningnummer] hebben in de periode van 2 september 2015 tot en met 2 december 2015 bijschrijvingen plaatsgevonden afkomstig van rekening MT54VALL22013000000040019967071, t.n.v. Skill Porcessing Limited Anapauseas. Het gaat om een totaalbedrag van € 34.800,-.
Waarvoor ontvangt u deze bedragen?
(...)
Op Betaalrekening [rekeningnummer] hebben in de periode van 2 januari 2014 tot en met 2 oktober 2017 diverse afschrijvingen plaatsgevonden door middel van verschillende betalingsdiensten als PRRO Fiancial Ltd, Ingenice, Envoy Services Ltd en Buckaroo B.V.. Het gaat om een totaalbedrag € 608.770,80.
Wat is de reden voor deze frequente uitgaven middels de verschillende betalingsdiensten?
(...)”.
Op 27 oktober 2017 heeft [naam] in een e-mail het volgende geantwoord:
“(...)
Een tijd heb ik mij bezig gehouden met kansspelen. Hiervoor dienen zowel de af- als bijschrijvingen op mijn rekening. De uitgaven van PRRO (uitgaven dmv ideal), Worldpay AP en Skill (uitbetalingen van deze site) horen bij elkaar en betreffen dezelfde partij (zoncasino.com).
(...)”
Op 20 november 2017, 23 en 24 januari 2018 heeft de officier van justitie opnieuw van ING het saldo en de transactiegegevens van de Betaalrekening van [naam] gevorderd. ING heeft naar aanleiding hiervan een aanvullend onderzoek naar de Betaalrekening en [naam] uitgevoerd en een transactieanalyse gedaan over de periode van 8 oktober 2017 tot en met 12 februari 2018.
Op 23 januari 2018 is [naam] op het kantoor van T.O.M. aangehouden op verdenking van verduistering. Op 29 januari 2018 heeft T.O.M. jegens [naam] aangifte van verduistering in dienstbetrekking gedaan.
Bij brief van 27 februari 2018 heeft T.O.M. ING aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van frauduleuze betalingen die [naam] op zijn Betaalrekening heeft verricht. ING heeft naar aanleiding van deze brief op 3 april 2018 de Betaalrekening van [naam] geblokkeerd. In haar brief van 11 april 2018 heeft ING aansprakelijkheid afgewezen.
Bij vonnis van 3 januari 2019 heeft de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, [naam] onder meer veroordeeld tot betaling aan T.O.M. van een bedrag van in totaal € 195.287,55 aan schadevergoeding. T.O.M. heeft ten laste [naam] executoriale (derden)beslagen laten leggen.
3 Het geschil
T.O.M. vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat ING onrechtmatig jegens T.O.M. heeft gehandeld en gehouden is tot schadevergoeding, alsmede
primair
II. ING veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 157.319,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van overboeking naar de Betaalrekening, althans vanaf 28 februari 2018 dan wel vanaf 21 november 2018,
III. ING veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 37.510,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van storting van de verduisterde contante gelden op de Betaalrekening, althans vanaf 28 februari 2018 dan wel vanaf 21 november 2018,
subsidiair
IV. ING veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, voor de schade die is geleden in de periode vanaf 11 september 2017 tot 23 januari 2018, van € 90.236,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van overboeking naar de Betaalrekening, althans vanaf 28 februari 2018 dan wel vanaf 21 november 2018,
V. ING veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 15.450,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van storting van de verduisterde contante gelden op de Betaalrekening, althans vanaf 28 februari 2018 dan wel vanaf 21 november 2018,
zowel primair als subsidiair
VI. ING veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na dit vonnis.
T.O.M. legt aan haar vorderingen ten grondslag dat ING haar (bijzondere) zorgplicht jegens T.O.M. als derde heeft geschonden. [naam] heeft door grootschalige en langdurige fraude een bedrag van € 194.829,79 van T.O.M. verduisterd door (1) bedragen van in totaal € 40.347,06 van de bankrekening van T.O.M. naar zijn Betaalrekening over te schrijven, (2) SEPA-bestanden te manipuleren waardoor betalingen aan leveranciers en fictieve factuurbedragen van in totaal € 116.972,73 die al door de directie van T.O.M. waren goedgekeurd naar zijn Betaalrekening zijn overgemaakt en (3) kasgelden van in totaal € 37.510,00 op zijn Betaalrekening te storten. ING heeft nagelaten onderzoek te verrichten naar de ongebruikelijke transacties die plaatsvonden op de Betaalrekening. De omvang en stelselmatigheid van de fraude had ING moeten opvallen, omdat meerdere malen per maand grote bedragen werden overgemaakt op de Betaalrekening, terwijl uit de omschrijving volgde dat deze niet aan [naam] als particuliere rekeninghouder toekwamen. ING wist, althans behoorde te weten, dat de Betaalrekening werd gebruikt voor strafbare feiten en dat T.O.M. hierdoor werd benadeeld. ING heeft duidelijke signalen genegeerd, zoals het feit dat [naam] in de jaren 2014/2015 toen hij in dienst was bij [bedrijf] op dezelfde wijze fraude heeft gepleegd en een bedrag van € 273.911,90 van [bedrijf] heeft ontvreemd. Ook nadat ING op 12 september 2017 bekend werd met het strafrechtelijk onderzoek tegen [naam] door de vordering van de officier van justitie tot verstrekking van gegevens van de Betaalrekening, heeft ING nagelaten enige (voorzorgs)maatregelen te treffen, door bijvoorbeeld de Betaalrekening te blokkeren om te voorkomen dat [naam] zijn frauduleuze prakijken zou voortzetten. Op basis van de verplichtingen uit hoofde van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme (Wwft) met betrekking tot cliëntenonderzoek en transactiemonitoring mocht dat wel van ING worden verwacht. Nu ING dit heeft nagelaten, heeft zij onrechtmatig jegens T.O.M. gehandeld als gevolg waarvan T.O.M. schade heeft geleden die aan ING kan worden toegerekend.
ING voert verweer. Zij voert aan dat zij heeft voldaan aan haar wettelijke verplichtingen en dat van (schending van) enige (bijzondere) zorgplicht jegens T.O.M. als derde geen sprake is. ING heeft als betaaldienstverlener uitvoering gegeven aan de betalingsopdrachten die zij via Rabobank en/of ABN AMRO op basis van een IBAN ontving en mocht er derhalve van uitgaan dat de betalingsopdrachten bevoegd en correct waren gegeven. Voorts heeft ING voortvarend gehandeld door na de eerste vordering van de officier van justitie onmiddellijk een intern onderzoek te verrichten en schriftelijke vragen aan [naam] te stellen over het transactieverloop. Vervolgens heeft nog een aanvullend intern onderzoek plaatsgevonden. Het enkele feit dat de officier van justitie informatie over [naam] heeft opgevraagd, maakt niet dat hij daarmee ook verdachte is in een strafrechtelijk onderzoek. ING was niet eerder dan met de ontvangst van de aansprakelijkstellingsbrief van 27 februari 2018 op de hoogte van de verdenking van [naam] en heeft de Betaalrekening vervolgens op 3 april 2018 geblokkeerd.
ING heeft voldaan aan haar verplichtingen op grond van de Wet financieel toezicht (Wft) en Wwft door bij het openen van de bankrekening cliëntenonderzoek te verrichten en het verloop van de Betaalrekening te monitoren en voor zover nodig melding te maken van ongebruikelijke transacties. Zelfs al zou ING een verplichting onder de Wft en of Wwft hebben geschonden, dan staat de relativiteitsnorm een eventuele aansprakelijkheid op deze grond in de weg.
Daarnaast heeft T.O.M. de gestelde schade volgens ING onvoldoende onderbouwd. Het is niet duidelijk of T.O.M. (een deel van) de schade heeft kunnen terughalen bij [naam] . Voorts bestaat er geen causaal verband tussen de schade en de vermeende schending van de zorgplicht. De gestelde schade is het gevolg van het onrechtmatig handelen van [naam] in combinatie met de gebrekkige controle op de interne administratie van T.O.M. Voor zover er wel enige mate van causaal verband zou bestaan, kan de schade niet aan ING worden toegerekend, of dient de schade volledig voor rekening van T.O.M. te blijven wegens eigen schuld.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.