Rechtbank Amsterdam, 17-06-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2855, C/13/670252 / HA ZA 19-839
Rechtbank Amsterdam, 17-06-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2855, C/13/670252 / HA ZA 19-839
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 juni 2020
- Datum publicatie
- 19 juni 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:2855
- Zaaknummer
- C/13/670252 / HA ZA 19-839
Inhoudsindicatie
Huurkoopovereenkomst. Faillissement huurkoper. Kern van de zaak is of hier sprake is van een Peeters/Gatzen-vordering. Verrekening ex artikel 53 Fw.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/670252 / HA ZA 19-839
Vonnis van 17 juni 2020
in de zaak van
[Mr. E.S. Ebels]
in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Triflora,
kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
eiser,
advocaat mr. L. Martens te 's-Gravenhage,
tegen
uitgesloten aansprakelijkheid
COÖPERATIE ROYAL FLORAHOLLAND U.A.,
gevestigd te Aalsmeer,
gedaagde,
advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage.
Partijen zullen hierna de curator en RFH genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 26 juli 2019, met producties,
- -
-
de conclusie van antwoord, met producties,
- -
-
het tussenvonnis van 19 februari 2020, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 18 mei 2020 en de daarin vermelde stukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
RFH is een veilingbedrijf voor bloemen.
Triflora hield zich bezig met de verwerking van sierteeltproducten.
Triflora is in 2015 opgericht toen RFH haar import- en retailafdeling sloot. De oprichters van Triflora waren eerst werkzaam bij RFH en hebben in Triflora de activiteiten feitelijk voortgezet van de import- en retailafdeling van RFH. Triflora deed dat ook in hetzelfde gebouw op het veilingterrein van RFH in Rijnsburg. Tussen RFH en Triflora zijn daartoe huurovereenkomsten gesloten met betrekking tot een koelcel, ruimte in een bedrijfsverzamelgebouw en een terrein in de buitenlucht. Triflora verhuurde een deel van de ruimte onder aan een derde.
Tevens heeft Triflora een tweetal bloemenverwerkingslijnen van het merk Bercomox (hierna: de machines) in huurkoop gekocht van RFH voor bedragen van € 219.225 en € 35.000. In dat verband zijn twee huurkoopovereenkomsten gesloten. In een van die huurkoopovereenkomsten van 15 september 2015 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“(...) Partijen (...)
In aanmerking nemende dat:
- -
-
Verkoper per 1 oktober 2015 stopt met haar verwerking van sierteeltproducten op Rijnsburg;
- -
-
Koper een beginnend bedrijf in de verwerking van sierteeltproducten is en derhalve niet beschikt over de financiële middelen om machines voor de verwerking van sierteeltproducten ineens te kopen;
- -
-
Verkoper Koper in de gelegenheid stelt om machines voor de verwerking van sierteeltproducten op basis van huurkoop te verwerven;
- -
-
Verkoper door middel van de huurkoop de beste prijs denkt te krijgen voor haar machines en derhalve geen rente in rekening zal brengen;
- -
-
Partijen de voorwaarden van de huurkoop wensen vast te leggen middels deze huurkoopovereenkomst;
zijn overeengekomen als volgt:
Art. 1
Partijen verklaren met elkaar aan te gaan de navolgende huurkoopovereenkomst, waarbij de Verkoper in huurkoop verklaart te verkopen aan de Koper, die in huurkoop verklaart te kopen:
De Machines met toebehoren voor de verwerking van sierteeltproducten zoals neergelegd in bijlage 1 van deze overeenkomst, hierna verder te noemen: “Machines”, zulks voor de huurkoopsom van € 219.225,- (...). Hetgeen zal moeten worden voldaan zoals hierna zal worden bepaald.
Art. 2
De voormelde Machines worden op 30 september 2015 in goede staat en zonder enige beschadiging aan de Koper in diens feitelijke macht en houderschap overgedragen, hetwelk deze verklaart te erkennen. De eigendom van voormelde Machines gaat over op de Koper onder de opschortende voorwaarde van algehele betaling van al hetgeen de Koper uit hoofde van deze huurkoopovereenkomst verschuldigd is. (...)
Art. 8
Aan de Verkoper en/of haar gemachtigde wordt bij deze onherroepelijk het recht verleend van vrije toegang tot huurruimte waar de Machines zich bevindt of redelijkerwijs geacht kan worden zich te bevinden. De Koper zal verplicht zijn hiertoe zijn medewerking voor zoveel nodig, te verlenen. (...)
Art. 12
Verkoper is gerechtigd om deze overeenkomst met onmiddellijke ingang middels een aangetekende brief te ontbinden, in geval dat:
- -
-
de Koper in gebreke blijft, na deswege in gebreke te zijn gesteld, in het betalen van een of meer termijnen der huurkoopsom,
- -
-
de Koper enige uit kracht der wet of van deze overeenkomst op hem rustende verplichtingen niet nakomt, na deswege in gebreke te zijn gesteld en ter zake nalatig blijvende,
- -
-
de Koper handelt in strijd met enige op hem rustende verplichting,
- -
-
de Koper het gekochte, en/of laat gebruiken voor een ander doel, dan waartoe bestemd is
- -
-
het gekochte verloren mocht gaan, door welke oorzaak, diefstal en verduistering daaronder begrepen,
- -
-
faillissement, surseance van betaling van Koper of een aanvraag daartoe;
- -
-
stillegging of liquidatie van het bedrijf van Koper;
- -
-
fusie en overname van Koper. (...)”.
Nadien hebben partijen de afspraken rondom de maandelijkse huurkooptermijnen een aantal malen aangepast.
Op 28 mei 2019 heeft RFH de twee machines verwijderd uit de (gedeelde) (aan Triflora verhuurde) bedrijfsruimte en verplaatst naar een (beveiligde) ruimte van RFH elders in haar bedrijfsgebouwen te Rijnsburg.
Bij e-mail van 29 mei 2019 om 10.01 uur heeft de gemachtigde van RFH aan Triflora het volgende, voor zover relevant, laten weten:
“(...) Inmiddels constateert cliënte dat u uw financiële verplichtingen blijkbaar niet nakomt en crediteuren, waaronder een uitzendbureau, trachten de productielijnen en vulpunten bij u weg te halen. Ik wijs u erop dat ingevolge de huurkoopovereenkomst cliënte eigenaresse is van de apparatuur en het u niet toegestaan is daarover te beschikken.
Ik moge u verzoeken maatregelen te treffen dat de apparaten ook niet door derden worden weggehaald. Blijkbaar is gisteren wel al een apparaat wat uw eigendom is weggehaald en één van die apparaten van cliënte vervoersklaar gemaakt. Cliënte heeft dat weten te voorkomen.
Cliënte heeft gisteren omdat verduistering dreigde, een reeds ontkoppeld apparaat in veiligheid gebracht. Uiteraard kunt u daarover beschikken, maar u moet dan wel zorgdragen dat de apparatuur niet meer door een derde kan worden weggehaald. (...)”.
Bij e-mail van 29 mei 2019 om 16:38 uur heeft de gemachtigde van RFH aan Triflora het volgende, voor zover relevant, laten weten:
“(...) In opgemelde kwestie lijkt het goed dat ik nog even het volgende vastleg.
Daar toeleveranciers of in ieder geval derden ook aanstalten maakten om de tweede installatie met toebehoren af te voeren en zich toe te eigenen, heeft cliënte gemeend een en ander in veiligheid te brengen door de installatie al of niet tijdelijk te verplaatsen naar een goed afsluitbare ruimte binnen het veilingcomplex.
U dient maatregelen te nemen om een ander op te lossen. Voorzoveel nodig ontbind ik namens cliënte de huurkoopovereenkomst met directe ingang wegens het niet nakomen van artikel 12 en in het bijzonder het 2e tot en met 5e en 7e gedachtestreepje.
Cliënte kon niets anders meer dan haar eigendom beschermen daar anders schade zou worden toegebracht, hetgeen cliënte absoluut onacceptabel vindt. (...)”.
Op 18 juni 2019 heeft de rechtbank Den Haag Triflora in staat van faillissement verklaard.
De gemachtigde van RFH heeft bij e-mail van 19 juni 2019 aan de curator een vordering van € 85.659,71 van RFH op Triflora ingediend in het faillissement. De gemachtigde verzoekt deze vordering op te nemen op de lijst van erkende vorderingen.
De curator heeft bij e-mail van 20 juni 2019 het volgende, voor zover van belang, bericht aan de gemachtigde van RFH:
“(...) Hierbij reageer ik op uw e-mail van mij van 19 juni jl., 12:55 uur en uw eerdere twee e-mails aan gefailleerde van 29 mei jl. (10:01 uur en 16:38 uur), waarin wordt gecorrespondeerd over twee verpakkingslijnen. Deze lijnen zijn door FloraHolland bij overeenkomst van 11 september 2015 onder eigendomsvoorbehoud verkocht en geleverd aan gefailleerde. Later zijn nadere afspraken overeengekomen op 17 februari 2016, 20 jun 2016 en 5 mei 2017. In uw e-mails geeft u aan dat uw cliënte de verpakkingslijnen in veiligheid heeft gebracht, omdat zij vermoedde dat crediteuren van gefailleerde zich daar op zouden verhalen. Dat vermoeden berust op een misverstand. Anders dan uw cliënte u kennelijk heeft verteld, haalde niet een crediteur een eigendom van gefailleerde op, maar haalde een eigenaar zijn machine op die gefailleerde in bruikleen had. Overigens heb ik gisteren geconstateerd dat de lijnen weliswaar in afsluitbare ruimte binnen het veilingcomplex staan, maar dat die ruimte verre van afgesloten was: die ruimte was voor iedereen, dus ook voor mij, vrij toegankelijk. (...) Ik verzoek u cliënte tot deugdelijk afsluiting over te gaan en zich als een goed huisvader over beide verpakkingslijnen te ontfermen. De lijnen kunnen uiteraard ook gewoon geretourneerd worden naar de box van gefailleerde. Die is (wel) goed afsluitbaar.
Ondanks bovengenoemd misverstand, kan ik mij de goede bedoelingen van uw cliënte goed begrijpen. U zult uw cliënte ongetwijfeld echter hebben uitgelegd of kunnen uitleggen dat zij zich als verkoper onder eigendomsvoorbehoud niet als zodanig had mogen gedragen. Zoals bekend ruste er bijvoorbeeld een pandrecht op het voorbehouden eigendom en gold het bodemrecht ten aanzien daarvan.
De boedel wenst gebruik te maken van de afkoopmogelijkheden van de beide lijnen door betaling van de laatste zeven termijnen (juni ’19 – dec ’19, ad € 9.537,10). De overwaarde van beide lijnen komt conform staande jurisprudentie immers niet toe aan de verkoper onder de eigendomsvoorbehoud maar aan de boedel. Ik heb van gefailleerde begrepen dat uw cliënte, althans de Naaldwijkse vestiging van uw cliënte, geïnteresseerd is in een van die lijnen. Ik verzoek haar in dat geval een bod uit te brengen, waarbij zij de koopsom uiteraard kan verrekenen met de openstaande termijnen. Ik verzoek u mij te bevestigen dat uw cliënte mee zal werken een onderhandse verkoop van de lijnen door de boedel. (...)”.
De gemachtigde van RFH heeft daarop bij e-mail van 25 juni 2019 als volgt gereageerd:
“(...) Uiteraard is de verkoop niet akkoord. De huurkoopovereenkomst is door cliënte beëindigd en dus bestaat er geen afstortmogelijkhied meer. Er zal geen medewerking verleend worden en voor het geval u toch de verkoop in gang zet, dan handelt u onrechtmatig. (...)”.
Bij de stukken bevindt zich een e-mail van het Nederlands Taxatie en Adviesbureau B.V. van 4 juni 2019, waarin, voor zover van belang, het volgende wordt vermeld:
“(...) Aan de hand van de door u aangeleverde foto’s en omschrijvingen indiceren wij voor de twee Bercomex bloemenverwerkingslijnen (bouwjaar 2011 en 2012) een executiewaarde van ca € 12.000, een liquidatiewaarde van ca. € 20.000 en een onderhandse onderkoopwaarde bij gelijkblijvend gebruik/bestemming van € 40.000 tesamen.
Wij zijn bij de waardering uitgegaan van goed functionerende machines, in zowel optisch als technisch opzicht in een staat zoals bij normaal gebruik bij een dergelijk bouwjaar verwacht mag worden.
Aangezien wij geen inspectie hebben verricht vindt deze waarde-indicatie onder voorbehoud plaats en kunnen er geen rechten aan ontleend worden. (...)”.
3 Het geschil
De curator vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover uitvoer bij voorraad veroordeling van RFH
-
tot primair vergoeding van de schade uit hoofde van onrechtmatige daad jegens de gezamenlijke schuldeisers van Triflora bestaande uit € 30.642,90 aan de boedel, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
-
tot subsidiair betaling uit hoofde van artikel 7:92 BW aan de boedel, bestaande uit € 30.642,90, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
-
tot betaling aan de boedel van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.081,43, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, met de bepaling dat indien deze incassokosten niet binnen voornoemde termijn zijn voldaan, hierover vanaf de achtste dag (8e) dag wettelijke rente op de voet van het bepaalde in artikel 6:119a BW verschuldigd is;
-
in de proces- en nakosten, met de bepaling dat deze proces- en nakosten binnen 7 dagen na dagtekening van het vonnis dienen te worden voldaan, hierover vanaf de achtste (8ste) dag wettelijke rente op de voet van het bepaalde in artikel 6:119a BW verschuldigd is.
De curator legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Primair stelt de curator dat RFH onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Triflora door de machine in het zicht van het faillissement zonder toestemming van Triflora weg te halen en de machines niet terug te geven. RFH verhaalt zich op de machines zonder dat daarvoor een recht of grond bestaat. Er is geen sprake van een rechtsgeldige ontbinding van de huurkoopovereenkomst. De gezamenlijke schuldeisers lijden hierdoor schade, nu de overwaarde van de machines niet in de boedel terechtkomt, en hebben een Peeters/Gatzen-vordering ter hoogte van € 30.642,90. Subsidiair, voor zover de huurovereenkomst door RFH wel rechtsgeldig is ontbonden, vordert de curator volledige verrekening ex artikel 7:92 BW op grond waarvan RFH een bedrag begroot op de overwaarde van de machines à € 30.642,90 aan de boedel dient af te dragen.
RFH voert verweer en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. RFH stelt zich op het standpunt dat zij de huurkoopovereenkomst met Triflora rechtsgeldig heeft ontbonden ex artikel 12 van de huurkoopovereenkomst. Triflora heeft geen vordering uit hoofde van artikel 7:92 BW. Ook heeft RFH niet onrechtmatig gehandeld door de machines mee te nemen, zodat Triflora ook uit die hoofde geen vordering heeft op RFH.
Volgens RFH is er geen sprake van een vordering van de gezamenlijke schuldeisers op RFH, maar hooguit – voor zover er wel sprake is van een vordering – een vordering van Triflora op RFH.
Nu RFH zelf vorderingen (zowel vorderingen van voor het faillissement à € 85.659,71 als boedelvorderingen) heeft op Triflora die veel hoger zijn dan de waarde van de machines – volgens RFH zijn de machines niet meer dan € 2.000 waard – kan zij verrekenen ex artikel 53 Fw en artikel 6:127 BW.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.