Rechtbank Amsterdam, 22-05-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2923, AWB - 19 _ 5368, AMS 19/5369, AMS 19/5370 en AMS 19/5372
Rechtbank Amsterdam, 22-05-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2923, AWB - 19 _ 5368, AMS 19/5369, AMS 19/5370 en AMS 19/5372
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 mei 2020
- Datum publicatie
- 28 juli 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:2923
- Zaaknummer
- AWB - 19 _ 5368, AMS 19/5369, AMS 19/5370 en AMS 19/5372
Inhoudsindicatie
Vier naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Eiser was niet op de hoogte van gewijzigd parkeerregime. Kenbaarheidsvereiste en onderzoeksplicht. Heffingsambtenaar is binnen zijn bevoegdheden gebleven. Beroepen ongegrond.
Uitspraak
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 19/5368, AMS 19/5369, AMS 19/5370 en AMS 19/5372
en
(gemachtigde: A. van Beek).
Partijen worden hierna [eiser] en de heffingsambtenaar genoemd.
Procesverloop
De heffingsambtenaar heeft aan [eiser] vier naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd, waarvan twee op 10 juli 2019, één op 11 juli 2019 en één op 13 juli 2019.
De bezwaren van [eiser] tegen deze aanslagen zijn ongegrond verklaard in drie afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 13 september 2019 (zaaknummers AMS 19/5369, AMS 19/5370 en AMS 19/5372) en een uitspraak op bezwaar van 17 september 2019 (zaaknummer AMS 19/5368) .
[eiser] heeft tegen de vier uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. [eiser] heeft op 16 februari 2020 zijn standpunt nader toegelicht.
Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 28 april 2020. Deze zitting is verdaagd in verband met het coronavirus.
Partijen hebben vervolgens niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn aangegeven alsnog op een zitting te willen worden gehoord. De rechtbank sluit daarom het onderzoek en doet uitspraak.
Overwegingen
Waar gaan deze zaken over?
1. De heffingsambtenaar heeft geconstateerd dat de auto van [eiser] met kenteken [kenteken] op 6 juli 2019 om 13:41 uur, op 7 juli 2019 om 16:51 uur, op 8 juli 2019 om 10:59 uur en op 9 juli 2019 om 14:14 uur geparkeerd stond ter hoogte van [adres 1] te Amsterdam zonder dat daarvoor parkeerbelasting was voldaan. De heffingsambtenaar heeft hiervoor aan [eiser] vier naheffingsaanslagen opgelegd.
2. Op deze locatie kon tot 21 januari 2019 gratis worden geparkeerd.
3. [eiser] vindt het onredelijk dat hij vier naheffingsaanslagen opgelegd heeft gekregen. [eiser] geeft aan dat hij in de veronderstelling was dat hij op de [adres 2] vrij kon parkeren. Dat was vroeger altijd zo en hij wist niet dat het parkeerbeleid daar recent is gewijzigd. Hij woont zelf op loopafstand van de [adres 2] en hij had onlangs nog een brief van de gemeente gekregen dat het parkeerbeleid op zijn eigen adres niet zou veranderen. Omdat de [adres 2] dicht bij zijn eigen huis is, is hij er vanuit gegaan dat de parkeersituatie op de [adres 2] ook niet veranderd was. Toen hij de eerste naheffingsaanslag kreeg, heeft hij zijn auto meteen verplaatst. Het is een hoog bedrag en het leven met twee kleine kinderen in Amsterdam is duur, aldus [eiser] . Met één boete heeft hij zijn lesje ook wel geleerd. Hij wil daarom één boete wel betalen, maar vraagt om coulance wat betreft de overige boetes.
Het standpunt van de heffingsambtenaar
4. De heffingsambtenaar handhaaft alle naheffingsaanslagen en wijst op de onderzoeksplicht van een parkeerder. Volgens de heffingsambtenaar was het voldoende duidelijk dat ter plaatste parkeerbelasting moest worden voldaan. Er zijn namelijk parkeerautomaten geplaatst en borden aangebracht vlakbij de plaats waar [eiser] heeft geparkeerd.
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen terecht heeft opgelegd. Dit oordeel zal de rechtbank hieronder toelichten.
6. Volgens vaste rechtspraak rust op de gemeente de plicht om ter plaatse kenbaar te maken dat parkeerbelasting verschuldigd is. Van een parkeerder mag echter worden verwacht dat hij bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of parkeerbelasting verschuldigd is. Dit houdt in dat hij oplet of hij bebording ‘betaald parkeren’ of een parkeerautomaat passeert en dat hij zich nadat hij heeft geparkeerd inspant om te onderzoeken of voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is.1
7. De gemeente heeft op de [adres 2] voldoende duidelijk gemaakt dat betaald moet worden voor parkeren. Vlakbij de plaats waar [eiser] heeft geparkeerd, staan een bord en een betaalautomaat. Dit had [eiser] kunnen zien toen hij kwam aanrijden of na een kort onderzoek van de omgeving. De omstandigheid dat er voorheen op die plaats geen parkeerbelasting betaald hoefde te worden en het feit dat het parkeerbeleid bij [eiser] ’s woning niet is gewijzigd, ontslaan [eiser] niet van zijn onderzoeksplicht. Gemeenten zijn vrij hun parkeerbeleid te wijzigen. Iemand die regelmatig parkeert op een voor hem bekende plek moet er rekening mee houden dat de regels kunnen wijzigen.
8. Een naheffingsaanslag bestaat uit de kosten voor het opleggen van de aanslag en de kosten voor één uur parkeren ter plaatse. Op grond van artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht. De heffingsambtenaar heeft één naheffingsaanslag per dag opgelegd en is dus binnen zijn bevoegdheid gebleven.
Conclusie
9. Uit het voorgaande volgt dat de beroepen ongegrond zijn. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. A.R. Vlierhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: