Home

Rechtbank Amsterdam, 14-07-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3452, EA 20-142

Rechtbank Amsterdam, 14-07-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3452, EA 20-142

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14 juli 2020
Datum publicatie
21 juli 2020
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2020:3452
Zaaknummer
EA 20-142

Inhoudsindicatie

ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van verstoorde verhouding, ernstige verwijtbaarheid werkgever, ongefundeerde verwijten na doorzoeken emailbox werknemer zonder toestemming, billijke vergoeding inclusief vergoeding voor ernstige inbreuk op privacy

Uitspraak

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8341553 EA VERZ 20-142

beschikking van: 14 juli 2020

func.: 811

I n z a k e

[verzoekster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

nader te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. E. Doornbos,

t e g e n

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

nader te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. C.A.B. Zeevenhooven.

[verzoekster] heeft op 21 februari 2020 een verzoek, met producties, ingediend dat kort gezegd strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend met producties en met tegenverzoeken, waaronder een voorlopige voorziening.

Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken in het geding gebracht.

Het verzoek is mondeling behandeld op 19 juni 2020. [verzoekster] is verschenen bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , vergezeld door de gemachtigde. [verweerder] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht. Het verzoek is vervolgens aangehouden om een minnelijke regeling te beproeven. Nadat partijen hebben bericht dat dit niet is gelukt, hebben partijen schriftelijk gebruik gemaakt van hun tweede termijn en daartoe na elkaar een akte met producties ingediend. [verzoekster] heeft bij akte van 10 juli 2020 gereageerd op de laatste productie van [verweerder] .

Tot slot is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1.1.

[verzoekster] drijft een onderneming die een totaalpakket aan diensten aanbiedt met betrekking tot tankinstallaties en tankstations. Er werken 19 medewerkers bij [verzoekster] .

1.2.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1966 , is sinds 1 maart 2010 in dienst (van de rechtsvoorganger) van [verzoekster] en is laatstelijk werkzaam in de functie van [functie] . Het salaris op basis van een werkweek van 40 uren bedraagt € 6.558,67 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

1.3.

[betrokkene 1] is aandeelhouder en bestuurder van [verzoekster] . [betrokkene 1] en [verweerder] kennen elkaar sinds 1999 toen zij als collega’s werkten bij De Ruijter in Halfweg. Daar heeft [verweerder] ook [betrokkene 3] leren kennen, de latere medebestuurder van [betrokkene 1] in [verzoekster] .

1.4.

[verweerder] is als [functie] verantwoordelijk voor enerzijds het aansturen van personeel en anderzijds voor relatiebeheer en het goed laten verlopen van de aangenomen opdrachten.

1.5.

In 2016 is tussen partijen overeengekomen dat [verweerder] recht heeft op een jaarlijkse winstuitkering van 10% van de jaarwinst voor belastingen.

1.6.

In 2016 heeft [verweerder] met behulp van [betrokkene 2] , [functie] van [verzoekster] , de vennootschappen [vennootschap 1] en [vennootschap 2] opgericht.

1.7.

[verweerder] heeft in 2016 samen met [betrokkene 3] een tankstation in Harmelen overgenomen van de moeder en broer van [betrokkene 3] .

1.8.

In 2016-2017 heeft [verweerder] een affectieve relatie gehad met een medewerkster van [verzoekster] , [medewerkster] .

1.9.

In 2017 heeft [betrokkene 1] zich vanwege ziekte enige tijd teruggetrokken als bestuurder van [verzoekster] , waardoor alleen [betrokkene 3] in die tijd bestuurder van [verzoekster] was. Na onenigheid is [betrokkene 3] in 2017 bij [verzoekster] vertrokken en heeft [betrokkene 1] zich weer laten inschrijven als bestuurder van [verzoekster] .

1.10.

Vanwege spanningen tussen [betrokkene 1] en [verweerder] zijn in 2017 gesprekken gevoerd onder leiding van advocaat mr. C.A. de Jong. In 2019 heeft een coaching traject plaatsgevonden onder begeleiding van E. Kappen ten behoeve van het hele team.

1.11.

Op 10 januari 2020 heeft [verweerder] [betrokkene 1] gebeld over een conflict met zijn ondergeschikte medewerkers op een project in Eindhoven. Op verzoek van [verweerder] heeft [betrokkene 1] vervolgens een vergadering belegd met alle medewerkers van [verzoekster] , maar hij heeft [verweerder] daarbij niet uitgenodigd.

1.12.

Deze vergadering was op 15 januari 2020 en daarvan heeft [verzoekster] een verslag opgemaakt. Uit het verslag volgt dat de algemene vraag op de vergadering luidde: “Hoe is jouw verstandhouding op de werkvloer met [verweerder] ?”.

1.13.

[verzoekster] heeft [betrokkene 2] op enig moment daarna opdracht gegeven de e-mailberichten van [verweerder] op zijn werkaccount te onderzoeken.

1.14.

Op 27 januari 2020 heeft [betrokkene 1] in aanwezigheid van de gemachtigde van [verzoekster] [verweerder] vervolgens medegedeeld dat [verzoekster] het dienstverband wilde beëindigen. Bij e-mailbericht van 27 januari 2020 heeft de gemachtigde van [verzoekster] het gesprek bevestigd en onder meer geschreven:

“(...) uw werkgever heeft aangegeven dat zij voornemens is de met u gesloten arbeidsovereenkomst te willen beëindigen.

De reden die daar (allereerst) onder gelegd wordt is het feit dat, (...), uw draagvlak als [functie] onder het personeel volledig is weggevallen. Dit gecombineerd met het gegeven dat recent enkele belangrijke klanten, alsmede een belangrijke leverancier, hebben aangegeven niet langer met u te willen samenwerken, maakt een voortzetting van de arbeidsovereenkomst simpelweg onmogelijk. Vanuit dit perspectief doet cliënte u een voorstel (...).

Cliënte kiest er bewust voor (...) de kwestie in der minne op te lossen (...). Dit ondanks het feit dat cliënte recent meerdere zaken heeft ontdekt die een ontslag op grond van ernstig verwijtbaar handelen rechtvaardigen met als gevolg dat er geen vergoeding verschuldigd zou zijn, (...). Ik gaf u reeds de kwestie met de verkochte Diesel aan. Ondanks het feit dat u een andere verklaring voor een en ander gaf, blijft cliënte zich op het standpunt stellen dat (...) u hiermee ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. (...)”

1.15.

[verweerder] heeft de minnelijke regeling niet geaccepteerd en is vervolgens bij brief van 10 februari 2020 officieel op non-actief gesteld.

Verzoek en tegenverzoeken

2. [verzoekster] verzoekt – kort gezegd – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden en te bepalen dat hij geen recht heeft op een transitievergoeding, dan wel hem (maximaal) een transitievergoeding toe te kennen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.

3. Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 jo lid 1 sub d, e, g en/of i BW. Volgens [verzoekster] is sprake van disfunctioneren, ernstig verwijtbaar handelen, een verstoorde arbeidsrelatie en/ of de “verzamelgrond”.

4. [verweerder] betwist dat een redelijke grond voor ontbinding bestaat en verzoekt primair het ontbindingsverzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt hij, indien de ontbinding wordt toegewezen, naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toe te wijzen van € 120.000,00 bruto en [verzoekster] te veroordelen een deugdelijke eindafrekening op te laten maken voor wat betreft vakantiegeld en vakantiedagen, uitgaande van 89,5 openstaande vakantiedagen per 1 september 2020.

5. Verder verzoekt [verweerder] zowel primair als subsidiair [verzoekster] te veroordelen tot betaling van:

- € 18.044,00 bruto aan winstuitkering 2018, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente;

- 89,5 vakantiedagen;

- € 15.000,00 voor het niet nakomen van de scholingsverplichting;

- € 20.000,00 voor het niet nakomen van haar verplichtingen als goed werkgever;

- de proceskosten;

en bij wijze van voorlopige voorziening:

- [verzoekster] te gebieden om aan [verweerder] bij wijze van voorschot een bedrag van € 18.044,00 bruto te betalen aan winstuitkering over 2019;

- [verzoekster] te gebieden om binnen een maand na de beschikking inzage te verschaffen in de jaarstukken over 2019 van de onderneming van [verzoekster] alsmede alle aan [verzoekster] verbonden ondernemingen, op straffe van een dwangsom;

- [verzoekster] te veroordelen in de kosten van de procedure.

6. Tegen deze tegenverzoeken heeft [verweerder] verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen zal hieronder voor zover van belang nader worden ingegaan.

Beoordeling

BESLISSING