Rechtbank Amsterdam, 16-09-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4596, C/13/688404 / KG ZA 20-718
Rechtbank Amsterdam, 16-09-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4596, C/13/688404 / KG ZA 20-718
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 september 2020
- Datum publicatie
- 15 oktober 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4596
- Zaaknummer
- C/13/688404 / KG ZA 20-718
Inhoudsindicatie
meewerken verkoop woningen toegewezen. ex-echtelieden.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/688404 / KG ZA 20-718 CdK/MAH
Vonnis in kort geding van 16 september 2020
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te Purmerend,
eiser in conventie bij dagvaarding van 17 augustus 2020,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. T.A. Bouman te Amsterdam,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie bij akte van 1 september 2020,
advocaat mr. D.H. Bialkowski te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Bij de zitting van 2 september 2020 waren partijen met hun advocaten aanwezig.
Op de zitting is namens [eiser] de dagvaarding toegelicht en namens [gedaagde] de tevoren ingediende conclusie van antwoord en de daarin opgenomen eis in reconventie. Partijen hebben geconcludeerd tot weigering van de over en weer gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben gezamenlijk een dochter [naam dochter] , geboren op [geboortedatum] , over wie zij het gezamenlijk gezag hebben. Zij heeft haar hoofdverblijfplaats bij [gedaagde] en zit momenteel in 5 VWO.
Tijdens het huwelijk hebben partijen twee woningen aangekocht, één in Purmerend aan de [adres 1] en één in Amsterdam aan de [adres 2] . Van beide woningen zijn zij ieder voor de helft eigenaar. Na het einde van de relatie is [eiser] in de woning in Purmerend blijven wonen en [gedaagde] met hun dochter in de woning in Amsterdam.
Partijen hebben afspraken gemaakt die zijn neergelegd in het echtscheidingsconvenant dat aan de echtscheidingsbeschikking van 12 november 2008 is gehecht. Volgens artikel 4.2 van het convenant zal een over- of onderwaarde na verkoop van beide koopwoningen bij helfte worden verdeeld. In artikel 5.1 staat dat partijen tot de verkoop evenals noodzakelijke onderhoudskosten en alle kosten ten behoeve van de verkoop, stipt op tijd zullen voldoen en dat zij deze zullen verrekenen. Partijen hebben over en weer afstand gedaan van hun rechten op alimentatie jegens elkaar. De vaste lasten van het huis in Amsterdam zijn hoger dan die van Purmerend.
[eiser] heeft een nieuwe partner, die met hun twee kinderen, een baby en een kind van drie jaar, in Almere woont. [eiser] woont zelf nog in Purmerend. Het woonoppervlak van die woning is ongeveer 130 m2. De huurwoning in Almere heeft een oppervlakte van ongeveer 50 m2 en heeft twee slaapkamers. In de ene slaapt zijn partner in het grote bed met de baby en daar slaapt ook de driejarige ;de andere slaapkamer staat vol met kasten met kleren e.d.
[gedaagde] is in 2015 hertrouwd. De man van [gedaagde] woont en werkt in Dubai, [gedaagde] is vooralsnog met [naam dochter] in de woning in Amsterdam blijven wonen.
Sinds het nieuwe huwelijk van [gedaagde] draagt [eiser] niet meer bij in de woonlasten van de woning in Amsterdam en zij niet meer in de woonlasten van de woning in Purmerend.
Bij e-mail van 20 maart 2019 heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven:“Wij zijn nu al een aantal jaren gescheiden, echter staan beide woningen (..) nog op onze naam. Gezien we beide een nieuwe relatie hebben is het nu tijd om ook financieel (belasting technisch) de woningen niet meer op onze naam te hebben.
Woning in Purmerend gaat in de verkoop.
Woning in Amsterdam kan je behouden en mij uitkopen of ook in de verkoop doen (keuze laat ik aan jou over).
Graag zou ik dat met je willen bespreken binnen nu en 1,5 week. Hopelijk kunnen wij dit beide oplossen.
Zie graag je antwoord tegemoet.
nbWOZ waarde [adres 1] te Purmerend is € 274.000,- peildatum 01-01-2018
(...)”
Na een reminder door [eiser] heeft [gedaagde] bij e-mail van 5 april 2019 geantwoord:“Woning A’dam moet uitgezocht worden want het is een complexe situatie en dreigen met juridische stappen helpt niet.Woning Purmerend kan in de verkoop maar door een makelaar die kwaliteit levert (....). Beslissing om door te gaan met een makelaar zal ook afhangen van het getaxeerd bedrag.
Aangezien het verkoopcontract ook door mij ondertekend moet worden wil/moet ik bij de gesprekken aanwezig zijn vanaf het begin, totdat verkoop is gerealiseerd, ik ben immers voor de helft eigenaar.
(...)”
Daarop heeft [eiser] bij e-mail van 17 april 2019 herhaald dat en waarom hij beide woningen wil verkopen en dat [gedaagde] desgewenst de woning in Amsterdam kan overnemen. Op 13 mei en 22 mei 2019 heeft [eiser] reminders gestuurd. Nadat hij daarop niets had vernomen, heeft zijn advocaat [gedaagde] bij brief van 20 september 2019 verzocht om volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van het Amsterdamse huis. [gedaagde] heeft vervolgens mediation voorgesteld, maar die is niet van de grond gekomen, althans heeft niet tot een oplossing geleid.
Inmiddels loopt er een bodemprocedure waarin [gedaagde] achterstallige kinderalimentatie van [eiser] vordert.
3 Het geschil in conventie
[eiser] vordert, na eisvermindering ter zitting, kort gezegd:
primair om hem op grond van artikel 3:174 Burgerlijk Wetboek (BW) te machtigen om mede namens [gedaagde] de verkoop en levering van beide woningen aan een derde te bewerkstelligen tegen de naar plaatselijke maatstaven hoogst haalbare prijs danwel voor tenminste €298.000,00 (Purmerend) respectievelijk € 475.000,00 (Amsterdam),
subsidiair [gedaagde] te veroordelen om daaraan haar medewerking te verlenen,
waarbij, zowel primair als subsidiair, onder meer:
- [gedaagde] binnen 5 dagen na dit vonnis de sleutels van beide woningen aan [eiser] verstrekt,
- [gedaagde] medewerking verleent aan bezichtiging van de woningen, door de makelaar en potentiële kopers toegang tot de woningen te verlenen;
- noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden voor gemeenschappelijke rekening worden verricht,
- partijen ieder de helft van de kosten van verkoop en levering dragen,
- de netto-verkoopopbrengst gelijk tussen partijen wordt verdeeld, dan wel dat elke partij de helft van de restschuld zal dragen.
- [gedaagde] de woning in Amsterdam ontruimt uiterlijk op de dag van levering aan de derde/koper;
een en ander op straffe van dwangsommen, en
met bepaling dat het vonnis, indien [gedaagde] niet meewerkt, dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van verkoop en levering.
en in elk geval
- dat de beleggingsverzekering bij Reaal tussen partijen wordt verdeeld, waarbij – kort gezegd- € 9.999,25 wordt toebedeeld aan [gedaagde] en € 18.700,75 aan [eiser] ;
- met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten.
[gedaagde] voert verweer, behalve tegen de vorderingen betreffende de woning in Purmerend. Zij voert in hoofdzaak aan dat partijen na de scheiding hebben afgesproken dat de woning in Amsterdam niet verkocht mocht worden zolang [naam dochter] kind is. [gedaagde] meent dat partijen moeten worden gelast de woning in Purmerend te verkopen per heden en de woning in Amsterdam te verkopen in januari/februari 2022 met een oplevertermijn van 15 juni 2022, als [naam dochter] klaar is met haar middelbare school.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.