Home

Rechtbank Amsterdam, 28-10-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5271, C/13/680916 / HA ZA 20-284

Rechtbank Amsterdam, 28-10-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5271, C/13/680916 / HA ZA 20-284

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28 oktober 2020
Datum publicatie
9 november 2020
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2020:5271
Zaaknummer
C/13/680916 / HA ZA 20-284

Inhoudsindicatie

Vervolg op rechtbank Amsterdam 1 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2842. Toetsing ontvankelijkheid ex art. 1018c lid 5 Rv. Aanwijzing exclusieve belangenbehartiger.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/680916 / HA ZA 20-284

Vonnis van 28 oktober 2020

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING STOP ONLINE SHAMING,

gevestigd te Amsterdam,

2. de stichting

STICHTING EXPERTISEBUREAU ONLINE KINDERMISBRUIK,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

advocaat mr. O.M.B.J. Volgenant te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.F. Dammers te Tilburg.

Eiseressen zullen hierna samen de Stichtingen genoemd worden en afzonderlijk SOS en EOK; gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Bij het tussenvonnis van 1 april 2020 is de zaak verwezen naar de rol van 27 mei 2020 voor beraad vervolg Wamca-procedure.

Ter rolle van 27 mei 2020 is de zaak op de voet van artikel 1018c lid 4 Rv verwezen naar de rol van 8 juli 2020 voor conclusie van antwoord. Daarbij is gewezen op de laatste zin van artikel 1018c lid 5 Rv.

Ter rolle van 8 juli 2020 heeft [gedaagde] een conclusie van antwoord ex art. 1018c lid 5 Rv, laatste zin, tevens akte houdende producties 1-15, met producties, genomen.

Bij brief van 9 juli 2020 van de griffier is partijen medegedeeld dat de rechtbank heeft besloten de zo-even vermelde conclusie te behandelen als een incidentele conclusie strekkende tot niet-ontvankelijkheid. De Stichtingen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te antwoorden. De zaak is daartoe verwezen naar de rol van 19 augustus 2020.

Ter rolle van 19 augustus 2020 hebben de Stichtingen een conclusie van antwoord in het incident strekkende tot niet-ontvankelijkheid genomen.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

1.3.

Dit vonnis, een vonnis in de hoofdzaak, betreft uitsluitend de in artikel 1018c lid 5 Rv vermelde onderwerpen. Bij de beoordeling zal worden uitgegaan van de thans vaststaande feiten, voor zover voor deze onderwerpen relevant. Deze feiten zullen hierna onder 2 worden weergegeven.

2 De feiten

2.1.

EOK, die is opgericht op 14 mei 1997, stelt zich blijkens haar statuten ten doel het voorkomen en bestrijden van (online) seksueel kindermisbruik en seksuele uitbuiting van kinderen.

2.2.

SOS, die is opgericht op 10 oktober 2019, stelt zich blijkens haar statuten ten doel het behartigen van de belangen van slachtoffers van online privacy-inbreuken en online onrechtmatige uitingen, in het bijzonder door het handhaven, het bevorderen en het verkrijgen van afdoende juridische bescherming van de rechten en belangen van die slachtoffers, alles in de ruimste zin des woords.

2.3.

[gedaagde] , die handelt onder de naam [naam] , exploiteert de website [URL] .

2.4.

Bij brief van 10 februari 2020 heeft de advocaat van de Stichtingen, voor zover hier van belang, aan [gedaagde] geschreven:

Namens cliënten, de Stichting Online Shaming en de Stichting Expertisebureau Online Kindermisbruik, berichten wij u als volgt.

Bijgaand treft u een dagvaarding aan. Wij verzoeken u, met kracht van sommatie, te voldoen aan de vorderingen zoals in het petitum van bijgaande dagvaarding opgenomen, uiterlijk op 25 februari 2020, en om dat op die datum voor 12.00 uur schriftelijk aan ons te bevestigen.

Wij nodigen u uit om voordien in overleg te treden over het gevorderde. Deze brief is een verzoek tot overleg zoals bedoeld in artikel 3:305a BW.

Namens cliënten wordt alle rechten voorbehouden, waaronder het recht om zonder nadere aankondiging rechtsmaatregelen te treffen indien u niet tijdig en volledig aan deze sommatie voldoet.

Wij vernemen graag op korte termijn van u.

Bij die brief was een concept-dagvaarding gevoegd.

2.5.

[gedaagde] heeft telefonisch en met enkele e-mailberichten op die brief en concept-dagvaarding gereageerd.

3 Het geschil ten gronde

3.1.

De Stichtingen vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht verklaart dat [gedaagde]

a. onrechtmatig handelt; en/of

b. inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM en/of de artikelen 7 en 8 van het EU-Handvest van de Grondrechten; en/of

c. inbreuk maakt op het portretrecht ex artikel 21 Auteurswet; en/of

d. in strijd handelt met artikel 9 lid 1 AVG;

door het online of anderszins openbaar maken en/of verspreiden van foto- en/of videomateriaal (inclusief maar niet beperkt tot de in de dagvaarding en in productie 4 opgenomen voorbeelden) dat tot de intieme privésfeer behoort, althans dat in meer of mindere mate seksueel getint is, althans waarop de afgebeelde persoon of personen geheel of gedeeltelijk bloot staan afgebeeld,

tenzij [gedaagde] kan aantonen dat alle personen die in beeld zijn daar schriftelijk vrijelijk en expliciet mee hebben ingestemd;

II. voor recht verklaart dat [gedaagde]

a. onrechtmatig handelt; en/of

b. inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM en/of de artikelen 7 en 8 van het EU-Handvest van de Grondrechten; en/of

c. inbreuk maakt op het portretrecht ex artikel 21 Auteurswet; en/of

d. in strijd handelt met artikel 9 lid 1 AVG;

door beeldmateriaal als bedoeld sub I in bezit te hebben,

tenzij [gedaagde] kan aantonen dat alle personen die in beeld zijn daar schriftelijk vrijelijk en expliciet mee hebben ingestemd;

III. voor recht verklaart dat [gedaagde]

a. onrechtmatig handelt; en/of

b. inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM en/of de artikelen 7 en 8 van het EU-Handvest van de Grondrechten; en/of

c. inbreuk maakt op het portretrecht ex artikel 21 Auteurswet; en/of

d. in strijd handelt met artikel 9 lid 1 AVG;

door het faciliteren van, althans het publiek aan te zetten tot, het uploaden en/of openbaar maken van beeldmateriaal als bedoeld sub I,

tenzij [gedaagde] kan aantonen dat alle personen die in beeld zijn daar schriftelijk vrijelijk en expliciet mee hebben ingestemd;

IV. voor recht verklaart dat [gedaagde] gehouden is de schade te vergoeden die een persoon die in beeld is op het beeldmateriaal als bedoeld sub I heeft geleden door het handelen van [gedaagde] als bedoeld sub I, II en/of III, tenzij [gedaagde] kan aantonen dat die persoon daar schriftelijk vrijelijk en expliciet mee heeft ingestemd, waarbij de hoogte van de schade in een afzonderlijke procedure zal worden vastgesteld;

V. [gedaagde] veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het sub I bedoelde beeldmateriaal te verwijderen en verwijderd te houden van de website [URL] , van elke andere website die [gedaagde] gebruikt(e) voor opslag of openbaarmaking daarvan, en van alle digitale opslagsystemen van [gedaagde] , tenzij [gedaagde] kan aantonen dat alle personen die in beeld zijn daar schriftelijk vrijelijk en expliciet hebben ingestemd met het gebruik daarvan door [gedaagde] ;

VI. [gedaagde] veroordeelt om binnen twintig werkdagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis een rapport van een door de rechtbank aangewezen onafhankelijke ICT-expert te overleggen, opgesteld op kosten van [gedaagde] , waaruit blijkt dat [gedaagde] volledig heeft voldaan aan het sub V opgelegde gebod;

VII. [gedaagde] verbiedt om, vijf werkdagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis:

a. beeldmateriaal als bedoeld sub I online of anderszins openbaar te maken; en/of

b. beeldmateriaal als bedoeld sub I in bezit te hebben; en/of

c. het uploaden en/of openbaar maken van beeldmateriaal als bedoeld sub I te faciliteren, althans het publiek hiertoe aan te zetten;

tenzij [gedaagde] kan aantonen dat alle personen die in beeld zijn daar schriftelijk vrijelijk en expliciet mee hebben ingestemd;

VIII. [gedaagde] veroordeelt om binnen vijf werkdagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis met betrekking tot beeldmateriaal als bedoeld sub I, tenzij [gedaagde] kan aantonen dat alle personen die in beeld zijn schriftelijk vrijelijk en expliciet hebben ingestemd met het gebruik daarvan door [gedaagde] , de navolgende gegevens van de individuele uploaders daarvan (inclusief maar niet beperkt tot de in de dagvaarding genoemde uploaders), voor zover aanwezig, aan de Stichtingen te verschaffen:

a. gebruikersnaam;

b. emailadres;

c. geboortedatum;

d. IP-adres; en

e. alle overige gegevens die de uploader aan [gedaagde] heeft verstrekt;

althans de identificerende gegevens die de rechtbank in goede justitie aangewezen acht;

IX. [gedaagde] veroordeelt om binnen twintig dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis een rapport van een door de rechtbank aangewezen onafhankelijke ICT-expert te overleggen, opgesteld op kosten van [gedaagde] , waaruit blijkt dat [gedaagde] volledig heeft voldaan aan het sub VIII opgelegde gebod;

X. voor recht verklaart dat [gedaagde] gehouden is aan een persoon die in beeld is op het beeldmateriaal als bedoeld sub I, tenzij [gedaagde] kan aantonen dat de persoon die in beeld is schriftelijk vrijelijk en expliciet heeft ingestemd met het gebruik daarvan door [gedaagde] , de sub VIII genoemde gegevens te verschaffen met betrekking tot de individuele uploader van het desbetreffende beeldmateriaal, binnen vijf werkdagen na een verzoek daartoe;

XI. [gedaagde] veroordeelt tot verbeurte van een dwangsom van EUR 15.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] verzuimt de geboden en verboden hierboven genoemd sub V tot en met IX geheel of gedeeltelijk na te komen, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom; en

XII. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, vermeerderd met de nakosten.

3.2.

De Stichtingen leggen hieraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag.

Op de door [gedaagde] geëxploiteerde website zijn tot de intieme privésfeer behorende filmpjes en foto’s van personen te zien, onder wie mogelijk minderjarigen. Deze door derden geüploade filmpjes en foto’s zijn niet door [gedaagde] gecontroleerd. Zij zijn min of meer seksueel getint, althans de in beeld gebrachte personen zijn geheel of gedeeltelijk bloot. Aangenomen moet worden dat de gefilmde en/of gefotografeerde personen niet hebben ingestemd met deze openbaarmaking van deze (al dan niet met hun instemming) van hen gemaakte beelden. [gedaagde] , exploitant van de website en de daarop openbaar gemaakte beelden, handelt onrechtmatig jegens deze personen, tenzij hij aantoont dat zij met deze openbaarmaking van de van hen gemaakte beelden hebben ingestemd, aldus de Stichtingen.

4 Inleiding tot de beoordeling ex artikel 1018c lid 5 Rv

5 De beoordeling ex artikel 1018c lid 5 Rv

6 De beslissing