Home

Rechtbank Amsterdam, 04-11-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5588, C/13/678341 / HA ZA 20/72

Rechtbank Amsterdam, 04-11-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5588, C/13/678341 / HA ZA 20/72

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
4 november 2020
Datum publicatie
3 december 2020
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2020:5588
Zaaknummer
C/13/678341 / HA ZA 20/72

Inhoudsindicatie

Concerngarantie. Hudson's Bay Company in Canada heeft zich garant gesteld voor de nakoming van de huurbetalingen voor het winkelpand in Tilburg van het inmiddels failliete Hudson's Bay Nederland. HBC Canada moet tot 2027 concerngarantie nakomen.

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/678341 / HA ZA 20/72

Vonnis van 4 november 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROYALTON HILL B.V.,

gevestigd te Schiphol,

eiseres,

advocaat mr. W. Raas te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

HUDSON’S BAY COMPANY (thans: HUDSON’S BAY COMPANY ULC),

voorheen gevestigd te Toronto, Ontario (Canada), thans gevestigd te Vancouver, British Columbia (Canada),

gedaagde,

advocaat mr. J.Ph. de Korte te Amsterdam.

Partijen worden hierna Royalton en HBC genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 6 januari 2020, met producties;

-

de conclusie van antwoord van 26 februari 2020, met producties;

-

de beslissing van de rolrechter van 11 maart 2020 dat de zaak niet wordt verwezen naar de kamer voor kantonzaken;

-

het tussenvonnis van 15 juli 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

-

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 1 oktober 2020 met de daarin genoemde (proces)stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen Royalton als verhuurder en HBC Netherlands B.V. (hierna: HBC NL) als huurder is in mei 2016 voor de duur van twintig jaar een huurovereenkomst gesloten (hierna: de huurovereenkomst) met betrekking tot het winkelpand aan de Heuvelstraat 33 / Pieter Vreedeplein in Tilburg (hierna: het winkelpand). De overeengekomen huurprijs (exclusief btw) bedroeg bij aanvang € 2.350.000,- per jaar (€ 195.833,33 per maand).

2.2.

In artikel 7 van de huurovereenkomst is opgenomen dat HBC NL zekerheid zal stellen voor de nakoming van haar verplichting tot betaling van de huur plus btw en indexatie gedurende de eerste tien jaar van de huurovereenkomst in de vorm van verstrekking van een ‘parent company guarantee’ (hierna: concerngarantie) door HBC.

2.3.

In een Parent Company Guarantee-overeenkomst (hierna: de PCG) tussen HBC en Royalton heeft HBC een concerngarantie afgegeven ten behoeve van Royalton voor de betaling van de huur door HBC NL. In de PCG is HBC aangeduid als ‘the Guarantor’, Royalton als ‘the Lessor’ en HBC NL als ‘the Lessee’. De PCG luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1 Guarantee

1.1.

The Guarantor hereby irrevocably and unconditionally guarantees the Lessor and its legal successor(s) by way of an independent obligation, the proper fulfillment of Lessee’s financial obligation to pay any rent instalment plus VAT and CPI-indexation during the 10 year period commencing on the Rent Commencement Date (...), when such payment obligation shall become due and payable according to the terms of the Lease Agreement (...). (...)

1.2.

If the Lease Agreement is terminated prior to the term of 10 years from the Rent Commencement Date in case of a bankruptcy (faillissement) or moratorium of payments (surseance van betaling) of the Lessee (...), the Guarantor shall pay to the Lessor as its own debt to the Lessor, during such 10 year period, the amount of the applicable rent instalment plus VAT and CPI-indexation that would have become due and payable under the Lease Agreement had the Lease Agreement not been terminated, less any amount actually received by the Lessor on account of such rent instalment and VAT from any other person after deducting the Lessor’s reasonable costs in respect of such reletting. The Guarantor will pay these amounts to the Lessor in accordance with the terms of the Lease Agreement up to the 10th anniversary of the Rent Commencement Date, even if the lease agreement has been terminated in accordance with the Bankruptcy Act (Faillissementswet). The Guarantor will no longer be obliged to pay these amounts as soon as the Lessor entered into a new lease agreement with a third party regarding the Property, provided that, if the rent under such new lease agreement is lower than the rent payable under the Lease Agreement during such 10 year period, the Guarantor will be responsible to pay the difference. (...)

(...)

1.6.

The liability of the Guarantor hereunder shall not be reduced or discharged by the bankruptcy, insolvency, liquidation (...) relating to the Lessee (...).

1.7.

In the event of a default by the Lessee under the Lease Agreement or a termination of the Lease Agreement as set out in clause 1.2 of this Guarantee, the Guarantor waives any right to require the Lessor to: (i) proceed against the Lessee or any other guarantor or pursue any rights or remedies against the Lessee or any other guarantor with respect to the Lease Agreement, (ii) proceed against or exhaust any security held by the Lessor from the Lessee or any other person, or (iii) pursue any other remedy whatsoever in the Lessor’s Power, provided that the Lessor will use reasonable commercial efforts to mitigate any loss arising from any default of the Lessee under the Lease Agreement or a termination of the Lease Agreement as set out in clause 1.2 of this Guarantee. (...)

2.4.

Aan HBC NL is op 28 november 2019 surseance van betaling verleend. De bewindvoerders van HBC NL hebben op 29 november 2019 de huurovereenkomst met Royalton ter zake van het winkelpand per 28 februari 2020 opgezegd.

2.5.

In een brief van 23 december 2019 heeft de advocaat van Royalton aan HBC verzocht om binnen zeven dagen te bevestigen dat HBC zal voldoen aan haar verplichtingen uit hoofde van de PCG wanneer HBC NL haar verplichtingen op grond van de huurovereenkomst niet kan nakomen.

2.6.

HBC NL is op 31 december 2019 failliet verklaard.

2.7.

Op de brief van 23 december 2019 (zie 2.5) heeft HBC niet gereageerd. Royalton heeft vervolgens op 6 januari 2020 de dagvaarding in de onderhavige zaak uitgebracht.

2.8.

De bewindvoerders/curatoren van HBC NL hebben de huurpenningen voor het winkelpand tot en met de maand februari 2020 betaald aan Royalton.

2.9.

Vanaf 11 mei 2020 is het winkelpand tegen een omzetgerelateerde huurprijs verhuurd aan Sutherland Companies B.V. (hierna: De Koopman ) ter exploitatie van het winkelconcept De Koopman .

2.10.

Op 29 mei 2020 heeft Royalton een kort geding aangespannen tegen HBC bij de kantonrechter in Amsterdam. Daarin heeft Royalton onder meer gevorderd HBC te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 246.485,- per maand vanaf 1 maart 2020 tot en met december 2020. Het kort geding is behandeld ter zitting op 23 september 2020.

Bij vonnis van 7 oktober 2020 heeft de kantonrechter HBC veroordeeld om bij wijze van voorschot vanaf 1 maart 2020 tot en met augustus 2020 een bedrag van € 246.485,- per maand en vanaf september 2020 tot en met december 2020 een bedrag van € 186.485,- per maand aan Royalton te betalen.

2.11.

Bij beschikking van deze rechtbank van 24 september 2020 is een door HBC op 27 maart 2020 ingediend verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor afgewezen. Aan dat verzoek had HBC ten grondslag gelegd dat zij onderzoek wil doen naar en bewijs wil verzamelen van de nietigheid van onder andere de huurovereenkomst tussen Royalton en HBC NL en de PCG tussen Royalton en HBC wegens schending van mededingingsrecht.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing