Rechtbank Amsterdam, 25-03-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1348, 8427775 CV EXPL 20-6358
Rechtbank Amsterdam, 25-03-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1348, 8427775 CV EXPL 20-6358
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 25 maart 2021
- Datum publicatie
- 2 april 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2021:1348
- Zaaknummer
- 8427775 CV EXPL 20-6358
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen: geldt de uitspraak van art. 7:267 lid 4 BW (“scheidingsregeling”) ook jegens de verhuurder? Is art. 7:267 lid 4 BW ook van toepassing bij contractuele medehuurders die noch gehuwd, noch geregistreerd partner zijn en zo ja, geldt deze uitspraak ook jegens de verhuurder, zonder dat deze in de procedure betrokken wordt?”
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 8427775 CV EXPL 20-6358
vonnis van: 25 maart 2021
fno.: 869
I n z a k e
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
nader te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. D. Numan,
t e g e n
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
nader te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R. Vermeer.
Op 17 december 2020 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis hebben beide partijen een akte genomen.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
De verdere beoordeling
1.
Bij voormeld tussenvonnis, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast geldt en waaraan de kantonrechter zich houdt, zijn partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de in dat vonnis geformuleerde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
2.
Namens [eiseres] is aangegeven dat zij geen vragen of opmerkingen heeft ten aanzien van de in voornoemd tussenvonnis geformuleerde prejudiciële vragen. Van [gedaagde] is geen reactie ontvangen.
3.
Zoals in voornoemd tussenvonnis 17 december 2020 is overwogen bevat de wet voor contractuele medehuurders niet een bepaling die de rechter de mogelijkheid biedt om te bepalen dat het huurrecht van de woning aan één van de contractuele medehuurders wordt toegewezen. Naast de contractuele medehuur bestaan er echter twee vormen van zogenaamd wettelijk medehuurderschap: in art. 7:266 BW voor de echtgenoot of geregistreerd partner van een huurder en in art. 7:267 BW voor andere met de huurder samenwonenden. Deze wettelijke medehuurders kunnen na het einde van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, respectievelijk de samenwoning een beroep doen op de “scheidingsregelingen” in art. 7:266 lid 5 BW, respectievelijk art. 7:267 lid 7 BW.
De kantonrechter begrijpt de vorderingen van partijen aldus dat zij, nu zij niet gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, vorderen dat de scheidingsregeling van art. 7:267 lid 7 BW naar analogie op hun situatie wordt toegepast.
Art. 7:267 lid 7 BW luidt als volgt:
Ieder van de personen bedoeld in lid 4 kan vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. De rechter wijst de vordering slechts toe, indien dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is, met dien verstande dat hij de vordering in ieder geval toewijst, indien de eiser aantoont dat de persoon waarop de vordering betrekking heeft, zijn positie van medehuurder heeft verkregen op grond van een niet mede door de eiser aan de verhuurder gedaan verzoek of van een door hem ingestelde vordering bedoeld in lid 1.
Dat betekent dat partijen in feite vorderen dat de kantonrechter bepaalt dat de ander de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer voortzet.
4.
De vraag is dus of de “scheidingsregeling” in art. 7:267 lid 7 BW naar analogie toegepast kan worden op de situatie dat twee contractuele samenwoners hun samenwoning beëindigen, waarbij tevens van belang is of een dergelijke uitspraak ook werking heeft jegens de verhuurder werking (Vraag 2a en b hierna).
Voorafgaand aan de beantwoording van deze vragen is echter noodzakelijk dat eerst de vraag beantwoord wordt of bij een “normale” toepassing van art. 7:267 lid 7 BW, dus op vordering van een wettelijke medehuurder, de verhuurder gebonden is aan de uitspraak op grond van dit artikellid (Vraag 1 hierna).
Er bestaat debat over de beantwoording van deze vragen. Nu deze rechtsvragen in veel andere geschillen op vergelijkbare wijze aan de orde zijn, ziet de kantonrechter aanleiding om daarover - ambtshalve - prejudiciële vragen als bedoeld in artikel 392 Rv te stellen.
5.
De kantonrechter zal daarom de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stellen:
Vraag 1.
Toelichting:
Uit de letterlijke tekst van de art. 7:266 lid 5 en 7:267 lid 7 BW valt niet af te leiden dat de beslissing werking heeft jegens de verhuurder.
Met betrekking tot art. 7:266 lid 5 BW heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de beslissing van de rechter werking heeft jegens de verhuurder, zie de volgende overweging uit de uitspraak van 14 december 2007, NJ 2008, 122:
“(...) 3.4.2. Art. 7:266 lid 5 voorziet aldus in een regeling omtrent de voortzetting van de huurovereenkomst na echtscheiding, waarbij de rechter beslist - met werking tegenover de verhuurder - wie van de echtgenoten de huur met betrekking tot de door hen tezamen bewoonde woonruimte na de echtscheiding (alleen) mag voortzetten.(...)(cursv.-ktr.)”
Ten aanzien van art. 7:267 lid 7 BW ontbreekt een dergelijke uitspraak van de Hoge Raad. Ook in de lagere jurisprudentie wordt daarop geen antwoord gegeven. Huydecoper (noot bij Ktr. Amsterdam 1 oktober 1998, ECLI:NL:KTGAMS:1998:AK0928 en Groene Serie Huurrecht aant. 30d bij art. 7:267 lid 7 BW) stelt dat art. 7:267 lid 7 BW er ten aanzien van de ‘wettelijke’ medehuurder kennelijk van uit gaat dat die inderdaad naast zijn rechten ook zijn verplichtingen als medehuurder kwijtraakt, als dit artikellid tegen hem wordt toegepast. Hij stelt voorts dat dit voor een medehuurder die later als medehuurder is toegetreden niet zo onlogisch is, omdat de rechtspositie van zulke medehuurders staat of valt met het hebben van hoofdverblijf in het gehuurde. Bij toepassing van art. 7:267 lid 7 BW eindigt het hoofdverblijf, dus ook het medehuurderschap. Minder vanzelfsprekend is dat voor de partij die oorspronkelijk de ‘hoofdhuurder’ was, en die niet op de voet van art. 7:267 BW medehuurder is geworden: deze ‘hoofdhuurder’ verliest zijn status van huurder niet door het opgeven van het hoofdverblijf in het gehuurde. Huydecoper signaleert dat de verhuurder in een procedure op basis van art.7:267 lid 7 BW niet pleegt te worden gehoord, en dat met diens belangen geen rekening pleegt te worden gehouden en vraagt zich af of dat zich met de redelijkheid verdraagt en of op die manier wel aan art. 6 EVRM wordt voldaan. Asser/Rossel & Heisterkamp 7 II (2017) nr. 352 stellen ook vast dat - net zoals in het geval van art. 7:266 lid 5 BW - de verhuurder gebonden is aan de uitkomst van de procedure op grond van art. 7:267 lid 7 BW, zelfs als hij er niet van in kennis is gesteld dat een wijziging is opgetreden in de bewoning van de door hem verhuurde woning. Ter relativering signaleren zij dat de verhuurder zich ook niet kan verzetten wanneer huurder en medehuurder het onderling eens worden over de voortzetting van de huurovereenkomst na beëindiging van de samenwoning en uitvoering aan die afspraak geven. Een extra voordeel dat de verhuurder van een medehuurder op grond van art. 7:267 BW heeft boven het medehuurderschap ”van rechtswege” op grond art. 7:266 BW, is dat de verhuurder bij het aanvaarden van een wettelijke medehuurder op grond van art. 7:267 kan eisen dat deze medehuurder vanuit financieel oogpunt voldoende waarborgen biedt (al betekent dat nog niet dat ook bij het einde van de samenwoning dezelfde financiële gegoedheid bestaat).
Een argument voor de positieve beantwoording van deze vraag kan gevonden worden in het gelijkheidsbeginsel: nu de Hoge Raad ten aanzien van art. 7:266 lid 5 BW reeds geoordeeld heeft dat de uitspraak werking heeft jegens de verhuurder, valt niet in te zien waarom dat niet ook voor de wettelijke medehuurders/samenwoners zou gelden.