Home

Rechtbank Amsterdam, 25-03-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1876, C/13/699265 / FT RK 21.274 en C/13/699291 / FT RK 21.276

Rechtbank Amsterdam, 25-03-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1876, C/13/699265 / FT RK 21.274 en C/13/699291 / FT RK 21.276

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25 maart 2021
Datum publicatie
24 december 2021
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2021:1876
Zaaknummer
C/13/699265 / FT RK 21.274 en C/13/699291 / FT RK 21.276

Inhoudsindicatie

WHOA, duiding artikel 376 Fw, verbod uitoefenen stemrechten verbonden aan de aandelen door pandhouder gedurende afkoelingsperiode, toewijzing verzoek aanstellen herstructureringsdeskundige

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Insolventies – meervoudige kamer

Beschikking op de grond van artikelen 371 en 376 Fw

zaaks-/rekestnummers: C/13/699265 / FT RK 21.274 en C/13/699291 / FT RK 21.276

uitspraakdatum: 25 maart 2021

beschikking op het ter griffie ingekomen verzoekschrift op 16 maart 2021 van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoeker 1] B.V.,

ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaten: mrs. B.W.G. van der Velden en G.Á.C, Orban, kantoorhoudende te Amsterdam,

hierna te noemen: [verzoeker 1] ,

strekkende tot het treffen van een voorziening en/of maatregel in het kader van artikelen 376, 377 en 379 Fw gericht tegen [naam schuldeiser 2] ,

alsmede op het ter griffie ingekomen verzoekschrift op 17 maart 2021 van:

  1. [verzoeker 2] ,

  2. [verzoeker 3] ,

  3. [verzoeker 4] ,

  4. [verzoeker 5] ,

  5. [verzoeker 6] ,

  6. [verzoeker 7] ,

  7. [verzoeker 8] ,

  8. [verzoeker 9] ,

  9. [verzoeker 10] ,

  10. [verzoeker 11] ,

  11. [verzoeker 12] ,

  12. [verzoeker 13] ,

  13. [verzoeker 14] ,

  14. [verzoeker 15] ,

  15. [verzoeker 16] ,

  16. [verzoeker 17] ,

allen rechtspersonen naar buitenlands recht,

verzoekers,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verzoeker] ,

advocaten: mrs. E.C. Netten, H. Şimşek en J. Alhashime, kantoorhoudende te Amsterdam,

hierna gezamenlijk in enkelvoud te noemen: [vertegenwoordiger verzoeker] ,

strekkende tot het aanwijzen van een herstructureringsdeskundige ex artikel 371 Fw ten aanzien van [verzoeker 1] .

1 De procedure

1.1.

[verzoeker 1] heeft op 11 januari 2021 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd en bij verzoekschrift van 28 januari 2021 verzocht een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw te gelasten voor een periode van vier maanden. In de op 11 januari 2021 gedeponeerde startverklaring en in het verzoekschrift heeft [verzoeker 1] gesteld dat zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen twee maanden, een akkoord zal worden aangeboden.

1.2.

[verzoeker 1] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.

1.3.

Het verzoek tot het gelasten van een afkoelingsperiode is behandeld ter zitting in raadkamer op 8 februari 2021. Bij beschikking van 15 februari 2021 heeft de rechtbank een afkoelingsperiode afgekondigd voor de duur van twee maanden ten aanzien van een groep specifieke schuldeisers van [verzoeker 1] en haar groepsvennootschappen. Dit betreffen [vertegenwoordiger verzoeker] , de [naam schuldeiser 1] U.A. (hierna: de [naam schuldeiser 1] ) en [naam schuldeiser 2] (hierna: [naam schuldeiser 2] en/of zekerhedenagent).

De afgekondigde afkoelingsperiode houdt in dat:

- elke bevoegdheid van die schuldeisers tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [verzoeker 1] behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van [verzoeker 1] bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt voorbereid;

- elke bevoegdheid van die schuldeisers tot verhaal op goederen die tot het vermogen van een rechtspersoon, die samen met [verzoeker 1] een groep vormt als bedoeld in artikel 2:24b BW (daaronder begrepen de vennootschappen als genoemd in productie 11 bij het verzoekschrift), behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van zodanige rechtspersoon bevinden, voor zover het verhaal of opeising betreft voor rechten die strekken tot voldoening of tot zekerheid voor de nakoming van verbintenissen van [verzoeker 1] of van verbintenissen waarvoor die rechtspersoon met of naast [verzoeker 1] aansprakelijk is, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt voorbereid;

- de behandeling van een door die schuldeisers ingediend verzoek tot faillietverklaring jegens [verzoeker 1] of één van haar groepsvennootschappen (zoals genoemd in productie 11 bij het verzoekschrift) wordt geschorst.

1.4.

Bij verzoekschrift van 16 maart 2021 heeft [verzoeker 1] de rechtbank verzocht een maatregel en/of voorziening te treffen ex artikelen 376, 378 en 379 Fw, die inhoudt dat [naam schuldeiser 2] bepaalde (stem)rechten gedurende de gelaste afkoelingsperiode niet mag uitoefenen.

1.5.

Bij verzoekschrift van 17 maart 2021 heeft [vertegenwoordiger verzoeker] de rechtbank verzocht om ten aanzien van [verzoeker 1] een herstructureringsdeskundige aan te wijzen ex artikel 371 Fw. In dit verzoekschrift en bij akte overlegging aanvullende producties zijn drie namen van een te benoemen herstructureringsdeskundige genoemd, vergezeld van offertes voor diens kosten.

1.6.

De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting in raadkamer van 17 maart 2021. Namens [verzoeker 1] is de heer [naam 1] , [functie] van [verzoeker 1] , verschenen, bijgestaan door de advocaten mrs. B.W.G. van der Velden, G.Á.C. Orbán, J.H.A. Schipper en B.A. Kuitenbrouwer. De advocaten hebben het verzoek van [verzoeker 1] toegelicht en verweer gevoerd tegen het verzoek tot het aanwijzen van herstructureringsdeskundige. Namens [vertegenwoordiger verzoeker] zijn verschenen mrs. E.C. Netten, C.M. Molhuysen, H. Şimşek en O.M. Weeshoff. De advocaten hebben het verzoek van [vertegenwoordiger verzoeker] toegelicht en verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker 1] , eveneens aan de hand van aan de rechtbank overgelegde pleitaantekeningen. Partijen hebben verder vragen van de rechtbank beantwoord en inlichtingen verstrekt.

Voorts hebben de navolgende personen de behandeling bijgewoond door middel van een videoverbinding:

-

mrs. T.M. Sweerts en. J.H.A. Schipper, advocaten, namens [verzoeker 1] ,

-

[naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (allen namens [vertegenwoordiger verzoeker] ),

-

Suzanne van Gaelen (tolk namens [vertegenwoordiger verzoeker] ),

-

[naam 5] , mr. A. Abou Habaga, mr. W.H.Z. Westerhof, mr. J. Alhashime (allen advocaten namens [vertegenwoordiger verzoeker] en [naam schuldeiser 2] ).

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

2.1.

Het bestuur van [verzoeker 1] wordt, zelfstandig, gevormd door de heer [naam 1] . Enig aandeelhouder van [verzoeker 1] is [aandeelhouder 1] B.V. (hierna: [aandeelhouder 1] ). [verzoeker 1] is de (indirecte) aandeelhouder van zo’n 120 verschillende werkmaatschappijen, die opereren als afzonderlijke juridische entiteiten.

2.2.

Tot de (indirecte) aandeelhouders van [aandeelhouder 1] behoren onder meer [aandeelhouder 2] C.V. (hierna: [aandeelhouder 2] ), een investeringsvehikel van [medeoprichter] , alsmede de oprichters van de werkmaatschappijen.

2.3.

[verzoeker 1] wordt hoofdzakelijk gefinancierd met eigen vermogen van voormelde (indirecte) aandeelhouders en met vreemd vermogen van een groep financiers. Dit vreemd vermogen is aan [verzoeker 1] verschaft door middel van leningen en kredietfaciliteiten.

2.4.

De groep financiers die [verzoeker 1] financiert bestaat uit de [naam schuldeiser 1] en een aantal financieringsfondsen (verzoekers) dat (indirect) beheerd of vertegenwoordigd wordt door [vertegenwoordiger verzoeker] . De kredietverschaffing door de [naam schuldeiser 1] en [vertegenwoordiger verzoeker] is vastgelegd in een zogeheten senior facilities agreement (hierna: de Kredietovereenkomst) van oorspronkelijk 1 augustus 2018. Een derde partij, [naam schuldeiser 2] , treedt onder de Kredietovereenkomst namens de [naam schuldeiser 1] en [vertegenwoordiger verzoeker] op als Agent en zekerhedenagent. [verzoeker 1] , [aandeelhouder 1] en haar (indirecte) dochtervennootschappen hebben tot zekerheid van de terugbetaling van de lening en kredietfaciliteiten garanties afgegeven en zekerheden verstrekt. Dit zekerhedenpakket bestaat onder meer uit pandrechten op de aandelen in [verzoeker 1] zelf evenals in de verschillende (indirecte) dochtervennootschappen van [verzoeker 1] . Verder bestaat het zekerhedenpakket uit (onder meer) pandrechten op vorderingen, roerende zaken en intellectuele eigendomsrechten.

2.5.

Onder de Kredietovereenkomst heeft [verzoeker 1] zich onder meer gecommitteerd om bepaalde financiële ratio’s te behalen. In het bijzonder heeft [verzoeker 1] afgesproken ieder kwartaal een bepaalde (steeds lager wordende) leverage ratio te behalen. Het niet voldoen aan deze afspraken is een grond van verzuim onder de Kredietovereenkomst (Event of Default). Als een dergelijk verzuim niet wordt hersteld (is not remedied) en voortduurt (continuing) is de Agent op instructie van de meerderheid van de financiers (Majority Lenders) onder meer bevoegd om de gehele Kredietovereenkomst in één keer vervroegd op te eisen (acceleration) en de voor de Kredietovereenkomst gevestigde zekerheden uit te winnen. Onder de Kredietovereenkomst wordt de benodigde ‘meerderheid van financiers’ zelfstandig gevormd door [vertegenwoordiger verzoeker] gelet op de wijze waarop financiering juridisch is vormgegeven.

2.6.

[vertegenwoordiger verzoeker] is inmiddels overgegaan tot vervroegde opeising van de Kredietovereenkomst middels het uitbrengen van een Notice of Payment Default op 5 maart 2021 en het uitbrengen van een Acceleration Notice op 10 maart 2021. Voorts heeft [vertegenwoordiger verzoeker] de stemrechten in [verzoeker 1] naar zich toegetrokken – op grond van het op die aandelen gevestigd pandrecht – en zij heeft aangekondigd tijdens de algemene vergadering van 19 maart 2021 het bestuur en de raad van commissarissen van [verzoeker 1] te doen ontslaan en te zullen vervangen.

2.7.

[verzoeker 1] heeft (een deel van) haar schuldeisers op wie het akkoord betrekking zal hebben eerst op 15 maart 2021 geïnformeerd over de afgekondigde afkoelingsperiode en haar voornemen om een (groeps)akkoord aan te bieden.

3 De standpunten van [verzoeker 1]

Verzoek tot het treffen van een voorziening en/of maatregel

3.1.

[verzoeker 1] heeft haar verzoek schriftelijk en ter zitting toegelicht en daartoe – voor zover van belang – het volgende aangevoerd. [verzoeker 1] is voornemens op korte termijn een akkoord in het kader van de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) aan te bieden aan haar financiële schuldeisers als bedoeld in artikel 370 Fw. Als gevolg van de corona-crisis ervaart [verzoeker 1] liquiditeitsnood, maar de aandeelhouder van [verzoeker 1] is bereid de nodige liquiditeit te verschaffen. Het voorgenomen akkoord is in lijn met het eerder aan [vertegenwoordiger verzoeker] gedane voorstel en houdt kort gezegd in dat de rentebetalingen aan [vertegenwoordiger verzoeker] tijdelijk worden opgeschort en de financiële ratio’s tijdelijk niet getest hoeven te worden. Voorts zullen enkele technische aanpassingen worden voorgesteld onder de Kredietovereenkomst. Op basis van dit akkoord is de aandeelhouder bereid een kapitaalinjectie te doen van € 4 miljoen, in aanvulling op de kapitaalstorting van € 5 miljoen die al eerder is gedaan. [verzoeker 1] is in de kern gezond en er is concreet uitzicht op financieel herstel, waarbij alle lopende verplichtingen op termijn volledig zullen worden nagekomen. Voor een algehele oplossing is vereist dat de geïnjecteerde liquiditeit, gedurende een bepaalde periode, niet direct besteed zal hoeven worden aan hoge rentebetalingen of aan de aflossing van vervroegd opgeëiste leningen. [verzoeker 1] heeft een tijdelijke adempauze nodig om haar financiële verplichtingen weer op sterkte te brengen.

3.2.

De afkoelingsperiode die ten aanzien van [verzoeker 1] (en haar groepsmaatschappijen) is gelast, is van belang om haar in de gelegenheid te stellen de door haar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van, en de onderhandeling over, het akkoord te kunnen blijven voortzetten. [verzoeker 1] heeft daarbij in eerste instantie getracht om met [vertegenwoordiger verzoeker] tot een consensuele oplossing te komen, en er om die reden voor gekozen niet aan [vertegenwoordiger verzoeker] mede te delen dat een afkoelingsperiode is afgekondigd. [vertegenwoordiger verzoeker] is echter tussentijds overgegaan tot acties gericht op uitwinning van haar zekerheden. De acties van [vertegenwoordiger verzoeker] zien (onder meer) op vervroegde opeising van de lening en zij heeft de stemrechten in [verzoeker 1] naar zich toe getrokken. Op basis van deze stemrechten kondigde [vertegenwoordiger verzoeker] aan het bestuur en de raad van commissarissen van [verzoeker 1] te ontslaan en zij heeft daartoe een algemene vergadering bijeengeroepen tegen 19 maart 2021. Deze handelswijze heeft tot gevolg dat (het bestuur van) [verzoeker 1] wordt belemmerd in de voorbereiding van het akkoord en druist in die zin dan ook rechtsreeks in tegen het doel van de afkoelingsperiode. Bovendien zou [vertegenwoordiger verzoeker] door deze gang van zaken alsnog in staat worden gesteld, met medewerking van een nieuw te benoemen bestuur, verhaal te nemen op het vermogen van (de groep van) [verzoeker 1] , hetgeen naar de mening van [verzoeker 1] in strijd is met de afgekondigde afkoelingsperiode. [verzoeker 1] heeft [vertegenwoordiger verzoeker] bij brief van 15 maart 2021 geïnformeerd over de afgekondigde afkoelingsperiode en gesommeerd de aangekondigde acties te staken en uiterlijk 17 maart 2021 te bevestigen dat zij geen gebruik zal maken van haar stemrecht om het bestuur en de raad van commissarissen te ontslaan en te vervangen en de aangekondigde vergadering in te trekken. [vertegenwoordiger verzoeker] heeft er (nog) geen blijk van gegeven die bevestiging te willen geven. [verzoeker 1] vreest derhalve dat [vertegenwoordiger verzoeker] haar acties, ondanks de afgekondigde afkoelingsperiode, doorzet en de voorbereidingen van het akkoord zal belemmeren. Dit is voor [verzoeker 1] reden geweest om zich tot de rechtbank te wenden met het verzoek een maatregel of voorziening te treffen die inhoudt dat [naam schuldeiser 2] (als zekerhedenagent van onder meer [vertegenwoordiger verzoeker] ) de bevoegdheid tot het (doen) uitoefenen van de stemrechten niet mag gebruiken, althans niet met betrekking tot het ontslaan van bestuurders en raad van commissarissen en/of het benoemen van nieuwe bestuurders of commissarissen gedurende de afgekondigde afkoelingsperiode.

3.3.

[verzoeker 1] verzoekt de rechtbank te bepalen dat deze handelswijze in strijd is met de gelaste afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw. Voor zover dit artikel toepassing mist, verzoekt [verzoeker 1] de rechtbank op de voet van artikel 378 Fw hierover een vroegtijdige beslissing te geven dan wel op de voet van artikel 379 Fw een maatregel te treffen ter voorkoming van de uitoefening van het stemrecht door [naam schuldeiser 2] . Dat het stemrecht reeds is overgegaan op de pandhouder voordat zij over de afkoelingsperiode werd geïnformeerd, doet volgens [verzoeker 1] niet af aan de bevoegdheid van de rechtbank, nu juist de uitoefening van het stemrecht tot frustratie van het akkoord zal leiden. Er is geen risico dat de vennootschap, als gevolg van het buiten werking stellen van de stembevoegdheid van de pandhouders, stuurloos wordt of het bestuur niet langer onder toezicht staat. Allereerst zou de beperking slechts gelden voor de beperkte duur van de afkoelingsperiode. Het bestuur zal zijn wettelijke taken en plichten blijven vervullen en na afloop zullen zij ook verantwoording moeten afleggen. De wetgever heeft nadrukkelijk rekening gehouden met de situatie dat aandeelhouders gedurende de voorbereiding van een akkoord minder invloed kunnen uitoefenen op de vennootschap en haar besluitvorming. Zo bepaalt artikel 370 lid 5 Fw dat bepaalde regels ten aanzien van de besluitvorming door de algemene vergadering niet van toepassing zijn wanneer op basis van de WHOA een akkoord wordt aangeboden. Naar analogie geldt die situatie zonder meer dan ook voor de pandhouder met stemrechten. Voor zover er besluiten dienen te worden genomen, of controle dient te worden uitgeoefend, die geen verband houden met verhaal of het akkoord niet zullen belemmeren, blijft dat mogelijk. [verzoeker 1] verzoekt de rechtbank dan ook te bepalen dat:

primair:

1. [naam schuldeiser 2] (of diens rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel) haar bevoegdheid tot het (doen) uitoefenen van de stemrechten verbonden aan de aandelen in [verzoeker 1] niet kan uitoefenen, althans niet met betrekking tot het ontslaan van bestuurders of commissarissen en/of het benoemen van nieuwe bestuurders of commissarissen van [verzoeker 1] en/of het aanbrengen van enige (al dan niet statutaire) wijziging in het bestuur van en/of toezicht op [verzoeker 1] , voor de duur van de afkoelingsperiode, althans voor een periode in goede justitie te bepalen door de rechtbank;

subsidiair:

2. althans een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen die ertoe strekt te voorkomen dat de afkoelingsperiode of de bevoegdheid van het huidige bestuur van [verzoeker 1] om een akkoord aan te bieden als bedoeld in artikel 370 Fw wordt gefrustreerd;

3. dat het onder 1 en 2 verzochte ook geldt, zo nodig bij voorbaat, voor iedere rechtspersoon die samen met [verzoeker 1] een groep vormt als bedoeld in artikel 2:24b BW (waaronder begrepen de vennootschappen als genoemd in productie 11) ten behoeve van wie de afkoelingsperiode zoals afgekondigd bij beschikking van 15 februari 2021, mede strekt.

Verweer tegen het verzoek tot het aanwijzen van een herstructureringsdeskundige

3.4.

[verzoeker 1] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van [vertegenwoordiger verzoeker] strekkende tot het aanwijzen van herstructureringsdeskundige. Zij voert daartoe aan dat benoeming van een herstructureringsdeskundige vooral is aangewezen als de schuldenaar zelf geen of onvoldoende actie onderneemt. Dat is hier niet aan de orde. [verzoeker 1] heeft haar akkoord (nagenoeg) gereed en dit moet zo snel mogelijk worden ingediend. Voorts vreest [verzoeker 1] dat, indien een herstructureringsdeskundige wordt aangewezen, dit tot onnodige vertraging van de akkoordprocedure zal leiden, hetgeen zeer onwenselijk en riskant is voor het voortbestaan van de onderneming. Ook zal de aandeelhouder in dat geval zeer waarschijnlijk afzien van de voorgestelde kapitaalinjectie. In dat geval zal op korte termijn het faillissement van [verzoeker 1] volgen. Indien [vertegenwoordiger verzoeker] het niet eens is met de inhoud van het akkoord, staat het haar vrij om daar tegen te stemmen en een beroep te doen op de weigeringsgronden die de wet biedt. [verzoeker 1] geeft de voorkeur aan het aanstellen van een observator boven de aanwijzing van een herstructureringsdeskundige. Een observator kan meekijken bij de voorbereiding van en de aanbieding van het voorgestelde akkoord, waarbij zij kan opkomen voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. [verzoeker 1] concludeert tot afwijzing van het verzoek tot het aanwijzen van een herstructureringsdeskundige en zij verzoekt de rechtbank in de plaats daarvan om een observator aan te stellen. [verzoeker 1] heeft ter behandeling verklaard dat zij zal wachten met het indienen van het akkoord totdat de rechtbank op haar verzoek en het verzoek van [vertegenwoordiger verzoeker] heeft beslist.

4 De standpunten van [vertegenwoordiger verzoeker]

5 De beoordeling

6 De beslissing