Home

Rechtbank Amsterdam, 15-02-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:619, C/13/695890 / KG ZA 21-19

Rechtbank Amsterdam, 15-02-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:619, C/13/695890 / KG ZA 21-19

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15 februari 2021
Datum publicatie
23 februari 2021
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2021:619
Zaaknummer
C/13/695890 / KG ZA 21-19

Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering van eiser om de achterstandscodering bij het BKR te verwijderen is toegewezen. In dit geval zijn er bijzondere omstandigheden die maken dat het maatschappelijk belang van de registratie van de betalingsachterstand moet wijken voor het persoonlijk belang van eiser.

Voor de vraag naar de grondslag van de gegevensverwerking in de AVG wordt in afwachting van beantwoording van prejudiciële vragen door de Hoge Raad ervan uitgegaan dat artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG in elk geval een grondslag oplevert voor de BKR-registratie. (zie gerechtshof Den Haag 8 september 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2068 ) en 10 november 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2068) en het gerechtshof Amsterdam op 9 februari 2021 (zaaknummer 200.273.579/01).

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/695890 / KG ZA 21-19 HH/LO

Vonnis in kort geding van 15 februari 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 13 januari 2021,

advocaat mr. M. de Boorder te 's-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en ING worden genoemd.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van 1 februari 2021 heeft [eiser] de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. ING heeft verweer gevoerd.

Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend.

Ter zitting waren aanwezig [eiser] en [naam partner] , zijn partner, met

mr. De Boorder. Aan de kant van ING was aanwezig [naam medewerker ING] , medewerker bijzonder beheer, met mr. D.J. Posthuma. Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft in 2005 voor zijn eenmanszaak [eiser] Fijn mechaniek een basiskrediet bij de Postbank (rechtsvoorganger van ING) verkregen van € 14.000,-, dat in 2007 is omgezet naar een Postbank Actief Krediet met een maximale limiet van € 35.000,-.

2.2.

Bij brief van 11 mei 2009 van Fidition Creditmanagement Incasso (hierna: Fidition) is namens ING de kredietfaciliteit beëindigd en opgeëist. De vordering bedroeg op dat moment € 23.600,15. In de brief staat dat de reden voor beëindiging is dat sprake is van een niet toegestane limietoverschrijding over de periode

1 januari 2009 t/m 6 mei 2009.

2.3.

Bij deurwaardersexploot van 26 oktober 2009 is [eiser] gesommeerd een bedrag van € 24.393,87 te voldoen.

2.4.

Na deze sommatie heeft [eiser] met Fidition (namens ING) een betalingsregeling getroffen van in eerste instantie € 100,- per maand. [eiser] heeft indien dat mogelijk was meer afgelost dan dat bedrag.

2.5.

In 2011 is een achterstand ontstaan in de betalingen. Bij brief van 22 maart 2011 heeft Fidition aan [eiser] gemeld dat de betalingsregeling is komen te vervallen en is hem gesommeerd binnen veertien dagen het gehele uitstaande saldo van € 24.214,50 terug te betalen. Ook is hem aangezegd dat de vordering bij het uitblijven van betaling met een achterstandscodering zal worden gemeld in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) bij het Bureau Kredietregistratie (BKR).

2.6.

Bij brief van 5 april 2011 heeft Fidition [eiser] nogmaals gesommeerd het uitstaande bedrag van inmiddels € 24.242,25 te voldoen.

2.7.

Bij proces-verbaal van de zitting van 24 oktober 2011 bij de kantonrechter zijn ING en [eiser] overeengekomen dat de betalingsregeling zou worden voortgezet en dat ING zou afzien van executie van het op 24 november 2011 te wijzen vonnis indien [eiser] € 250,- per maand zou aflossen.

2.8.

Bij vonnis van 24 november 2011 van de kantonrechter van de Rechtbank Haarlem is [eiser] veroordeeld tot betaling aan ING van een bedrag van € 24.171,75, te vermeerderen met rente en kosten.

2.9.

Op 19 januari 2012 heeft ING het vonnis van 24 november 2011 laten betekenen. Vervolgens is (wederom) een betalingsregeling tot stand gekomen.

2.10.

Op 26 mei 2020 heeft [eiser] het uitstaande saldo betaald en Vesting Finance heeft hem bij brief van 3 juni 2020 bevestigd dat het dossier is gesloten en dat een einddatum zal worden geplaatst in het BKR.

2.11.

De schuld van [eiser] staat bij het BKR genoteerd met code A2. De einddatum is 26 mei 2020, zodat de codering in principe op 26 mei 2025 zal worden verwijderd.

2.12.

Per e-mail van 26 augustus 2020 heeft [eiser] ING verzocht om de BKR-registratie te laten verwijderen.

2.13.

Bij e-mail van 8 september 2020 heeft Vesting Finance namens ING het verwijderingsverzoek van [eiser] afgewezen.

2.14.

Bij brief van 12 oktober 2020 heeft Dynamiet Nederland namens [eiser] nogmaals een verwijderingsverzoek van de BKR-registratie gedaan.

2.15.

Bij brief van 3 december 2020 heeft Vesting Finance namens ING het verwijderingsverzoek (nogmaals) afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad ING te veroordelen de registratie die zij op zijn naam heeft uitstaan in het CKI van het BKR binnen drie dagen te (doen) verwijderen, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van ING in de proceskosten.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering (samengevat en voor zover van belang) het volgende ten grondslag gelegd. De betalingsachterstand stamt uit 2011. [eiser] erkent dat hij toen door omstandigheden in financiële problemen is geraakt. Hij heeft echter zijn verantwoordelijkheid genomen en heeft de gehele vordering afbetaald. Al jarenlang heeft hij een stabiel inkomen, mede door een vaste baan als docent natuurkunde. Zijn partner, met wie hij al jaren samen is, heeft eveneens een stabiel inkomen met een jaarsalaris van ongeveer € 71.000,- en een spaarsaldo van € 85.000,-. Sinds 2004 huren zij een woning in Heemstede. Doordat de partner van [eiser] ( [naam partner] ) voor haar werk is overgeplaatst naar Drenthe, willen zij daar samen een woning kopen. De BKR-registratie staat daaraan in de weg en zij hebben al een koopovereenkomst moeten ontbinden om die reden. Op dit moment verblijven zij tijdelijk in een woning van Staatsbosbeheer, de werkgever van [naam partner] , die eind maart te koop zal worden aangeboden. Afhankelijk van hoe snel de woning zal worden verkocht zullen zij deze moeten verlaten. Gezien hun leeftijd (65 respectievelijk 58) is dit de laatste kans voor [eiser] en [naam partner] om samen een woning te kopen. Indien zij moeten wachten tot de vijfjaarstermijn is verstreken zullen zij geen hypotheek meer kunnen krijgen. Als zij hadden geweten van de BKR-codering hadden ze de schuld al in 2016 afgelost. Dat had toen ook al gekund met het spaargeld, en dan was er nu geen probleem geweest. Op dit moment kan [naam partner] ook niet een hypotheek alleen op haar naam aanvragen, zo is haar door de hypotheekadviseur medegedeeld. De enige mogelijkheid zou zijn om de samenlevingsovereenkomst te ontbinden, dan de hypotheek aan te vragen, en nadat die is verkregen een nieuwe samenlevingsovereenkomst aan te gaan.

3.3.

ING voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing