Rechtbank Amsterdam, 16-11-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6571, AMS 20/2983
Rechtbank Amsterdam, 16-11-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6571, AMS 20/2983
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 november 2021
- Datum publicatie
- 19 november 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2021:6571
- Zaaknummer
- AMS 20/2983
Inhoudsindicatie
De rijksarchivaris hoefde Stichting Onderzoek Oorlogsmisdaden die onderzoek doet naar oorlogsmisdaden in de Tweede Wereldoorlog geen toegang te verlenen tot het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), omdat zijzelf geen slachtoffer is van oorlogsmisdaden.
Uitspraak
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/2983
(gemachtigden: mr. C.J. Knoops -Hamburger en mr. G.G.J.A. Knoops ),
en
(gemachtigden: mr. C.M. Bitter en mr. C.A. Geleijnse).
Procesverloop
Met het besluit van 21 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om raadpleging van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) op grond van de Archiefwet 1995 (de Archiefwet) en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 13 oktober 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep en hoger beroep ingesteld.1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 24 december 2019 bepaald dat verweerder het verzoek om raadpleging door dient te zenden aan de minister van Onderwijs Cultuur &Wetenschap (OC&W). De Afdeling heeft in deze uitspraak verder geoordeeld dat de minister van OC&W een besluit moet nemen op grond van artikel 15, derde lid, van de Archiefwet. Daarbij kan de minister in aanmerking nemen dat opheffing of buiten toepassing laten van de beperkingen aan de openbaarheid kan worden gelimiteerd tot een bepaalde persoon en dat er ook voorschriften aan kunnen worden verbonden. Ook moet de minister bij de beoordeling van het verzoek de verklaringen2 die eiseres heeft ingebracht en die haar verzoek ondersteunen, betrekken. Indien dat besluit er niet toe leidt dat het verzoek van eiseres wordt ingewilligd, moet de rijksarchivaris (verweerder) een nieuw besluit op bezwaar nemen, waarbij verweerder in het bijzonder alsnog gemotiveerd moet ingaan op de vraag of er een volkenrechtelijke verplichting is op grond waarvan raadpleging van het CABR door eiseres moet worden toegestaan.
Met het besluit van 24 april 2020 heeft de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media (BVOM)3, na de minister van Justitie en Veiligheid (J&V)4 te hebben gehoord, het verzoek om toepassing van artikel 15, derde lid, van de Archiefwet afgewezen. De minister voor BVOM heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van prof. dr. M.F.H. Hirsch Ballin (Hirsch Ballin) van 24 maart 2020.
Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 28 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres wederom ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit dit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2020. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Ook was op de zitting aanwezig [naam 1] ( [naam 1] ), bestuurder van eiseres. Op uitnodiging van de rechtbank is ook Hirsch Ballin verschenen als deskundige.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat, zodat partijen onderling een minnelijke oplossing kunnen onderzoeken.
Na de schorsing ter zitting heeft eiseres nadere informatie verstrekt aan verweerder. Daarin heeft verweerder aanleiding gezien om eiseres inzage te verlenen in een aantal beperkt openbare archiefbescheiden (inzagebesluiten van 26 januari 2021).5
Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 4 mei 2021 gevraagd om inhoudelijk uitspraak te doen. Verweerder heeft bij brief van 4 juni 2021 gereageerd.
Vervolgens heeft de rechtbank aangekondigd dat uitspraak zal worden gedaan zonder nadere zitting, tenzij een van partijen binnen vier weken aangeeft mondeling op een nadere zitting te willen worden gehoord. Eiseres heeft met de brief van 24 juni 2021 laten weten dat zij geen nadere zitting wenst. Met de brief van 13 juli 2021 heeft eiseres gereageerd op de brief van verweerder van 4 juni 2021.
De rechtbank heeft hierna opnieuw aangekondigd dat uitspraak zal worden gedaan zonder nadere zitting. Geen van partijen heeft hierna laten weten een nadere zitting te willen, waarna de rechtbank het onderzoek met de brieven van 24 augustus 2021 heeft gesloten. Met de brieven van 4 oktober 2021 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de termijn om uitspraak te doen met zes weken wordt verlengd.
Overwegingen
Inleiding
Met de brief van 13 mei 2016 heeft eiseres verweerder verzocht om haar toegang te verlenen tot de gegevens van het CABR. Zij wil inzage krijgen en namen verifiëren van de kampbewaarders die in de jaren 1943-1944 bij Nederlandse concentratiekampen werkzaam zijn geweest. Desgevraagd heeft eiseres haar verzoek in de brief van 11 juli 2016 gespecificeerd en zeven namen inclusief geboortedata genoemd. Eiseres wijst in deze brief onder andere op de oorlogsmisdaden die tijdens de Tweede Wereldoorlog in kamp Vught zijn gepleegd. In het bezwaar tegen het primaire besluit heeft eiseres haar verzoek verruimd, in die zin dat zij verzoekt om inzage in de gegevens van het Nationaal Archief over medewerkers van kamp Vught in de periode van 1942-1944.
Eiseres wil inzage, zodat zij deze gegevens aan het Openbaar Ministerie (OM) kan overhandigen met het verzoek alsnog strafvervolging in te stellen dan wel, bij weigering van dat verzoek, dat zij een procedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan starten bij het Hof.
Eiseres heeft in de beroepsprocedure, bij brief van 6 november 2020, vier verklaringen overgelegd.6 Op de zitting van 23 november 2020 heeft eiseres gezegd dat het verzoek om inzage ook ziet op informatie over medewerkers van kamp Amersfoort.
2. Verweerder heeft na het verzoek van eiseres de hierboven onder ‘Procesverloop’ vermelde besluiten genomen. Kort gezegd erkent verweerder dat een volkenrechtelijke verplichting kan bestaan, om aan slachtoffers van core crimes7 toegang tot bepaalde informatie te geven, waaronder bepaalde informatie in het CABR en andere oorlogsarchieven die zijn ondergebracht in het Nationaal Archief. Eiseres kan volgens verweerder echter niet worden aangemerkt als een slachtoffer als bedoeld in artikel 51a Sv, en daarom is aan eiseres geen toegang verleend op grond van een volkenrechtelijke verplichting.
3. Gelet op de verschillende verklaringen van nabestaanden van slachtoffers die door eiseres zijn overgelegd bij brief van 6 november 2020, heeft verweerder aanleiding gezien om met eiseres, als gemachtigde van de opstellers van de verklaringen, in gesprek te gaan over inzage in de beperkt openbare archiefbescheiden.
4. Met de inzagebesluiten van 26 januari 2021 heeft verweerder eiseres toegang verleend tot de in de bijlagen bij deze besluiten genoemde beperkt openbare archiefbescheiden.
De omvang van het geding
De rechtbank zal op de eerste plaats de vraag beantwoorden of de inhoudelijke behandeling van het beroep van eiseres zich ook moet uitstrekken tot het besluit van 24 april 2020 van de minister voor BVOM.
Volgens eiseres moet dat wel en zij voert daartoe aan dat het besluit van 24 april 2020 niet zelfstandig aan haar is uitgereikt. Het besluit van 24 april 2020 heeft haar enkel bereikt als bijlage bij het bestreden besluit.
De rechtbank overweegt dat in het pro-forma beroepschrift en in de nadere gronden van 3 juli 2020 uitsluitend is vermeld dat het beroep zich richt tegen het bestreden besluit van verweerder. In het besluit van 24 april 2020 staat in de kop vermeld dat het een “Besluit op uw verzoek” betreft en in de kantlijn staat een rechtsmiddelenclausule. De rechtbank vindt dat het daarom voor eiseres duidelijk had moeten zijn dat zij hiertegen bezwaar kon maken. Waar eiseres stelt dat de beslissing van de minister voor BVOM integraal onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, volgt de rechtbank dit niet. Verweerder heeft de overwegingen van de minister voor BVOM in het bestreden besluit overgenomen. De besluitvorming blijft echter gescheiden en is afkomstig van twee verschillende bestuursorganen. De rechtbank betrekt het besluit van de minister van BVOM dus niet in haar oordeel.
6. Na de zitting van 23 november 2020 heeft eiseres nadere informatie verstrekt aan verweerder. Verweerder heeft vervolgens met de inzagebesluiten van 26 januari 2021 aan eiseres toegang verleend tot het CABR en verschillende andere oorlogsarchieven van het Nationaal Archief. Het gaat hier om nieuwe besluiten van verweerder, genomen naar aanleiding van nader verstrekte informatie van eiseres, waaronder de op 6 november 2020 ingebrachte verklaringen. Eiseres heeft aangegeven het niet eens te zijn met de wijze waarop de inzage is geëffectueerd. Om proceseconomische redenen en om zoveel mogelijk tot een finale geschillenbeslechting te komen, zal de rechtbank daarom ook de inzagebesluiten van 26 januari 2021 beoordelen. De rechtbank zal hierna eerst het beroep tegen het bestreden besluit bespreken. De rechtbank heeft op de zitting toegelicht dat zij bij de beoordeling van het bestreden besluit moet uitgaan van de informatie bij het verzoek van eiseres zoals deze voorlag na de uitspraak van de Afdeling. Dat is namelijk het verzoek waar verweerder op kon beslissen. Daarna beoordeelt de rechtbank de gronden die eiseres heeft gericht tegen de inzagebesluiten.
De regelgeving
7. Op 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in werking getreden en is de Wbp ingetrokken. De relevante bepalingen uit de Archiefwet, de AVG, de Uitvoeringswet AVG (UAVG) en het Wetboek van Strafvordering zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het bestreden besluit van 28 april 2020
8. Eiseres voert aan dat zij op grond van een volkenrechtelijke verplichting toegang moet krijgen tot het CABR. Eiseres verwijst daarbij naar het advies van Hirsch Ballin. Hierin staat dat er een volkenrechtelijke verplichting bestaat voor de slachtoffers van core crimes tot het verkrijgen van toegang tot gerechtigheid. De Staat is verplicht om aan het slachtoffer voldoende informatie beschikbaar te stellen. Volgens eiseres kan zij op de eerste plaats zelf als slachtoffer in de zin van artikel 51a Sv worden aangemerkt. Zij wijst daarbij op haar doelstelling, zoals ook opgenomen in de statuten, om plegers van mogelijke oorlogsmisdaden waar ook ter wereld met de Nederlandse nationaliteit, of die in Nederland woonachtig zijn, bekend te maken zodat de slachtoffers van deze mensen recht gedaan kan worden en de daders hun straf niet ontlopen.
9. Omdat beide partijen in hun stukken verwijzen naar het advies van Hirsch Ballin heeft de rechtbank haar uitgenodigd voor de zitting. Zij heeft uitgelegd hoe zij het advies heeft bedoeld en toegelicht dat zij de uitleg van eiseres over het slachtofferbegrip in de zin van artikel 51a Sv niet volgt. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Eiseres is geen slachtoffer in hier bedoelde zin, omdat zij zelf geen rechtstreekse vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden door oorlogsmisdaden in de Tweede Wereldoorlog. Dat zij als doel heeft te bewerkstelligen dat oorlogsmisdadigers hun gerechtvaardigde straf niet ontlopen maakt eiseres geen slachtoffer in de zin van artikel 51a Sv. Zoals Hirsch Ballin verder heeft toegelicht, en verweerder ook niet heeft betwist, kan eiseres wel eventueel als gemachtigde optreden van personen die slachtoffer zijn.
10. Eiseres voert in dit laatste opzicht aan – samengevat – dat zij namens de slachtoffers van core crimes en hun nabestaanden optreedt. De door verweerder en de minister gestelde eis van een machtiging is volgens eiseres een formalistische gedachte, die niet wordt gereflecteerd door het internationale recht.
11. De rechtbank stelt vast dat eiseres in 2016 zelf als stichting, dus niet namens anderen, het verzoek om inzage bij verweerder heeft ingediend. Uit de overgelegde verklaringen in 2018 (zie noot 3) blijkt dat de ondertekenaars van die verklaringen het werk van eiseres ondersteunen. De rechtbank leest in die verklaringen echter niet dat de ondertekenaars eiseres verzoeken om (mede) namens henzelf of de organisatie die zij vertegenwoordigen een verzoek om inzage in beperkt openbare archiefbescheiden in te dienen. Door eiseres is ook geen daartoe strekkende schriftelijke machtiging als bedoeld in artikel 2:1 van de Awb overgelegd. Daarom moet ervan uit worden gegaan dat eiseres het verzoek om inzage namens zichzelf heeft gedaan. Omdat eiseres zelf niet als slachtoffer van core crimes kan worden gezien en niet kan worden gezegd dat zij ten tijde van het bestreden besluit namens slachtoffers van core crimes of hun nabestaanden optrad, heeft verweerder het verzoek om inzage terecht afgewezen vanwege het ontbreken van een volkenrechtelijke verplichting (als bedoeld in artikel 32, aanhef en onder e, juncto artikel 23, aanhef en onder a van de UAVG). De omstandigheid dat verweerder na de zitting van 23 november 2020, in de zoektocht van partijen naar een oplossing in deze zaak, alsnog toegang tot beperkt openbare bescheiden heeft gegeven aan eiseres, doet aan het voorgaande niet af. Hieraan lagen (onder andere) de verklaringen ten grondslag die pas na het bestreden besluit zijn overgelegd. Omdat de toetsing door de rechtbank van het bestreden besluit een ex tunc karakter draagt kan met deze nieuwe feiten geen rekening worden gehouden bij de beoordeling van het bestreden besluit.
12. Omdat eiseres buiten de reikwijdte van het slachtofferbegrip valt, is een afweging tussen het belang van slachtoffers bij raadpleging van het CABR en het belang van de persoonlijke levenssfeer van de personen van wie gegevens in het CABR zijn opgenomen, niet aan de orde. Verweerder hoefde dus ook geen belangenafweging te maken.
13. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is genomen.
De inzagebesluiten van 26 januari 2021
14. Bij overbrenging van het CABR naar het Nationaal Archief zijn door de Minister van Justitie beperkingen aan de openbaarheid gesteld.8 Bijlage 1 bij de Verklaring van Overbrenging bevat het Besluit van de Minister van Justitie tot beperking van de openbaarheid tot 1 januari 2025 met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen. Raadpleging is tot 1 januari 2025 na schriftelijk verkregen toestemming van de rijksarchivaris, slechts mogelijk indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. De verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden, waarin wordt aangegeven: de omschrijving van het onderzoeksdoel, de onderzoeksopzet en de wijze waarop de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens zal worden gewaarborgd. Daarnaast is het niet toegestaan reproducties te vervaardigen van documenten uit dossiers, waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Algemeen Rijksarchief. De directeur van het Algemeen Rijksarchief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming.
15. Met de inzagebesluiten heeft verweerder op grond van artikel 17, eerste lid, van de Archiefwet, eiseres toegang verleend tot de in de bijlagen bij deze besluiten genoemde beperkt openbare archiefbescheiden. De archiefbescheiden worden ter raadpleging beschikbaar gesteld. Volgens verweerder voldoet eiseres aan de voorwaarden van de AVG en de UAVG en is verwerking noodzakelijk ter voldoening van een volkenrechtelijke verplichting.
16. Eiseres voert aan dat verweerder haar – ondanks de ruimhartige toezegging op de zitting – geen toestemming heeft gegeven om algeheel onderzoek te doen in het archief. Eiseres mocht geen kopieën van stukken maken, noch een bandje inspreken of notities maken om gegevens te kunnen vergelijken met andere stukken. Er kan daarom geen sprake zijn van een serieus onderzoek. De inzage is verre van compleet en jegens eiseres en haar gemachtigden onzorgvuldig en onrechtmatig. Eiseres verwijst naar de verklaring van [naam 2] over de manier waarop de inzage is verleend. Zij heeft in haar brief van 13 juli 2021 verder toegelicht dat er geen passages uit dossiers mogen worden ingesproken in mini-dictafoons en/of gebruik mag worden gemaakt van elektronica. Telefoons moeten bij binnenkomst worden ingeleverd. Hierdoor wordt het maken van aantekeningen bemoeilijkt, omdat tekst op een document pas relevant kan zijn als het kan worden vergeleken met andere teksten, namen en/of gegevens.
17. De rechtbank maakt uit het mailbericht van verweerder van 18 december 2020 aan (de gemachtigden van) eiseres en de begeleidende brief van 1 februari 2021 bij de inzagebesluiten op dat verweerder vindt dat eiseres met de nader verstrekte informatie voldoet aan de hiervoor onder 14 genoemde voorwaarden voor inzage. In de begeleidende brief van 1 februari 2021 heeft verweerder verder toegelicht welke archieven door eiseres kunnen worden geraadpleegd op basis van de door eiseres aangeleverde lijst met namen van 15 personen die tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam waren in de kampen Vught en Amersfoort. Inzage vindt plaats conform de huisregels voor het gebruikelijke toezicht op inzage in beperkt openbare archieven.
18. De rechtbank overweegt het volgende. Het verzoek van eiseres komt erop neer dat zij volledige inzage in het Nationaal Archief – waaronder het CABR – wil zonder beperkende voorwaarden. Volgens eiseres heeft zij namens genoemde slachtoffers en nabestaanden het recht om op grond van de door Nederland ondertekende Internationale Verdragen volledig onderzoek te doen in het Nationaal Archief en met name ook naar diegenen die zij van naam niet kennen en dus niet vooraf kunnen opgeven aan het CABR.
19. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiseres toegang heeft verleend, omdat de verwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard noodzakelijk is ter voldoening aan een volkenrechtelijke verplichting.9 Dit houdt echter geen recht op onbeperkte toegang in tot het CABR of het Nationaal Archief. Zoals door Hirsch Ballin in haar advies en op de zitting is toegelicht, hetgeen de rechtbank onderschrijft, wordt dit recht op toegang begrensd door het recht op privacy van derden, wiens gegevens het betreft. De onbeperkte toegang zoals eiseres die voorstaat en waarbij een verzoek om inzage ook niet nader hoeft te worden gespecificeerd, verhoudt zich niet tot het systeem van de wet en de beoogde bescherming van persoonsgegevens. De Minister van BVOM heeft het verzoek om toepassing van artikel 15, derde lid, van de Archiefwet met het besluit van 24 april 2020 ook afgewezen.
20. Inzage in het CABR en andere archieven binnen het Nationaal Archief vindt verder plaats conform het beleid van verweerder zoals neergelegd in de huisregels. Deze huisregels stellen beperkingen aan het recht op inzage, onder meer met het oog op de privacybescherming van degenen wiens gegevens het betreft. Zo bepalen de huisregels dat beperkt openbare archiefstukken niet mogen worden gefotografeerd en/of gekopieerd. De Afdeling heeft hierover geoordeeld dat dit beleid niet onredelijk is.10 De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Zij overweegt dat het maken van aantekeningen op grond van de huisregels wel is toegestaan. Volgens eiseres is dit onvoldoende, omdat zij stukken wil kunnen vergelijken. De rechtbank volgt dit niet. Het vergelijken van stukken tekst moet ook mogelijk zijn wanneer je in een ruimte zit met verschillende dossiers. De rechtbank is verder niet gebleken dat het doel dat eiseres nastreeft, het alsnog berechten van oorlogsmisdadigers, niet in voldoende mate kan worden bereikt vanwege de door verweerder gestelde beperkingen.
21. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder in redelijkheid de inzage heeft kunnen verlenen met inachtneming van de daaraan gestelde beperkingen. Van onzorgvuldige of onrechtmatige besluitvorming is geen sprake.
Conclusie
22. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit en de inzagebesluiten ongegrond verklaren. Omdat deze besluiten niet onrechtmatig zijn, zal het verzoek om schadevergoeding van eiseres worden afgewezen.
23. De rechtbank stelt vast dat verweerder de inzagebesluiten heeft genomen nadat eiseres met de brief van 6 november 2020 aanvullende verklaringen heeft overgelegd, het verzoek nader heeft gemotiveerd en heeft voorzien van nieuwe gegevens. Er is daarom geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 28 april 2020 en tegen de inzagebesluiten van 26 januari 2021 ongegrond;
- -
-
wijst het verzoek van eiseres om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, voorzitter, en
mr. C.A.E. Wijnker en mr. T.L. Fernig-Rocour, leden, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2021.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op: