Home

Rechtbank Amsterdam, 24-12-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7643, FT RK 21.952 en 21.953

Rechtbank Amsterdam, 24-12-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7643, FT RK 21.952 en 21.953

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24 december 2021
Datum publicatie
11 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2021:7643
Zaaknummer
FT RK 21.952 en 21.953

Inhoudsindicatie

WHOA; Verlenging afkoelingsperiode; Aspectenverzoeken (378 Fw)

Uitspraak

Team insolventie

rekestnummer: C/13/710255 / FT RK 21.952 en C/13/710256 / FT RK 21.953

uitspraakdatum: 24 december 2021

beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 lid 5 Fw en artikel 378 Fw van 25 november 2021, met bijlagen, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

advocaten: mrs. J.P. Davids en R.T. Mets, kantoorhoudende te Amsterdam,

hierna te noemen: [verzoekster] .

1 De procedure

1.1.

[verzoekster] heeft op 26 april 2021 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd en bij verzoekschrift van diezelfde datum verzocht een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw te gelasten voor een periode van vier maanden.

1.2.

Bij beschikking van 26 mei 2021 heeft de rechtbank een afkoelingsperiode afgekondigd voor de duur van vier maanden. Daarnaast heeft de rechtbank ambtshalve mr. A.J.A. Jansen aangewezen als observator.

1.3.

Bij beschikking van 8 oktober 2021 heeft de rechtbank de bij beschikking van 26 mei 2021 gegeven afkoelingsperiode met een termijn van twee maanden verlengd.

1.4.

Op 25 november 2021 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend waarin wordt verzocht een verlenging van de afkoelingsperiode te gelasten (verlengingsverzoek) en een uitspraak te doen over aspecten die van belang zijn in het kader van het tot stand brengen van een akkoord (aspectenverzoek).

1.5.

Op 26 november 2021 heeft de rechtbank, via mr. Mets, de belanghebbenden die volgens [verzoekster] rechtstreeks door de verzochte beslissingen worden geraakt in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 1 december 2021 schriftelijk hun zienswijzen te geven op zowel het verlengings- als het aspectenverzoek.

1.6.

Bij schrijven van 1 december 2021 hebben mrs. W. Altenaar en F.H.H. Lintjens, namens [schuldeiser 1] B.V. (hierna: [schuldeiser 1] ), [schuldeiser 2] B.V. (hierna: [schuldeiser 2] ) en [schuldeiser 3] B.V. (hierna: [schuldeiser 3] en allen tezamen [schuldeisers] c.s.), mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en de observator mr. A.J.A. Jansen een zienswijze gegeven op de verzoeken.

1.7.

De verzoeken zijn op 7 december 2021 in raadkamer behandeld. Daarbij zijn door middel van een video-verbinding gehoord:

- de heer [naam 2] , bestuurder van [verzoekster] ;

- mrs. R.T. Mets en J.P. Davids, namens [verzoekster] ;

- de heer [naam 3] , aandeelhouder van [verzoekster] , tevens namens [naam bedrijf 1] ;

- de heer [naam 4] , namens [naam bedrijf 2] B.V., aandeelhouder van [verzoekster] ;

- de heer [naam 5] , namens [naam bedrijf 3] B.V., aandeelhouder van [verzoekster] ;

- mr. F.H.H. Lintjes namens [schuldeisers] c.s.;

- de heer [naam 6] , bestuurder van [schuldeiser 2] ;

- mr. A.J.A. Jansen, observator;

2 Het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode

2.1.

In de afgelopen periode heeft [verzoekster] zich tot het uiterste ingespannen om binnen de termijn van de bij beschikking van 8 oktober 2021 verlengde afkoelingsperiode een onderhands crediteurenakkoord tot stand te brengen. Ondanks de betekenisvolle vooruitgang die volgens haar is geboekt, is dit nog niet gelukt. Inmiddels is de crediteuren wel een concept-crediteurenakkoord voorgelegd, heeft [verzoekster] daar feedback op ontvangen en is de voor het akkoord vereiste financiering zo goed als rond. [verzoekster] verwacht binnenkort het definitieve akkoord aan te bieden en ter homologatie voor te kunnen leggen. Om deze redenen verzoekt [verzoekster] nogmaals om een verlenging van de afkoelingsperiode voor de duur van twee maanden. [verzoekster] verzoekt voorts de behandeling van het tegen haar ingediende verzoek tot faillietverklaring te schorsen voor een periode van eveneens twee maanden.

3 De verzoeken ex artikel 378 lid 1 sub b, c, d, e en f Fw

3.1.

Op basis van de reacties van de diverse belanghebbenden zal [verzoekster] haar conceptakkoord op een aantal elementen wijzigen. De vordering van [naam 1] behoort volgens haar (toch) in Klasse 1 te worden ingedeeld, waardoor Klasse 2 komt te vervallen. Daarnaast zullen ook de liquidatie- en reorganisatiewaarden in het akkoord worden gewijzigd. De waarde van de huisjes in opslag is inmiddels door een taxateur ingeschat en zal voor dat geschatte bedrag in het akkoord worden meegenomen. Bij de verdeling van de reorganisatiewaarde zal ook rekening worden gehouden met de niet bij het akkoord betrokken crediteuren. Het restant zal vervolgens onder het akkoord worden verdeeld, conform het conceptakkoord.

3.2.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank een uitspraak te doen over aspecten die van belang zijn in het kader van het tot stand brengen van een akkoord. Samengevat verzoekt [verzoekster] een uitspraak over de navolgende aspecten:

  1. Of de klassenindeling, in het bijzonder Klasse 1 in het conceptakkoord, voldoet aan de vereisten van artikel 374 Fw;

  2. Of de procedure van stemming, als in het conceptakkoord in artikel 9 genoemd met een termijn van 11 dagen om de stem uit te brengen, leidt tot een weigeringsgrond in de zin van artikel 384 lid 2 sub b Fw;

  3. Voor welke hoogte de vordering van [naam 1] , ten aanzien waarvan [verzoekster] inmiddels van oordeel is dat deze in Klasse 1 behoort te worden geplaatst, dient te worden toegelaten tot de stemming, nu partijen twisten over het door te berekenen rentepercentage;

  4. Of, als alle klassen instemmen met het akkoord, er een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 384 lid 2 Fw danwel lid 3 Fw aan de homologatie van het akkoord in de weg zou staan. In het bijzonder:

I. Of summierlijk blijkt dat de bij het akkoord te betrekken schuldeisers of aandeelhouders op basis van het akkoord slechter af zijn dan bij een vereffening van het vermogen van de schuldenaar in faillissement, nu gebleken is dat de jaarrekening van 2019 niet tijdig is gedeponeerd;

II. Of de inhoud van de informatie in het conceptakkoord en de daaraan gehechte bescheiden en de door [verzoekster] gehanteerde waardes en uitgangspunten en aannames voldoende en volledig zijn in de zin van artikel 375 Fw en niet leidt tot een weigeringsgrond in de zin van artikel 384 lid 2 sub c Fw.

3.3.

Ten aanzien van onderdeel A. is [verzoekster] van mening dat de bij het akkoord te betrekken crediteuren met een concurrente vordering tezamen in Klasse 1 horen en op [verzoekster] geen verplichting op grond van artikel 374 Fw rust om deze concurrente crediteuren in verschillende subklassen onder te verdelen. [schuldeisers] c.s. stellen dat financiers het akkoord wat betreft levensvatbaarheid anders toetsen dan aandeelhouders, dat de voorgestelde verwatering juist de aandeelhouders uit de wind houdt en dat er aan [schuldeisers] c.s. zekerheden zouden zijn verstrekt. [verzoekster] kan [schuldeisers] c.s. hierin niet volgen. Ten eerste is de levensvatbaarheidstoets niet een volgens artikel 374 Fw verplicht aan te merken factor. Mocht dat wel het geval zijn, dan stelt [verzoekster] dat de door elke crediteur te maken individuele toets van levensvatbaarheid gelijk is. Tegen [verzoekster] is een faillissementsverzoek aanhangig. Wanneer de herstructurering niet slaagt, failleert [verzoekster] . De voorgestelde herstructurering is voor alle crediteuren het enige betere alternatief. Daarnaast is de toets van de verdere levensvatbaarheid enkel relevant indien een crediteur voor aandelen wenst te kiezen. Hoewel een debt for equity swap het uitgangspunt van het conceptakkoord is, staat het de individuele crediteur vrij om te kiezen voor een (al dan niet gedeeltelijke) uitkering in geld indien zij onvoldoende vertrouwen heeft in de levensvatbaarheid van de vennootschap.

3.3.1.

Ten tweede zal de verwatering van aandelen plaatsvinden zo verstrekkend als dat binnen de kaders van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (hierna: WHOA) mogelijk is. Een verdere verwatering is naar opvatting van [verzoekster] niet mogelijk gezien de hoogte van de reorganisatiewaarde. De door [schuldeisers] c.s. voorgestelde algehele vermindering van het aandelenbedrag overschrijdt naar opvatting van [verzoekster] de grenzen van de WHOA omdat dit voorstel een te grote afbreuk doet aan het beginsel van gelijke behandeling van aandeelhouders afgezet tegen verkrijgers van nieuwe aandelen. Daardoor is een dergelijke vermindering op grond van artikel 370 lid 5 Fw niet mogelijk.

3.3.2.

Ten derde ziet [verzoekster] jegens [schuldeisers] c.s. geen aanleiding om een pretense borgstelling mondeling afgegeven door de heer Schepers te verifiëren. Een borgstelling dient schriftelijk te worden gedaan om in dit geval werking te krijgen. De mondeling toegezegde borg is daardoor in dit geval non existent en daarnaast leidt een borgstelling op zich niet tot een andere positie wat betreft de wettelijke rangorde in de vereffening van het vermogen in faillissement.

3.3.3.

Ten vierde kunnen de vorderingen van [schuldeisers] c.s. in Klasse 1 worden ingedeeld gezien het uitgangspunt dat [verzoekster] in haar akkoord hanteert. [verzoekster] kiest ervoor om alleen de crediteuren bij haar akkoord te betrekken die op het moment van de peildatum van 30 april 2021 (bepaald in samenhang met de datum van deponering van de startverklaring van 26 april 2021) nauw bij haar onderneming betrokken zijn geweest en daardoor over kennis beschikken die een normale (handels)crediteur niet heeft. [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] zijn nauw betrokken (geweest) door hun rol als investeerder en als beoogd participant binnen [verzoekster] . [schuldeiser 3] kan deze kennis worden toegerekend aangezien de UBO van [schuldeiser 3] middellijk aandeelhouder van [verzoekster] is. Dat de vordering van [schuldeiser 3] een handelsvordering is maakt niet dat die niet in Klasse 1 kan worden meegenomen in het akkoord. Een handelsvordering heeft immers geen aparte wettelijke rangorde. Hetzelfde geldt overigens voor (een deel van) de vordering van [naam bedrijf 1] en H.J. Schepers Management B.V., die eveneens in Klasse 1 zijn ingedeeld. [verzoekster] betwist daarbij dat sprake is van het gestelde eigendomsvoorbehoud van [schuldeiser 3] . Hiervan is op geen enkele wijze gebleken noch is dit onderdeel van de schikking die partijen zijn aangegaan.

3.4.

De vorderingen die buiten het akkoord worden gehouden zien op gefactureerde werkzaamheden van na de peildatum. De ratio om deze vorderingen niet op te nemen in Klasse 1 is dat de betreffende crediteuren niet hun voor [verzoekster] benodigde werkzaamheden zullen verrichten indien zij daarvoor niet betaald zouden krijgen en daarmee een risico ontstaat ten aanzien van de continuïteit van de onderneming van [verzoekster] . Het going concern zijn van [verzoekster] is vereist voor het welslagen van het akkoord en daarmee in het belang van de bij het akkoord te betrekken crediteuren.

3.5.

[verzoekster] stelt aan de vereisten voor een juiste klassenindeling te hebben voldaan en ziet in de aangedragen bezwaren geen aanleiding om haar klassenindeling te veranderen.

3.6.

Ten aanzien van onderdeel B. voert [verzoekster] aan dat zij in de toepassing van de procedure van stemming geen strijdigheid ziet met artikel 384 lid 2 sub c jo. artikel 381 Fw. [verzoekster] heeft geen bezwaren ontvangen tegen de procedure van stemming.

3.7.

Ten aanzien van onderdeel C. merkt [verzoekster] op dat zij en [naam 1] wat betreft het te hanteren rentepercentage niet nader tot elkaar komen. [naam 1] stelt dat het rentepercentage van 6% onverkort is blijven gelden. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het in de algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) besloten rentepercentage van 2,4% geldt, zoals dat ook voor de andere leningverstrekkers is gaan gelden. Van tussentijdse bezwaren van [naam 1] over het rentepercentage of tussentijdse opeising van de vordering door [naam 1] is niet gebleken. [verzoekster] ontleende daaraan het vertrouwen dat de marktconforme rente akkoord was en acht het redelijk om een rentepercentage van 2,4% te handhaven. [verzoekster] is bereid de vordering van [naam 1] met een rentepercentage van 6% mee te nemen bij de stemming en zal zich beraden over de hoogte van het te erkennen bedrag. Ten aanzien van de hoogte van de vordering zal mogelijk een renvooiprocedure moeten worden gestart. Een beslissing van de rechtbank is echter gewenst en relevant voor de stemming over het akkoord. [verzoekster] heeft ingestemd met verplaatsing van de vordering van [naam 1] naar Klasse 1 waardoor Klasse 2 komt te vervallen.

3.8.

Ten aanzien van onderdeel D. sub I. voert [verzoekster] het volgende aan. Gezien de liquidatiewaarde van [verzoekster] en de separatistenpositie, zal in een eventueel faillissement naar verwachting niets overblijven om aan de concurrente schuldeisers uit te keren. Enig actief voor de resterende concurrente schuldeisers zal derhalve enkel gegenereerd kunnen worden door een door de curator in te stellen vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De observator heeft geconstateerd dat de jaarrekening over 2019 niet tijdig is gedeponeerd. Andere tekortkomingen in de bestuurstaak zijn niet gesteld en ook niet gebleken. Een procedure op grond van bestuurdersaansprakelijkheid heeft dan ook geen kans van slagen. [verzoekster] ziet onvoldoende aanknopingspunten om (summierlijk) aan te nemen dat de bij het akkoord te betrekken crediteuren of aandeelhouders op basis van het akkoord slechter af zijn dan bij een vereffening in faillissement.

3.8.1.

Ten aanzien van onderdeel D. sub II. is [verzoekster] van mening dat het conceptakkoord voldoet aan de vereisten die artikel 375 Fw daaraan stelt en de door [schuldeisers] c.s. aangevoerde bezwaren door [verzoekster] voldoende zijn weerlegd en niet leiden tot een weigeringsgrond in de zin van artikel 384 lid 2 sub c Fw.

4 De zienswijze van de observator

5 De zienswijze van de belanghebbenden

6 De zienswijze van [naam 1]

7 De beoordeling

8 De beslissing