Rechtbank Amsterdam, 06-04-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1782, C/13/691163 / HA ZA 20-1022
Rechtbank Amsterdam, 06-04-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1782, C/13/691163 / HA ZA 20-1022
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 april 2022
- Datum publicatie
- 8 april 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1782
- Zaaknummer
- C/13/691163 / HA ZA 20-1022
Inhoudsindicatie
Een schilderij dat in 2013 aan het Rijksmuseum is geschonken, hoeft niet aan de schenker of haar zonen te worden teruggegeven.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/691163 / HA ZA 20-1022
Vonnis van 6 april 2022
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat mr. G.J.T.M. van den Bergh te Amsterdam,
tegen
de stichting
STICHTING HET RIJKSMUSEUM,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. E.C. Netten te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en het Rijksmuseum worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 30 september 2020, met producties,
- -
-
de conclusie van antwoord, met producties,
- -
-
het tussenvonnis van 23 december 2020, waarbij partijen gelegenheid is gegeven voor re- en dupliek,
- -
-
de conclusie van repliek, met producties,
- -
-
de conclusie van dupliek, met producties,
- -
-
het tussenvonnis van 22 september 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen,
- -
-
het proces-verbaal van de op 7 februari 2021 gehouden mondelinge behandeling,
- -
-
de brieven 8 maart 2022 van mr. Netten en mrs. Visser en Van Hoek naar aanleiding van de inhoud van het proces-verbaal.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De kunstenaar [naam kunstenaar] heeft in 1918 het werk ‘Compositie’ geschilderd (hierna: het Schilderij). Het Schilderij was lange tijd in eigendom van de ouders van mevrouw [eiser 3] (hierna: [eiser 3] ). De ouders van [eiser 3] hebben het schilderij in 1956 als huwelijksgeschenk aan haar gegeven. Eisers 1 en 2 zijn de twee zonen van [eiser 3] (hierna ook wel: de zonen).
Medio 2013 heeft [eiser 3] , toen 81 jaar oud, met [naam vriend] , een bevriende kunstenaar (hierna: [naam vriend] ), gesproken over het schenken van het Schilderij aan een museum. [naam vriend] heeft haar in contact gebracht met [hoofddirecteur] (hierna: [hoofddirecteur] ), toenmalig hoofddirecteur van het Rijksmuseum.
In augustus 2013 heeft in het Rijksmuseum een ontmoeting plaatsgevonden tussen [eiser 3] , [naam vriend] en [hoofddirecteur] . [eiser 3] heeft in dat gesprek laten weten het Schilderij te willen schenken als eerbetoon aan haar overleden vader. [hoofddirecteur] heeft aangegeven dat het Rijksmuseum het Schilderij graag aan de collectie zou toevoegen en dat het mogelijk zou zijn om de naam van haar vader bij het Schilderij te plaatsen. Afgesproken is dat [hoofddirecteur] het schilderij een paar dagen later bij haar thuis zou komen ophalen. [hoofddirecteur] heeft aan [eiser 3] gevraagd of zij zelf de eigenaar was van het Schilderij. Zij heeft die vraag bevestigend beantwoord.
Op vrijdag 23 augustus 2013 is [hoofddirecteur] naar het huisadres van [eiser 3] gegaan om het Schilderij op te halen. Daar was ook een vriendin van [eiser 3] aanwezig. Na een gesprekje met [eiser 3] is [hoofddirecteur] met het Schilderij vertrokken.
Na het weekend heeft [eiser 3] telefonisch contact opgenomen met [hoofddirecteur] . Zij heeft hem verteld dat ze ruzie had gekregen met haar zonen over de schenking. Die vonden dat ze het schilderij niet had mogen afstaan en zouden er alles aan doen om de schenking te frustreren.
Op 27 augustus 2013 heeft het Rijksmuseum notaris mr. R.H. Meppelink van Loyens & Loeff verzocht een schenkingsakte op te stellen. Een medewerker van Meppelink, kandidaat-notaris mr. A.K. van den Heuvel (hierna: Van den Heuvel) heeft het dossier behandeld. Zij heeft op 28 augustus 2013 telefonisch contact opgenomen met [eiser 3] . [eiser 3] heeft in dit gesprek verteld over de familieruzie. Naar aanleiding van dit telefoongesprek is het passeren van de schenkingsakte, aanvankelijk gepland op 28 augustus 2013, uitgesteld.
Op 3 september 2013 ontving het Rijksmuseum een brief van advocaat mr. Van den Bergh. In deze brief is onder meer het volgende geschreven:
Tot mij hebben zich gewend mevrouw [eiser 3] , respectievelijk haar zonen, de heer [eiser 1] en de heer [eiser 2] , (...) in verband met het volgende.
(...)
Cliënte is kunstverzamelaar en bezit een omvangrijke kunstcollectie. Van cliënte heb ik begrepen dat belangrijke werken uit deze kunstcollectie om fiscale redenen reeds aan haar zonen zijn geschonken. Van de kunstcollectie van cliënte maakt deel uit een werk van [naam kunstenaar] (hierna: het werk). (...) Het werk vertegenwoordigt voor cliënte en haar familie een bijzondere emotionele waarde.
Cliënte is 81 jaar en heeft vanwege haar hoge leeftijd een afnemende fysieke en geestelijke
gezondheid. De zonen van cliënte ondersteunen haar daarom bij het behartigen van vermogensrechtelijke belangen. (...)
Cliënte heeft mij aangegeven dat de heer [naam vriend] haar heeft benaderd en heeft bemiddeld tussen haar en het Rijksmuseum over een mogelijke schenking van het werk. Ik wijs erop dat de zonen van cliënte hiervan geen wetenschap hadden en derhalve evenmin bij enig overleg over de schenking zijn betrokken. Van cliënte begreep ik dat het werk zeer recent uit haar woning is verwijderd en is verplaatst naar het Rijksmuseum. Cliënte informeerde mij dat er geen akte van schenking is opgemaakt. Er bestaat ook geen ander schriftelijk stuk waarin de intenties en/of de voorwaarden van cliënte zijn opgenomen.
(...)
Op grond van voornoemde feiten herroept cliënte (primair) de intentie tot schenking van het werk aan het Rijksmuseum en vernietigt zij (subsidiair) de (intentie tot) schenking aan het Rijksmuseum op grond van misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 Burgerlijk Wetboek.
(...) Cliënte verzoekt, en indien vereist, sommeert u per omgaande schriftelijk te bevestigen dat u het werk uiterlijk woensdag 11 september 2013 aan haar zal retourneren.
Na ontvangst van deze brief heeft het Rijksmuseum de notaris verzocht nogmaals contact op te nemen met [eiser 3] . Op 9 september 2013 heeft Van den Heuvel telefonisch contact met haar gehad. [eiser 3] heeft in dit gesprek aan Van den Heuvel laten weten de schenking te willen doorzetten en de ruzie met haar (klein)kinderen hierover te willen riskeren.
Op 11 september 2013 is in de woning van [eiser 3] een notariële schenkingsakte ondertekend. Daarbij waren behalve [eiser 3] drie medewerkers van Loyens & Loeff (waarnemend notaris mr. C. Bijl en als getuigen Van den Heuvel en N.E.E. Martis) en [hoofddirecteur] aanwezig. Ook aanwezig in de woning was een vriendin van [eiser 3] , mevrouw [naam vriendin] . Voorafgaand aan het ondertekenen van de akte, is door Van den Heuvel het ‘Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening’ van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie doorlopen (hierna: het Stappenplan). De conclusie was dat [eiser 3] naar het oordeel van Van den Heuvel en de waarnemend notaris volledig wilsbekwaam was. Vervolgens is de akte gepasseerd. In de akte is opgenomen, voor zover hier relevant:
De Schenker verklaart:
- dat zij de volledige eigendom heeft van na te noemen schilderij en volledig bevoegd is daarover te beschikken en niet eerder of op andere wijze daarover een overeenkomst heeft gesloten, noch met één of meer van haar kinderen, noch met derden;
- dat zij dit schilderij een goede bestemming wenst te geven; en
- dat zij daarom heeft besloten dit schilderij te schenken aan het Rijksmuseum ten behoeve van de collectie ‘twintigste eeuw’.
(...)
De Schenker en het Rijksmuseum zijn overeengekomen dat het Rijksmuseum bij tentoonstelling van het schilderij melding zal maken dat het betreft:
“schenking van een particulier, in herinnering aan [naam vader]”, zijnde de vader van de Schenker.
Diezelfde dag heeft [hoofddirecteur] een e-mail gestuurd aan mr. Van den Bergh, met de volgende inhoud:
In antwoord op uw brief d.d. 3 september jl. (...) kan ik u melden dat deze zaak inmiddels naar wens van uw cliënte, mevrouw [eiser 3] , is opgelost.
Sinds 1 oktober 2013 is het Schilderij in het Rijksmuseum tentoongesteld. In de jaren die volgden is door [eiser 3] of door haar zonen geen aanspraak gemaakt op ongedaanmaking van de schenking. De schenking aan het Rijksmuseum is aanleiding geweest voor een jarenlange breuk tussen [eiser 3] en haar zoon [eiser 1] (eiser sub 1).
Op 2 april 2020 ontvangt het Rijksmuseum opnieuw een brief van mr. Van den Bergh. In deze brief, geschreven ‘namens de heer [eiser 1] en de familie [eiser 3] ’, wordt gesteld dat het Schilderij al in 2003 door [eiser 3] in eigendom is overgedragen aan haar zonen, onder bijvoeging van een ondertekende ‘Overeenkomst van koop en geldlening’ gedateerd op 15 november 2003. Het Schilderij is daarbij door [eiser 3] verkocht aan de zonen. De koopprijs die door de zonen aan [eiser 3] verschuldigd was, is omgezet in een geldlening. [eiser 3] zou als gevolg van deze verkoop van het Schilderij in 2003 aan de zonen niet beschikkingsbevoegd zijn geweest toen zij het Schilderij in 2013 aan het Rijksmuseum schonk. Daarnaast wordt gesteld dat [eiser 3] ten tijde van de schenking niet compos mentis was en dat het Rijksmuseum het Schilderij niet te goeder trouw heeft verworven. Om die redenen wordt het Rijksmuseum verzocht het Schilderij af te geven aan de zonen.
Het Rijksmuseum heeft op 15 april 2020 per brief gereageerd dat de schenking destijds met alle zorgvuldigheid is omkleed en dat er geen enkele aanleiding was om in twijfel te trekken dat [eiser 3] bij machte was om de eigendom van het Schilderij aan het Rijksmuseum over te dragen. Het Rijksmuseum acht zich daarom de rechtmatige eigenaar van het Schilderij en weigert afgifte.